Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8944

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1427
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Herziening, terugvordering en boeteoplegging WW. Uitbreiding van werk naast WW-uitkering en verhoogde inkomsten. Onvoldoende onderzoek naar feitelijke gang van zaken rond de uitbreiding van de werkzaamheden. Daarom is niet aannemelijk gemaakt dat sprake is geweest van een relevante urenuitbreiding, Omrekentool om verhoogde inkomsten om te zetten in meeruren geen passend instrument. Het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Awb. Aan de boeteoplegging is de grondslag komen te ontvallen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 18/1427 en SGR 18/1645

uitspraak van de meervoudige kamer van 23 juli 2018 in de zaken tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.W. Kempe),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. M.C. Puister).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2017 (het primaire besluit I) heeft verweerder het recht op uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) van eiseres over de periode van 3 juni 2013 tot en met 29 november 2015 (gedeeltelijk) herzien en een bedrag van € 48.934,09 aan WW-uitkering teruggevorderd.

Bij besluit van 27 juli 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder aan eiseres wegens schending van de inlichtingenplicht een boete opgelegd van € 2.600,-.

Bij besluit van 5 februari 2018 (het bestreden besluit I) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit I ongegrond verklaard.

Bij besluit van 5 februari 2018 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het primaire besluit II ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres was tot en met 31 mei 2013 als energiemedewerker op contractbasis gedurende 34 uur per week in dienst van de [school]. Naar aanleiding van de beëindiging van het arbeidscontract heeft eiseres een WW-uitkering aangevraagd.

Verweerder heeft deze aanvraag toegewezen en aan eiseres met ingang van 3 juni 2013 een WW-uitkering toegekend, gebaseerd op een gemiddeld aantal arbeidsuren (GAA) van 34 uur per week en een looptijd tot en met 2 augustus 2016 (WW-recht 1). Op

31 augustus 2015 heeft eiseres zich ziek gemeld en is aan haar met ingang van

30 november 2015 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2

Naast haar arbeid voor de [school] werkte eiseres sinds 1 januari 2006 op basis van een overeenkomst van opdracht gemiddeld 12 uur per week als krantendistributeur voor de [B.V.] ([B.V.]). Na beëindiging van deze werkzaamheden is aan eiseres per 26 september 2016 een WW-uitkering toegekend, berekend naar een GAA van 18 uur per week (WW-recht 2).

2.1

Bij het primaire besluit I heeft verweerder gesteld dat volgens intern onderzoek eiseres haar gewerkte uren niet correct heeft doorgegeven zodat geen recht bestond op een volledige WW-uitkering. Daarom heeft verweerder over de periode van 3 juni 2013 tot en met 29 november 2015 het recht op WW-uitkering (gedeeltelijk) herzien en een bedrag van € 48.934,09 aan WW-uitkering van eiseres teruggevorderd.

2.2

Bij het primaire besluit II heeft verweerder aan eiseres een boete opgelegd van

€ 2.600,- wegens schending van de inlichtingenplicht. Bij de bestreden besluiten I en II heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen de primaire besluiten I en II ongegrond verklaard.

2.3

Bestreden besluit I berust op het standpunt van verweerder dat eiseres van de toename van haar inkomsten bij de [B.V.] vanaf juni 2013 ten onrechte geen melding heeft gemaakt. Bij de berekening van de herziening van het recht op WW-uitkering heeft verweerder de inkomsten van eiseres bij de [B.V.] vergeleken met soortgelijke arbeid in loondienst en vervolgens herleid naar arbeidsuren per week. Deze wijze van berekenen heeft verweerder gebracht op een van eiseres terug te vorderen uitkeringsbedrag van € 48.934,09.

2.4

Bestreden besluit II berust op het standpunt dat eiseres de inlichtingenplicht van artikel 25 WW heeft overtreden door geen melding te maken van de hogere inkomsten bij de [B.V.]. Bij de bepaling van de hoogte van de boete is verweerder in het geval van eiseres uitgegaan van verminderde verwijtbaarheid en is aldus het boetebedrag bepaald op de maximale hoogte van € 2.600,-.

