Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8903

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
18.1426
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag verblijfsvergunning regulier, verblijf bij vader, paspoortvereiste, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/1426

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. M.C.M.E. Schijvenaars,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. K. Elias.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 1 februari 2018 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 4 mei 2018. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren ter zitting aanwezig [naam1] (vader van eiser en referent), [naam2] (moeder van eiser) en J.B. Rutagengwa (tolk Swahili).

Overwegingen

  1. Eiser is op [geboortedatum] in Nederland geboren. Zijn vader bezit de Rwandese nationaliteit en is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier. De moeder van eiser bezit de Tanzaniaanse nationaliteit en is niet in het bezit van een verblijfsvergunning. Zij heeft in 2014 een asielaanvraag ingediend die is afgewezen. Momenteel is zij uitgeprocedeerd. Op 25 oktober 2016 heeft referent namens eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, onder de beperking ‘verblijf als familie- en gezinslid’. Bij besluit van 9 augustus 2017 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat eiser niet beschikt over een geldig paspoort (artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000).

  2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser daartegen ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet kan worden vrijgesteld van het paspoortvereiste, omdat niet is gebleken dat hij niet of niet meer in het bezit kan worden gesteld van een geldig paspoort. Uit de door eiser overgelegde brief van de Tanzaniaanse ambassade te Den Haag van 17 maart 2017 blijkt immers dat de autoriteiten van Tanzania bereid zijn aan eiser een paspoort te verstrekken, als daarvoor de juiste procedures worden gevolgd. Niet is gebleken van enige inspanning om deze procedures in gang te zetten.

  3. Eiser heeft in beroep aangevoerd dat zijn moeder tijdens het gesprek op de Tanzaniaanse ambassade is medegedeeld dat de procedure sneller zal verlopen als zij haar paspoort overlegt. Daarom heeft zij verweerder verzocht om het paspoort aan haar af te geven, dan wel rechtstreeks aan de ambassade te doen toekomen. Eiser stelt dat er sprake is van bijzondere omstandigheden in de zin van art. 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht die aanleiding vormen af te wijken van het beleid. Van verweerder mag worden verwacht dat hij medewerking verleent. Niet valt in te zien waarom het paspoort van de moeder niet voor dit doel kan worden afgegeven. Verder heeft eiser betoogd dat het bestreden besluit een inbreuk op zijn recht op gezinsleven in de zin van 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) vormt en in strijd is met artikel 3, eerste lid, van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK). Zijn belangen rechtvaardigen dat verweerder medewerking verleent aan de verkrijging van een paspoort en dat verweerder hem in het bezit stelt van een verblijfsvergunning.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  4. Op grond van artikel 3.72 van het Vreemdelingenbesluit 2000 wordt het paspoortvereiste niet tegengeworpen, indien de vreemdeling naar het oordeel van verweerder heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

  5. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij niet of niet meer in het bezit van een paspoort kan worden gesteld. Uit de brief van de Tanzaniaanse ambassade van 17 maart 2017 blijkt dat de moeder van eiser de mogelijkheid heeft om voor hem een paspoort aan te vragen bij de Tanzaniaanse autoriteiten. De ambassade biedt in de brief aan daarbij assistentie te kunnen en willen verlenen. Niet is gebleken dat de moeder van eiser een aanvraag heeft ingediend en zo de procedure(s) in gang heeft gezet. Eiser en zijn moeder hebben zich daarmee onvoldoende ingespannen om voor eiser een paspoort te verkrijgen. Verder blijkt uit de brief niet dat de moeder van eiser geen aanvraag kan indienen als zij haar paspoort niet kan overleggen of dat de aanvraag om die reden meteen zou worden afgewezen. Verweerder hoefde daarom ook geen aanleiding te zien om af te wijken van zijn beleid en het paspoort van de moeder van eiser terug te geven.

  6. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder alle relevante feiten en omstandigheden bij zijn belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM heeft betrokken en deze niet ten onrechte in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen. Daarbij acht de rechtbank met name van belang dat niet is gebleken dat eiser niet binnen een redelijke termijn aan de voorwaarden zal kunnen voldoen.

  7. Tot slot kan ook het beroep op artikel 3, eerste lid, van het IVRK niet slagen, reeds omdat dit op geen enkele wijze is onderbouwd.

  8. Het beroep is ongegrond.

  9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.