Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8947

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
NL17.10669 T
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:RBDHA:2019:11098
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser, van Iraakse nationaliteit, is in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de b-grond met ingang van 13 mei 2013 geldig tot 13 mei 2018. De reden voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is dat eiser vanwege zijn christelijke geloof werd aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in Irak.

Uit onderzoek in het visumregistratiesysteem in België en Tsjechië is gebleken dat vaststaat dat eiser met ingang 6 mei 2010 de Armeense nationaliteit heeft verkregen, dat eiser deze Armeense nationaliteit ook had ten tijde van zijn asielaanvraag op 13 mei 2013 en dat hij visum had voor Tsjechië. Ook staat vast dat hij dit niet heeft gemeld bij zijn gehoren. Eiser heeft betoogd dat hij afstand heeft gedaan van zijn Armeense nationaliteit, maar hij is er niet in geslaagd aan te tonen dat hij niet meer in het bezit is van de Armeense nationaliteit. Eiser heeft derhalve een verblijfsalternatief in Armenië. Geen geslaagd beroep op artikel 3 EVRM wegens vrees voor een crimineel in Armenië, omdat niet is gebleken dat bescherming vragen van de Armeense autoriteiten bij voorbaat kansloos of gevaarlijk is. Overigens heeft eiser niet onderbouwd dat autoriteiten hem geen bescherming kunnen of willen bieden. Verweerder wordt in gelegenheid gesteld gebrek ten aanzien van beroep op artikel 64 Vw te herstellen. Tussenuitspraak

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.10669 T


tussenuitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], geboren op [geboortedatum] 1971, van Iraakse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. L.M. Straver),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Lemmers).

Procesverloop

Bij besluit van 19 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum 13 mei 2013, ingetrokken. Ook heeft verweerder hem geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is daarnaast aangezegd Nederland onmiddellijk te verlaten en hem is een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Bij besluit van 17 mei 2013 heeft verweerder aan eiser een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw met ingang van 13 mei 2013 geldig tot 13 mei 2018. De reden voor verlening van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is dat eiser vanwege zijn christelijke geloof werd aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep in Irak en dat er sprake was van een geringe indicatie, zoals bedoeld in Wijzigingsbesluit Vreemdelingencirculaire 2000 (WBV 2013/2).

2. Uit onderzoek in het visum-registratiesysteem van België en Tsjechië is gebleken dat eiser op 25 maart 2013 een visum heeft aangevraagd voor Tsjechië. Bij deze aanvraag heeft eiser een Armeens paspoort overgelegd, waarin eisers personalia staan vermeld. Dit paspoort is geldig van 6 mei 2010 tot 6 mei 2020. Aan eiser is een visum voor Tsjechië verstrekt voor een inreis, 14 dagen geldig, in de periode van 4 april 2013 tot 17 april 2013.

3. Vast staat dat eiser met ingang 6 mei 2010 de Armeense nationaliteit heeft verkregen en dat eiser deze Armeense nationaliteit ook had ten tijde van zijn asielaanvraag op 13 mei 2013. Ook staat vast dat eiser dit niet heeft gemeld bij zijn asielaanvraag op 13 mei 2013 en de daaropvolgende gehoren. Bovendien heeft eiser niet vermeld dat hij een visum voor Tsjechië heeft aangevraagd en verkregen.

4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd met terugwerkende kracht tot 13 mei 2013 ingetrokken op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Eiser was bij aankomst in Nederland in het bezit van de Iraakse én de Armeense nationaliteit en heeft verzwegen dat hij een Armeens paspoort heeft en een visum voor Tsjechië heeft aangevraagd. Wanneer deze gegevens bekend zouden zijn geweest ten tijde van de datum van de vergunningverlening aan eiser op 17 mei 2013, dan zou aan eiser geen verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd zijn verleend op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, van de Vw. Eiser heeft immers een verblijfsalternatief in Armenië. Verweerder heeft zich primair op het standpunt gesteld dat eiser nog steeds de Armeense nationaliteit bezit. Over de door eiser overgelegde afstandsverklaring van zijn Armeense nationaliteit per 3 mei 2016 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat Bureau Documenten (BD) geen uitspraak kan doen over de echtheid van dit document. Ook kan niet worden vastgesteld of het document bevoegd is afgegeven en of de inhoud juist is. Eiser is er dus niet in geslaagd bewijs te leveren van zijn stelling dat hij zijn Armeense nationaliteit heeft verloren. De intrekking van zijn verblijfsvergunning betekent geen schending van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