3. In beroep voert eiseres aan dat zij nooit informatie heeft achtergehouden noch anderszins het Uwv onjuist heeft geïnformeerd. Eiseres stelt dat zij door de [B.V.] per dag en niet per uur werd betaald en dat zij ondanks de toename van de inkomsten altijd twee uur per dag, gedurende zes dagen per week voor de [B.V.] werkzaam is geweest. Volgens eiseres moeten het WW-recht 1 en de werkzaamheden bij de [B.V.] afzonderlijk van elkaar worden bezien en hebben zij geen invloed op elkaar. Eiseres meent dat verweerder onvoldoende feitenonderzoek heeft gedaan en een onjuiste belangenafweging heeft uitgevoerd als gevolg waarvan ten onrechte tot herziening van haar WW-uitkering is overgegaan en een boete is opgelegd. Wat betreft de boeteoplegging voert eiseres aan dat in haar geval dringende redenen aanwezig zijn die voor verweerder aanleiding moeten zijn af te zien van het opleggen van een boete. In dat verband stelt eiseres dat zij - kort gezegd - over onvoldoende financiële middelen beschikt en dat het opleggen van een boete tot onaanvaardbare sociale en financiële gevolgen leidt.

De herziening en terugvordering.

4.1

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv een besluit tot toekenning van een WW-uitkering of trekt het Uwv deze in, onder andere indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van

artikel 25 van de WW heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering.

4.2

Op grond van artikel 22a, tweede lid, van de WW kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien.

4.3

Ingevolge artikel 20, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW, zoals dit artikel luidde ten tijde in geding, eindigt het recht op uitkering voor zover de werknemer niet langer werkloos is.

4.4

Op grond van artikel 20, derde lid, van de WW eindigt voor de werknemer op wie het eerste lid, onderdeel b, van toepassing is het recht op uitkering ter zake van het aantal arbeidsuren dat hij in een kalenderweek heeft.

4.5

Ingevolge artikel 25 van de WW – voor zover hier van belang – is de werknemer verplicht het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan de werknemer wordt betaald.

4.6

Artikel 36, eerste lid, van de WW bepaalt, voor zover van belang, dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a van WW onverschuldigd is betaald, door het Uwv van de betrokken werknemer wordt teruggevorderd.

4.7

Op grond van artikel 36, zesde lid, van de WW kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

5. Bij besluiten tot herziening en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv de feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat terecht tot herziening en terugvordering is overgegaan.

6. De rechtbank overweegt als volgt.

6.1

De werkzaamheden van eiseres voor de [B.V.] betroffen krachtens een daartoe gesloten distributieovereenkomst “het organiseren van en het doen uitvoeren van het transport en bezorging” van bij de [B.V.] aangesloten kranten. Eiseres had de leiding over het rayon [plaats]. In dat kader was eiseres gedurende zes dagen per week van 04.00 tot 06.00 uur werkzaam op het rayondepot, waar de krantenpakketten door de [B.V.] werden aangeleverd. Eiseres was verantwoordelijk voor de verspreiding en bezorging van de kranten door bezorgers die ’s morgens op het depot hun bezorgpakket afhaalden.

Eiseres werd op het depot bijgestaan door assistenten en door haar dochters, die voor haar hand- en spandiensten verrichtten en, als het nodig was, haar bij ziekte konden vervangen. Eiseres droeg tevens zorg voor verspreiding van kranten naar winkels voor de losse verkoop. Eiseres hield een administratie bij van haar werkzaamheden en betalingen aan de door haar ingeschakelde hulppersonen en legde daarvoor verantwoording af aan de rayonmanager, die op basis van de administratie van eiseres de dagvergoeding bepaalde.

6.2

Vanaf de maand oktober 2013 heeft eiseres op verzoek van de [B.V.] ook de krantendistributie van het rayon [plaats] voor haar rekening genomen omdat daar de verspreiding en bezorging van kranten niet goed verliep en er veel bezorgklachten binnenkwamen. Ter zitting heeft eiseres verklaard dat ze toen de (gelijktijdige) verantwoordelijkheid kreeg over twee rayons en dat één van haar dochters haar taken waarnam op het andere rayondepot. Eiseres bleef wel van 04.00 tot 06.00 uur telefonisch beschikbaar voor het geven van adviezen en het oplossen van problemen. Als gevolg van de uitbreiding van haar werk met een rayon stegen de inkomsten van eiseres naar ten minste het gemiddeld niveau van een door de [B.V.] verstrekte dubbele dagvergoeding. Ter gelegenheid van een Uwv-hoorzitting inzake de beoordeling van het recht op WW-uitkering na de beëindiging per 26 september 2016 van de werkzaamheden van eiseres voor de [B.V.], is verweerder op het spoor gekomen van de verhoogde inkomsten van eiseres. Verweerder heeft vervolgens deze inkomsten, zo stelt hij in zijn verweerschrift van

