Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8917

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
18.7549
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bekering christendom, afvalligheid, Iran

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.7549


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. M.R. van der Linde),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.


Procesverloop
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 17 april 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en tolk in het Farsi. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Iraanse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] . Op 30 november 2016 heeft eiser een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging omdat hij afvallig is van het islamitische geloof en omdat hij zich heeft bekeerd tot het christendom.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag in de verlengde asielprocedure afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Eisers gestelde afvalligheid acht verweerder ook geloofwaardig. Zijn gestelde bekering tot het christendom en de hieruit voorvloeiende problemen acht verweerder echter niet geloofwaardig. Verweerder erkent dat eiser vanwege zijn afvalligheid behoort tot een risicogroep in de zin van paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000, maar eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van geringe indicaties, zodat hij niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.

3. Op wat eiser hiertegen heeft aangevoerd wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich niet ten onrechte en genoegzaam gemotiveerd op het standpunt gesteld dat eisers gestelde bekering tot het christendom niet geloofwaardig wordt geacht. De rechtbank stelt vast dat eiser dit standpunt noch in zijn zienswijze, noch in zijn beroepsgronden van 24 april 2018 gemotiveerd heeft betwist. De eerst bij aanvullende gronden van 22 juni 2018 overgelegde doopakte kan aan de deugdelijke onderbouwing van verweerders standpunt niet afdoen.

5. Niet in geschil is dat eiser door zijn afvalligheid behoort tot een risicogroep. De rechtbank is evenwel met verweerder van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van geringe indicaties. Zoals verweerder heeft overwogen, volgt uit de verklaringen van eiser niet dat hij persoonlijke problemen heeft ondervonden vanwege zijn afvalligheid in Iran. Hij heeft alleen verklaard dat hij gezocht wordt door de autoriteiten in verband met zijn gestelde bekering tot het christendom, wat ongeloofwaardig is bevonden. Zijn afvalligheid was blijkens zijn verklaringen niet de reden van zijn vertrek uit Iran, dat was zijn gestelde bekering1. Uit de gestelde beledigingen door zijn familie en vrienden kan niet worden geconcludeerd dat sprake is van een geringe indicatie. Eiser woonde tot aan zijn vertrek nog met familieleden en verklaarde dat zijn familie ook nog zijn reis heeft betaald. Daarnaast heeft eiser jarenlang deelgenomen aan het openbare leven in Iran, waarbij niet is gebleken van problemen vanwege zijn afvalligheid.

6. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser niet in aanmerking komt voor een asielvergunning.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in aanwezigheid van mr. W.H. Mentink, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Pagina’s 5 en 32 van het rapport van nader gehoor