5. Eiser heeft allereerst aangevoerd dat sprake is van rechtsverwerking, nu verweerder reeds op 26 november 2014 bekend was met de zogenoemde Visiontreffer uit België en de resultaten van het nader onderzoek pas op 13 juni 2016 bekend zijn geworden. De mogelijkheid van rechtsherstel door verweerder wordt begrensd door rechtsverwerking, aldus eiser. Voorts heeft eiser betwist dat hij de Armeense nationaliteit nu nog bezit. Hij heeft immers afstand gedaan van zijn Armeense nationaliteit en heeft hiervan een verklaring overgelegd. Deze afstandsverklaring is afgegeven op 3 maart 2017 en houdt in dat de Armeense nationaliteit van eiser met ingang van 3 mei 2016 is beëindigd. Op de datum van het bestreden besluit had eiser dus nog maar één nationaliteit en dat is de Iraakse. Het ligt op de weg van verweerder om zelf nader onderzoek te doen naar de afstandsverklaring, omdat bij een intrekking van een verblijfsvergunning op verweerder een zwaardere bewijslast rust. Eiser heeft voorts betwist dat hij een verblijfsalternatief heeft in Armenië. De Armeense autoriteiten zijn niet in staat hem effectieve bescherming te verlenen tegen de crimineel [A] en zijn netwerk. Verweerder heeft miskend dat hij eerst in algemene zin dient te beoordelen of de Armeense autoriteiten in staat zijn bescherming hiertegen de bieden. Ten onrechte heeft verweerder met het oog op toepassing van artikel 64 van Vw geen medisch advies opgevraagd bij het Bureau Medische Advisering (BMA). Ook heeft verweerder niet gemotiveerd waarom eiser een vertrektermijn wordt onthouden en een inreisverbod wordt opgelegd voor twee jaren, terwijl hij hier een medische behandeling ondergaat en hij in de Europese Unie familieleden heeft wonen.

6. De rechtbank stelt voorop dat het enkele tijdsverloop tussen de Visiontreffer en de presentatie van de onderzoeksresultaten door verweerder, niet met zich mee brengt dat sprake is van rechtsverwerking aan de zijde van verweerder. Verder staat vast dat aan eiser is mede gedeeld dat zijn asielaanvraag kon worden afgewezen als hij niet naar waarheid en zo volledig mogelijk zou verklaren. Eiser had er derhalve rekening mee moeten houden dat het verzwijgen van zijn Armeense nationaliteit en zijn visumaanvraag voor Tsjechië op enig moment tot intrekking van zijn vergunning zou kunnen leiden. Ook op deze grond kan niet worden geoordeeld dat verweerder zijn recht om eisers asielvergunning in te trekken, heeft verwerkt.

7. Op grond van artikel 32, eerste lid, onder a, van de Vw kan, voor zover van belang, de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd worden ingetrokken indien de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid.

8. Volgens vaste jurisprudentie1 ligt het, indien verweerder een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd intrekt omdat zich de grond bedoeld in artikel 32, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw voordoet, op zijn weg aannemelijk te maken dat die afwijzingsgrond zich voordoet. Als door verweerder aan deze bewijslast is voldaan, is het vervolgens aan de vreemdeling om het door verweerder geleverde bewijs te weerleggen.

9. De rechtbank overweegt dat verweerder op 17 augustus 2016 een voornemen heeft uitgebracht tot intrekking van eisers verblijfsvergunning. In de zienswijze van 11 oktober 2016 heeft eiser verklaard dat hij een procedure is gestart om afstand te doen van zijn Armeense nationaliteit. Bij brief van 13 april 2017 heeft eiser de eerder genoemde afstandsverklaring overgelegd. Vervolgens heeft verweerder deze afstandsverklaring laten onderzoeken door BD. In het onderzoeksverslag van 26 juli 2017 van BD staat vermeld dat gezien de grote verscheidenheid van dit soort documenten en het ontbreken van voldoende en betrouwbaar vergelijkingsmateriaal van dit specifieke document, geen uitspraak kan worden gedaan over de echtheid van het document. Daarnaast kan niet worden vastgesteld of het document bevoegd is opgemaakt en afgegeven en kan niet worden vastgesteld of het document inhoudelijk juist is. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS2 is een advies van BD een deskundigenadvies. Indien het bestuursorgaan een deskundigenadvies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, dient hij zich er ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van te vergewissen dat dit – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. De rechtbank is van oordeel dat verweerder aan zijn vergewisplicht heeft voldaan. Uit de rapportage blijkt afdoende op welke wijze BD het aan hem gepresenteerde document heeft onderzocht en op basis waarvan BD tot zijn conclusies is gekomen. De onderzoeksbevindingen van BD kunnen deze conclusies ook dragen. Verweerder heeft de rapportage van BD daarom aan zijn besluitvorming ten grondslag mogen leggen. Naar het oordeel van de rechtbank ligt het vervolgens weer op de weg van eiser om aan te tonen dat hij niet meer in het bezit is van de Armeense nationaliteit. Eiser is hierin niet geslaagd.

10. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 32 van de Vw (Nota naar aanleiding van het Verslag, Kamerstukken II 1999/2000, 26 732, no. 7, blz. 25-26) volgt dat de intrekking van een vergunning is gericht op het ongedaan maken van de gevolgen die aan de onjuiste gegevens zijn verbonden. Het uitgangspunt is dat er rechtsherstel plaatsvindt op basis van de gegevens zoals deze inmiddels bekend zijn geworden. Verweerder dient de situatie weer in overeenstemming te brengen met de situatie ten tijde van de aanvraag. De rechtbank gaat er, gelet op voorgaande in 9, van uit dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser ten tijde van het bestreden besluit nog steeds in het bezit was van de Armeense nationaliteit, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij deze Armeense nationaliteit heeft verloren. Eisers beroep op een uitspraak van de Belgische Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 8 maart 2016 faalt reeds om die reden. Verweerder hoeft gezien het voorgaande geen nader onderzoek te doen naar de authenticiteit van de afstandsverklaring en hoeft ook geen onderzoek bij de autoriteiten in Armenië te doen. Nu verweerder er terecht van is uitgegaan dat eiser over de Armeense nationaliteit beschikt, heeft hij zich ook terecht op het standpunt gesteld dat hij in Armenië een verblijfsalternatief heeft. Verweerder heeft voldaan aan de maatstaf zoals neergelegd in de uitspraak van de ABRvS van 18 juli 20143. Eisers stelling, dat hij maar één effectieve nationaliteit heeft, namelijk de Iraakse, wordt gepasseerd. De beroepsgrond slaagt derhalve niet.

11. Eiser heeft voorts aangevoerd hij bij terugkeer in Armenië een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 van het EVRM omdat de crimineel [A] wraak op hem wil nemen. De Armeense autoriteiten kunnen eiser geen effectieve bescherming hiertegen bieden.

12. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat uit het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlande Zaken over Armenië van april 2016 blijkt dat de Armeense autoriteiten in beginsel bescherming kunnen bieden en dat aangifte doen niet op voorhand kansloos of gevaarlijk is. Eiser kan zich derhalve wenden tot de Armeense autoriteiten om bescherming te vragen. Niet is gebleken dat eiser dit heeft gedaan. Eiser heeft ook overigens niet onderbouwd dat de Armeense autoriteiten hem geen bescherming zouden kunnen of willen bieden. Gezien het voorgaande bestaat geen aanleiding om te concluderen dat er ten aanzien van eiser bij terugkeer Armenië een (mogelijke) schending van artikel 3 van EVRM ontstaat. De beroepsgrond slaagt niet.

13. De overige door eiser aangevoerde beroepsgronden, die zien op het al dan niet hebben van de Armeense nationaliteit en op de vraag of Armenië een verblijfsalternatief is, behoeven geen bespreking meer.

14. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank de vertrektermijn op grond van artikel 62, tweede lid, onder b, van de Vw, mogen verkorten en bepalen dat eiser na het uitbrengen van de beschikking Nederland onmiddellijk dient te verlaten, omdat is gebleken dat eiser onjuiste gegevens heeft verstrekt. De rechtbank vindt hiervoor steun in de uitspraak van de ABRvS van 10 juli 20144. De beroepsgrond slaagt niet.

15. In artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw is bepaald dat verweerder een inreisverbod uitvaardigt tegen de vreemdeling, die geen gemeenschapsonderdaan is, op wie artikel 64 van de Vw niet van toepassing is en die Nederland onmiddellijk moet verlaten op grond van artikel 62, tweede lid, van de Vw. Vervolgens is in artikel 66a, achtste lid, van de Vw bepaald dat verweerder om humanitaire of andere redenen kan afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. In dat kader heeft eiser een beroep gedaan op artikel 8 van het EVRM. Eiser heeft aangevoerd dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is gemotiveerd waarom aan hem, ondanks zijn in Nederland verblijvende familieleden, waaronder zijn vrouw en minderjarige zoon, én de medische behandeling die hij ondergaat, een inreisverbod van twee jaar wordt opgelegd.

16. Ten aanzien van het beroep op het recht op respect voor familie- en gezinsleven en privéleven is van belang dat ingevolge artikel 8 van het EVRM geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen. Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) en de ABRvS5 dient bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op respect voor het familie- en gezinsleven en privéleven een “fair balance” te worden gevonden tussen enerzijds de belangen van de betrokkene en anderzijds het belang van de staat. Bij deze afweging komt aan de staat een zekere beoordelingsruimte toe. De rechter dient deze beoordeling door verweerder enigszins terughoudend te toetsen.

