Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8935

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
13-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 2007
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vw, verblijf bij partner, geen vrijstelling mvv-vereiste

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2007

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. J.H.E. Wanrooij),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor verblijf met als doel “familieleven op grond van artikel 8 EVRM”, afgewezen. Daarbij heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaren opgelegd.

Bij besluit van 21 februari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 juni 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1970 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Eiser heeft op 9 oktober 2017 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning voor verblijf bij zijn partner [partner] (hierna: referente).

2. Verweerder heeft bij primair besluit de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) en hij niet voor vrijstelling van het mvv-vereiste in aanmerking komt. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat uitzetting van eiser niet in strijd is met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Voorts heeft verweerder geen aanleiding gezien toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Aan het inreisverbod heeft verweerder ten grondslag gelegd dat aan eiser reeds op 21 februari 2014 een terugkeerbesluit is opgelegd. De daarin gegeven termijn voor vertrek van vier weken is ongebruikt verstreken. Verweerder ziet geen aanleiding om op grond van humanitaire of andere redenen af te zien van een inreisverbod.
Verweerder heeft dit standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd.

3. Eiser betoogt dat verweerder heeft miskend dat hij wel degelijk voldoet aan het mvv-vereiste, aangezien hij sinds 2013 in Nederland verblijft op grond van een vergunning voor verblijf bij zijn toenmalige echtgenote. Eiser wijst er daarbij op dat hij, omdat de intrekking van die verblijfsvergunning in 2014 naar zijn oude adres was gestuurd, door overmacht pas laat van die intrekking op de hoogte was. Hij doet dan ook een beroep op artikel 3.82 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb). De termijnoverschrijding kan hem niet worden aangerekend, aldus eiser.

Eiser betoogt voorts dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Anders dan verweerder heeft gesteld heeft hij wel informatie en bewijs geleverd over zijn familieleven met referente. Hij doet het huishouden, verleent mantelzorg aan referente en vangt haar kinderen op als zij aan het werk is. Er is wel degelijk inmenging in het gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Bovendien dient de langdurige aanwezigheid van eiser in Nederland mede te worden bezien in het licht van het lange stilzitten van verweerder, waardoor eiser nieuw gezinsleven heeft opgebouwd.

Verder betoogt eiser dat de inmenging in het gezinsleven onevenredig is. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de belangen van de Nederlandse staat zwaarder wegen dan die van eiser. Hij is oud-Nederlander, was mvv-houder met eerder legaal verblijf, heeft geen opvang meer in Suriname en is ingeburgerd in Nederland. Mede gelet op de omstandigheid dat hij voldoet aan de overige voorwaarden voor een verblijfsvergunning, is de afwijzing daarvan onredelijk, aldus eiser.

Verweerder heeft volgens eiser voorts onzorgvuldig gehandeld door eiser niet te horen en derhalve niet aan zijn informatieplicht te voldoen.

4. Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 worden afgewezen indien de vreemdeling niet beschikt over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf die overeenkomt met het verblijfsdoel waarvoor de verblijfsvergunning is aangevraagd.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd in artikel 14 niet afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft:

(…)
g. de vreemdeling die behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie;
(…).

Ingevolge artikel 3.71, tweede lid, aanhef en onder l, van het Vb is op grond van artikel 17, eerste lid, onder g, van de Vw, de vreemdeling van wie uitzetting in strijd met artikel 8 van het EVRM zou zijn, vrijgesteld van het vereiste van een geldige mvv.

Ingevolge het derde lid kan de minister het eerste lid buiten toepassing laten, voorzover toepassing daarvan naar zijn oordeel zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard (hierna: de hardheidsclausule).

Ingevolge artikel 3.82, eerste lid, van het Vb is artikel 3.71 niet van toepassing, indien de niet-tijdig ingediende aanvraag tot het wijzigen of het verlengen van de geldigheidsduur van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd naar het oordeel van Onze Minister is ontvangen binnen een redelijke termijn nadat het rechtmatig verblijf, bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw, is geëindigd.