2 mei 2018, omgerekend naar stukloon en dit weer omgezet in een aantal gewerkte uren. Op grond van deze met behulp van een omrekentool gemaakte berekening heeft verweerder vastgesteld dat eiseres beduidend meer uren heeft gewerkt dan de 12 uur, waarvoor een vrijstelling gold. Deze vaststelling heeft verweerder geleid tot gedeeltelijke beëindiging van 3 juni 2013 tot 7 oktober 2013 en volledige intrekking van WW-recht 1 met ingang van de week van 7 oktober 2013 tot en met 29 november 2015.

7.1

Vast staat dat verweerder geen onderzoek heeft uitgevoerd naar de feitelijke gang van zaken rond de uitbreiding van de werkzaamheden van eiseres als gevolg van de aanvaarding in de loop van oktober 2013 van het tweede rayon [plaats]. Door het achterwege laten van dit onderzoek is onduidelijk gebleven of eiseres daadwerkelijk meer uren is gaan werken dan het aantal van 12 vrij te laten uren nu zij, zoals zij stelt, de extra werkzaamheden heeft uitbesteed aan haar dochters die kennelijk ook deelden in haar inkomsten. Bij het ontbreken van gericht onderzoek heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank daarom niet aannemelijk gemaakt dat in de werkzaamheden van eiseres voor de [B.V.] sprake is geweest van een relevante urenuitbreiding ten opzichte van de vrijstelling van 12 uur per week.

7.2

De stelling van verweerder ter zitting dat nader onderzoek niet nodig was omdat op basis van de verhoogde inkomsten van eiseres een urenberekening is gemaakt die tot herziening van de WW-uitkering kon leiden, slaagt niet. In het WW-stelsel van vóór

1 juli 2015 gold het systeem van urenverrekening en niet van inkomstenverrekening. Binnen dat systeem bestond naar het oordeel van de rechtbank geen wettelijke ruimte voor omrekening van de verhoogde inkomsten van eiseres naar gewerkte uren als verweerder hier heeft uitgevoerd. Dat de omrekentool, zoals in het bestreden besluit is gesteld, in het verleden vaak is gebruikt in situaties waarin stukloon aan de orde is, maakt het vorenstaande niet anders, nu in het geval van eiseres van stukloon of van andersoortige prestatiebeloning geen sprake is.

De rechtbank acht de door verweerder gehanteerde omrekentool in dit geval dus geen passend instrument. Dat komt ook tot uiting bij de toekenning van WW-recht 2 per

26 september 2016, waarbij verweerder in overeenstemming met eiseres tot een, met het oog op de verhoogde inkomsten, meer realistisch GAA van 18 uur per week is gekomen. Het bestreden besluit I, houdende herziening en terugvordering van WW-recht 1 van eiseres, is derhalve onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

8. Het beroep is gegrond en het bestreden besluit I wordt wegens strijd met artikel 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om deze zaak finaal te beslechten. Zij ziet voorts geen aanleiding verweerder de gelegenheid te geven om het gebrek te herstellen na toepassing van de bestuurlijke lus, nu in dit geval een grondig onderzoek, ook wetstechnisch, zal moeten worden uitgevoerd en een rechtmatige afdoening van de besluitvorming door verweerder binnen een redelijke termijn daarom niet in de verwachting ligt. Verweerder zal worden opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De boeteoplegging.

9. Gelet op het vorenstaande is aan de boeteoplegging de grondslag komen te ontvallen. Het beroep tegen bestreden besluit II is daarom gegrond en ook dat besluit wordt vernietigd. De rechtbank zal zelf in de zaak voorzien door het primaire besluit II te herroepen.

10. Omdat de rechtbank in beide zaken het beroep gegrond verklaart, bepaalt zij dat verweerder aan eiseres in beide zaken het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1 voor zowel het gewicht van de zaken als voor samenhangende zaken).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten I en II;

- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit I met inachtneming van deze uitspraak;

- herroept het primaire besluit II;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van in totaal € 92,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.R. van der Meer, voorzitter, mr. H. Nijman en

mr. F.X. Cozijn, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.