17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging betrokken en is verweerder niet ten onrechte tot de conclusie gekomen dat de belangenafweging in dit geval in het nadeel van eiser uitvalt. In dit verband heeft verweerder van belang geacht dat de vrouw en zoon van eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben. Eisers verblijfsvergunning wordt met terugwerkende kracht tot de ingangsdatum ingetrokken, zodat eiser nimmer rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad. Dit betekent dat eiser het familie- en gezinsleven en privéleven is aangegaan tijdens onrechtmatig verblijf hier te lande en dat hij dit heeft geïntensiveerd in de wetenschap dat hij onjuiste gegevens heeft verstrekt. Dit heeft verweerder in het nadeel van eiser mogen meewegen. Over eisers overige familieleden in Nederland heeft verweerder zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet heeft niet onderbouwd dat hij een zodanig sterke band met hen heeft, dat die normale banden tussen volwassenen overstijgen. Voorts kan het contact met deze familieleden worden onderhouden vanuit Armenië via de moderne communicatiemiddelen. Van strijd met artikel 8 van het EVRM is de rechtbank dan ook niet gebleken.

18. Ten slotte voert eiser aan dat verweerder in het kader van artikel 64 van de Vw het BMA om medisch advies had moeten vragen. Eiser heeft reeds bij zijn zienswijze van 11 oktober 2016 aangegeven dat hij in Nederland onder medische behandeling staat voor diabetes (type II) en dat hij voor specialistische hulp is doorverwezen naar een psycholoog. Op 20 oktober 2016 heeft eiser een uitdraai overgelegd van zijn medische klachten waarvoor hij medische behandeling krijgt. Voorts heeft eiser in beroep op 19 maart 2018 een brief van 8 november 2017 overgelegd van zijn behandelend arts [naam arts] van [praktijk]. In deze brief staat vermeld dat eiser sinds maart 2017 in behandeling is vanwege posttraumatische stressstoornis (PTSS).

19. De rechtbank is, gelet op deze medische stukken, van oordeel dat eiser voldoende concrete informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij onder medische behandeling staat. Verweerder heeft zich derhalve niet op het standpunt kunnen stellen dat eiser geen medische informatie heeft overgelegd. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 64 van de Vw. Dit betekent eveneens dat de rechtbank nog geen oordeel kan geven over de vraag of aan eiser een inreisverbod kan worden opgelegd, omdat ingevolge artikel 66a, eerste lid, van de Vw slechts een inreisverbod kan worden uitgevaardigd tegen de vreemdeling op wie artikel 64 van de Vw niet van toepassing is.

20. Uit dat wat hiervoor is overwogen, volgt dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:48 van de Awb. Op grond van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb kan de rechtbank het bestuursorgaan in de gelegenheid stellen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen. Op grond van artikel 8:80a van de Awb doet de rechtbank dan een tussenuitspraak. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit. Om het gebrek te herstellen, moet verweerder medisch advies opvragen aan het BMA. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.

21. Verweerder moet op grond van artikel 8:51b, eerste lid, van de Awb én om nodeloze vertraging te voorkomen zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken, meedelen aan de rechtbank of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen. Als verweerder gebruik maakt van die gelegenheid, zal de rechtbank eiser in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren op de herstelpoging van verweerder. In beginsel, ook in de situatie dat verweerder de hersteltermijn ongebruikt laat verstrijken, zal de rechtbank zonder tweede zitting uitspraak doen op het beroep.

22. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. De rechtbank verwijst naar de uitspraak van de ABRvS van 12 juni 20136 .

23. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank:

- draagt verweerder op binnen twee weken de rechtbank mee te delen of hij gebruik maakt van de gelegenheid het gebrek te herstellen;

- stelt verweerder in de gelegenheid om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak of plaatsing in het digitale dossier het gebrek te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in deze tussenuitspraak;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Nicholson, voorzitter, en mr. C. Karman en mr. O. Veldman, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.

1 Zie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:CA3608) en 23 januari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:169).

2 Zie de uitspraken van de ABRvS van 3 juni 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1768) en 3 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:258).

3 ECLI:NL:RVS:2014:2815.

4 ECLI:NL:RVS:2014:2637.

5 Zie onder meer de arresten van het EHRM inzake Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en het arrest Butt tegen Noorwegen, van 4 december 2012, nr. 47017/09, (www.echr.coe.int) en bijvoorbeeld de uitspraak van de ABRvS van 13 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527).

6 ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.