Verweerder voert daarnaast het beleid, paragraaf B1/6.1, onder ‘Ad b’, van de Vreemdelingencirculaire 2000 dat de in artikel 3.82, eerste lid, van het Vb bedoelde redelijke termijn twee jaar is. Als de IND de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling intrekt (al dan niet met terugwerkende kracht), vangt de redelijke termijn aan op de dag na bekendmaking van het intrekkingsbesluit.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Bij besluit van 21 februari 2014 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiser met terugwerkende kracht tot 17 februari 2014 ingetrokken. Eiser heeft hier op 24 maart 2015 bezwaar tegen gemaakt, hetgeen door verweerder niet-ontvankelijk is verklaard. Het daartegen ingediende beroep is door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, bij uitspraak van 15 januari 2016 ongegrond verklaard. In haar uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat het besluit van 21 februari 2014 op juiste wijze aan eiser bekend is gemaakt. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de omstandigheid dat eiser door zijn ex-echtgenote uit huis was gezet en eiser daardoor de beschikking niet heeft ontvangen, voor zijn eigen rekening dient te komen, aangezien het aan de vreemdeling is een adreswijziging aan verweerder door te geven. Deze omstandigheid heeft er tevens toe geleid dat de termijnoverschrijding voor het indienen van het bezwaar onverschoonbaar is geacht. Deze uitspraak van de rechtbank is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) bij uitspraak van 9 mei 2016 bevestigd. Ook de overschrijding van de termijn voor toepassing van artikel 3.82, eerste lid, van het Vb kan eiser gelet op voorgaande worden toegerekend. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij medisch dan wel psychisch niet in staat was om, bij gebrek aan een woonadres, een postadres te regelen. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser ten tijde van de aanvraag meer dan twee jaar geen rechtmatig verblijf heeft gehad en hij reeds daarom geen geslaagd beroep kan doen op artikel 3.82, eerste lid, van het Vb voor vrijstelling van het mvv-vereiste.

5.2

Anders dan eiser heeft betoogd heeft verweerder zich in het bestreden besluit niet op het standpunt gesteld dat er geen sprake zou zijn van gezinsleven. Verweerder heeft zich wel op het standpunt gesteld dat de inmenging op het gezinsleven is gerechtvaardigd.

5.3

Uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM), onder meer het arrest van 31 januari 2006, Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, en de jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 17 december 2015, ECLI:NL:RVS:2015:4011), volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven en familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de desbetreffende vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

Bij de beoordeling of het belang van eiser om bij referente in Nederland te blijven opweegt tegen het belang van verweerder, heeft verweerder in het voordeel van eiser meegewogen dat hij eerder een verblijfsvergunning heeft gehad, dat referente de Nederlandse nationaliteit heeft en over inkomen beschikt. Verweerder heeft zich echter in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze omstandigheden niet opwegen tegen het algemene belang van verweerder dat alleen vreemdelingen die aan de voorwaarden voldoen een verblijfsvergunning krijgen. Eiser heeft verklaard dat hij op het moment dat hij bekend werd met het feit dat zijn eerdere vergunning was ingetrokken, nog geen relatie had met referente. Eiser wist derhalve dat hij ten tijde van het aangaan van die relatie geen rechtmatig verblijf had. Dat eiser in Nederland een bestaan heeft opgebouwd en zijn familieleven heeft geïntensiveerd komt dan ook voor zijn eigen risico. Daarbij is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het gezinsleven in Suriname uit te oefenen. Dat referente aan Nederland is gebonden omdat zij hier werk heeft is daartoe onvoldoende. Voorts is niet gebleken dat referente, naar eiser stelt, afhankelijk is van de door hem verleende mantelzorg. De rechtbank is van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar bij de belangenafweging heeft betrokken.

Gelet op voorgaande heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van schending van het in artikel 8 van het EVRM beschermde familie- en gezinsleven.

5.4

Voorts heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen toepassing hoeven geven aan de hardheidsclausule. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de omstandigheden dat eiser oud-Nederlander is, eerder middels een mvv legaal verblijf heeft gehad en zou zijn ingeburgerd, bij afwijzing van de aanvraag niet leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Verweerder heeft daarbij mogen betrekken dat eiser pas relatief kort, sinds 2013, in Nederland is en dat van eiser als meerderjarige man mag worden verwacht een nieuw bestaan te kunnen opbouwen in Suriname.

5.5

De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eiser in bezwaar te horen en daarmee niet aan zijn onderzoeksplicht heeft voldaan, faalt eveneens. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit. De rechtbank is, gelet op de inhoud van het bezwaarschrift bezien in samenhang met hetgeen eiser heeft aangevoerd, van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiser kon worden afgezien.

6. Het beroep is ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.S.G. Jongeneel, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.