Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8900

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
17.14010
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

aanvraag regulier humanitair, Servische, medisch, bijzondere omstandigheden, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/14010

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 juli 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiseres,

gemachtigde: mr. R.J.J. Flantua,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 10 augustus 2017 (het bestreden besluit).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 21 juni 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren aanwezig [naam1] (echtgenoot van eiseres) en M. Medjugorac (tolk Servisch).

Overwegingen

  1. Eiseres is geboren op [geboortedatum] en bezit de Servische nationaliteit. Op 24 juni 2011 heeft zij, samen met haar echtgenoot en vier kinderen, een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is afgewezen en die afwijzing is in rechte vast komen te staan met de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 26 juni 2014 (AWB 14/4030 en 14/4031) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 19 maart 2015 (201406169/1/V3).

  2. Op 10 april 2015 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘overige humanitaire gronden’. Bij besluit van 24 september 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen en aan eiseres een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Op 10 maart 2016 heeft een hoorzitting plaatsgevonden en op 6 juli 2016 heeft het Bureau Medische Advisering (BMA) een advies uitgebracht. Bij besluit van 2 augustus 2016 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en ambtshalve een verblijfsvergunning regulier verleend aan eiseres op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) voor verblijf bij haar dochter [naam2] in verband met een kinderbeschermingsmaatregel. Tevens is het opgelegde inreisverbod opgeheven. Deze reguliere verblijfsvergunning is verleend met ingang van 17 december 2015 en laatstelijk verlengd tot 28 januari 2018.

  3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 2 augustus 2016. Op 16 januari 2017 heeft verweerder dat besluit ingetrokken, voor zover dat zag op de ongegrondverklaring van haar bezwaar. Vervolgens heeft het BMA op 18 mei 2017 een nieuw advies uitgebracht en heeft verweerder bij het bestreden besluit het bezwaar opnieuw ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar het BMA-advies stelt verweerder zich op het standpunt dat de medische omstandigheden van eiseres niet kunnen leiden tot vergunningverlening. Uit het BMA-advies blijkt namelijk dat eiseres in staat is om te reizen en dat het staken van haar medische behandeling niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat er geen sprake is van dusdanig bijzondere, individuele omstandigheden dat op grond daarvan verblijf moet worden toegestaan. Er is geen sprake van een dusdanige combinatie van omstandigheden dat toepassing van de discretionaire bevoegdheid in de rede ligt.

  4. Eiseres heeft in beroep aangevoerd dat er sprake is van zeer bijzondere individuele omstandigheden op grond waarvan zij in het bezit dient te worden gesteld van een verblijfsvergunning. Eén van de redenen is haar medische situatie. Het uitblijven van medische behandeling zal leiden tot een medische noodsituatie. Nu de PTSS waaraan eiseres lijdt is veroorzaakt door gebeurtenissen in Servië, is behandeling daar niet mogelijk omdat het geen veilige behandelomgeving is.
    De rechtbank oordeelt als volgt.

  5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is een BMA-advies aan te merken als een deskundigenadvies aan verweerder ten behoeve van de uitoefening van diens bevoegdheden. Uit onder meer de uitspraak van 30 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1674) blijkt voorts dat verweerder zich er, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht van moet vergewissen dat dit advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Indien het advies niet aan deze eisen voldoet, zal het daarop gebaseerde besluit reeds daarom in rechte geen stand kunnen houden. Met een contra-expertise of stukken van zijn behandelaars kan de vreemdeling concrete aanknopingspunten aanvoeren voor twijfel aan de inhoud daarvan.

  6. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen contra-expertise heeft overgelegd. In reactie op het BMA-advies van 18 mei 2017, noch in beroep heeft zij stukken van haar behandelaar overgelegd waarin concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het BMA-advies te vinden zijn. De kanttekeningen die de gemachtigde van eiseres ter zitting en in zijn brief van 26 juli 2017 heeft gemaakt, zijn onvoldoende om te concluderen dat verweerder het BMA-advies niet aan zijn besluitvorming ten grondslag had mogen leggen.

  7. Uit de jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 17 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:4019) volgt verder dat het BMA dient te beoordelen of aanleiding bestaat tot gerede twijfel over de effectiviteit van de behandeling of de te leveren zorg in het land, indien en voor zover de informatie van de behandelaar daartoe aanleiding geeft. De informatie van de behandelaar dient een concrete op de aard en het ontstaan van de psychische klachten van de vreemdeling toegesneden uiteenzetting te bevatten omtrent de effectiviteit en het te verwachten verloop van een voortgezette behandeling in het land van herkomst. De rechtbank stelt vast dat er in het dossier van eiseres geen dergelijke uiteenzetting van haar behandelaar te vinden is, zodat het BMA niet hoefde te beoordelen of er aanleiding bestaat tot gerede twijfel over de effectiviteit van de behandeling in Servië.

  8. De rechtbank stelt vast dat eiseres in beroep verder slechts heeft gesteld dat er wel sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden en daarbij heeft vermeld dat alles wat eerder naar voren is gebracht als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Eiseres heeft echter niet gemotiveerd aangegeven waarom de reactie van verweerder in het bestreden besluit op alles wat zij eerder heeft aangevoerd, onvoldoende of onjuist is.

  9. Het beroep is ongegrond.

  10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, rechter, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.