Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8939

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 12095
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, nareis Eritrea, identiteit niet aangetoond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/12095

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. A.A. Vermeij),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (thans: de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid), verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 25 november 2016 (het primaire besluit) heeft verweerder een aanvraag van eiseres om een machtiging tot voorlopige verblijf (hierna: mvv) afgewezen.

Bij besluit van 23 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Eiseres heeft nadere stukken ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2018.

Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De heer [referent] was als referent aanwezig met een tolk, de heer D. Habtab. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1991 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Zij stelt voorts te zijn gehuwd met [referent] (hierna: referent). Referent heeft per 14 september 2015 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2. Op 9 oktober 2015 heeft referent ten behoeve van eiseres een mvv nareis aangevraagd.

3. Verweerder heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat geen bewijsnood kan worden aangenomen voor het niet overleggen van officiële identificerende documenten en officiële documenten die de feitelijke gezinsband tussen eiseres en referent aantonen.

Ten aanzien van de identificerende documenten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat in het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 6 februari 2017 staat dat het hebben van een identiteitsdocument vanaf 18 jaar verplicht is. Sinds 2009 had eiseres dan ook in het bezit moeten zijn van een dergelijk document. Eiseres heeft geen goede reden gegeven voor het niet kunnen overleggen van haar identiteitsdocument.

Ter staving van de feitelijke gezinsband heeft verweerder erop gewezen dat de door eiseres overgelegde huwelijksakte bij verklaring van 15 maart 2016 van het Team Onderzoek Expertise Documenten vals is bevonden. De overgelegde kerkelijke huwelijksakte kan evenmin een feitelijke gezinsband aantonen, nu dit document niet door de Eritrese autoriteiten is opgemaakt en afgegeven en eiseres geen bewijs van inschrijving van dit document bij de kebabi heeft overgelegd. Nu niet is gebleken dat eiseres geen officiële bewijsstukken kan overleggen, bestaat er voor verweerder geen aanleiding andere bewijsmiddelen in aanmerking te nemen, hetgeen niet in strijd is met artikel 5, tweede lid, en artikel 11 van Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging (hierna: Gezinsherenigingsrichtlijn). Bovendien heeft eiseres geen plausibele verklaring gegeven voor het niet kunnen overleggen van deze documenten, aldus verweerder.

4. Eiseres betoogt dat de werkinstructie 2016/7 niet in overeenstemming is met het doel en de bepalingen van de Gezinsherenigingsrichtlijn en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat dit wel het geval is. Zij betoogt verder dat verweerder er ten onrechte vanuit is gegaan dat zij de beschikking kon krijgen over een identiteitsdocument en een huwelijksakte. Dit wordt onvoldoende ondersteund door informatie uit objectieve bronnen. Eiseres heeft haar kerkelijke huwelijksakte overgelegd. Verweerder is, gelet op het stuk ‘The ‘bewijsnood’ policy of the Dutch immigration service: A correct interpretation of the Family Reunification Directive or an unlawful procedural hurdle?’ van de Migration Law Clinic en de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 20 april 2017 (kenmerk AWB 17/806), ten onrechte niet uitgegaan van een huwelijk tussen eiseres en referent, aldus eiseres.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Per 1 januari 2018 hanteert verweerder nieuw beleid voor de beoordeling van nareisaanvragen. Uit de uitspraken van 16 mei 2018 van de Afdeling (o.a. ECLI:NL:RVS:2018:1508 en ECLI:NL:RVS:2018:1509) blijkt dat verweerder bij de beoordeling of herbeoordeling van alle op 23 november 2017 lopende nareisaanvragen dit nieuwe beleid reeds als vaste gedragslijn hanteert. Dit houdt in dat verweerder voor het aantonen van de identiteit van een vreemdeling en de gestelde familierelatie met een referent primair officiële documenten eist. Voor het aantonen van de identiteit eist hij specifiek daarvoor bestemde documenten zoals een paspoort of een identiteitskaart. Als bewijs van de gestelde familierechtelijke relatie aanvaardt hij in beginsel geboorteakten en huwelijksakten, mits die zijn opgenomen in het register van de burgerlijke stand van het desbetreffende land. Als een vreemdeling geen officiële documenten heeft overgelegd om zijn identiteit of de gestelde familierelatie met een referent aan te tonen, betrekt verweerder onofficiële documenten bij zijn beoordeling of die vreemdeling de door hem gestelde identiteit of familierelatie aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder doet dit ongeacht of die vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bewijsnood verkeert. Verder kan verweerder aanvullend onderzoek aanbieden in de situatie dat een vreemdeling geen officiële documenten over de gestelde familierelatie heeft overgelegd zonder aannemelijk te hebben gemaakt dat hij dergelijke documenten niet kan overleggen en dus niet in bewijsnood verkeert ten aanzien van de gestelde familierelatie. Verweerder eist voor het aanbieden van aanvullend onderzoek in deze situatie in de eerste plaats dat die vreemdeling substantieel bewijs van de gestelde familierelatie heeft overgelegd in de vorm van één of meer onofficiële documenten over die familierelatie. In de tweede plaats eist verweerder dat hij de identiteit van die vreemdeling kan vaststellen of aannemelijk achten. Een vreemdeling die geen officiële identiteitsdocumenten heeft overgelegd, moet daarom aannemelijk maken dat hij dergelijke identiteitsdocumenten niet kan overleggen of substantieel bewijs in de vorm van één of meer onofficiële identiteitsdocumenten overleggen. Het vaststellen of aannemelijk achten van de identiteit is volgens verweerder immers een basisvereiste voor verlening van een mvv, omdat hij onder meer moet beoordelen of de desbetreffende vreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde en of artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is. In geval van een contra-indicatie ziet verweerder evenwel af van het aanbieden van aanvullend onderzoek, bijvoorbeeld als een vreemdeling een Eritrese kerkelijke huwelijksakte heeft overgelegd en heeft gesteld dat hij geen bewijs van inschrijving in het register van de Eritrese burgerlijke stand kan overleggen omdat zijn huwelijk niet is ingeschreven, maar eerder heeft verklaard dat zijn huwelijk wel is ingeschreven. Het overleggen van één onofficieel document is in de regel onvoldoende voor het aannemelijk maken van de identiteit of de gestelde familierelatie. Verweerder beoordeelt het geheel aan overgelegde documenten en afgelegde verklaringen en kent aan documenten die zijn opgesteld op basis van eigen verklaringen minder betekenis toe dan aan documenten die zijn gebaseerd op andere documenten of verklaringen.

De Afdeling heeft deze nieuwe vaste gedagslijn in overeenstemming met artikel 11, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn geacht.

De rechtbank zal het bestreden besluit volgens de nieuwe gedragslijn beoordelen.

5.2

Niet in geschil is dat eiseres geen officiële documenten met betrekking tot haar identiteit heeft overgelegd. Uit de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling met nummer ECLI:NL:RVS:2018:1508 blijkt dat verweerder van Eritrese vreemdelingen eist dat zij een identiteitskaart overleggen. Indien zij stellen geen identiteitskaart te kunnen overleggen, eist verweerder dat zij dit aannemelijk maken. De Afdeling heeft hieruit afgeleid dat verweerder, die erop heeft gewezen dat paspoorten en uitreisvisa in Eritrea lastig te verkrijgen zijn, Eritrese vreemdelingen hiermee in hun bewijslast is tegemoetgekomen.

Uit diezelfde uitspraak volgt dat verweerder ten aanzien van het niet kunnen overleggen van een identiteitskaart bewijsnood aanneemt, indien de vreemdeling dit met een op de persoon toegespitste verklaring aannemelijk maakt. Zo moet de vreemdeling concreet toelichten hoe hij zonder officiële identiteitsdocumenten heeft geleefd in Eritrea en moet de hierover afgelegde verklaringen passen bij de overige door de desbetreffende vreemdeling of referent afgelegde verklaringen.

Uit de bij de aanvraag gevoegde verklaring van referent van 24 februari 2016 blijkt dat referent verwacht dat eiseres in Ethiopië via de UNHCR een identiteitsdocument zal krijgen. Referent heeft ter zitting verklaard dat eiseres in de streek waar zij woonde geen identiteitskaart nodig had en dat het niet ongebruikelijk is dat mensen daar geen identiteitskaart hebben. Verder heeft hij verklaard dat hij en eiseres, toen hij zijn vlucht voorbereidde, er niet aan hebben gedacht dat eiseres een identiteitskaart moest aanvragen. De rechtbank overweegt dat van eiseres mag worden verlangd dat zij een identiteitskaart aanvraagt als zij weet dat referent van plan is Eritrea te ontvluchten en buiten Eritrea gezinshereniging met haar aan te vragen. Eiseres heeft – mede gezien de verklaringen van referent - onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij geen identiteitskaart heeft kunnen overleggen.

5.3

In zijn verweerschrift heeft verweerder medegedeeld dat hij in het bestreden besluit ten onrechte heeft overwogen dat, nu er geen officiële bewijsmiddelen zijn, hij niet gehouden was andere bewijsmiddelen in aanmerking te nemen. Verweerder heeft voorts te kennen gegeven dat de door eiseres overgelegde onofficiële bewijzen echter wel degelijk bij de beoordeling van de aanvraag zijn betrokken, maar niet hebben geleid tot een ander oordeel.
Ten aanzien van haar identiteit heeft eiseres haar UNHCR-registratiekaart, haar doopcertificaat, een rapport van de vijfde klas van de elementary school en de identiteitskaart van haar ouders overgelegd. Ten aanzien van de UNHCR-registratiekaart heeft verweerder in het bestreden besluit terecht overwogen dat deze kaart is afgegeven op de eigen verklaring van eiseres en in zoverre onvoldoende is om de identiteit van eiseres aannemelijk te maken. In het verweerschrift heeft verweerder verder gesteld dat in het bestreden besluit reeds is gemotiveerd dat het doopcertificaat geen identificerende kenmerken bevat, op het schoolrapport, behalve een naam, geen verdere persoonsgegevens en foto’s zijn weergegeven en dat de identiteitskaarten van de gestelde vader en moeder van eiseres geen gegevens bevatten over eiseres zelf. Anders dan verweerder stelt is deze motivering echter niet in het bestreden besluit opgenomen. Gelet op de nieuwe gedragslijn is het bestreden besluit ten aanzien van de identiteit van eiseres dan ook onvoldoende gemotiveerd. Gelet op de gegeven motivering in het verweerschrift, die naar het oordeel van de rechtbank voldoende is, ziet de rechtbank echter aanleiding dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht te passeren en het bestreden besluit in stand te laten.

5.4

Nu verweerder in redelijkheid heeft kunnen overwegen dat eiseres haar gestelde identiteit onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, behoeft hetgeen eiseres heeft aangevoerd ten aanzien van de feitelijke gezinsband met referent geen bespreking meer. Immers, niet is vast te stellen of eiseres degene is die in de overgelegde huwelijksakte wordt genoemd.

6. Het beroep is ongegrond.

7. De rechtbank zal verweerder wegens het hiervoor genoemde motiveringsgebrek in de door eiser gemaakte proceskosten veroordelen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

  • -

    verklaart het beroep ongegrond;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.