Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8848

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2018
Datum publicatie
24-07-2018
Zaaknummer
18/1088 (09/657627-10)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Rekestprocedure
Beschikking
Inhoudsindicatie

bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden. Het bezwaar zag op de vraag wanneer de ingangsdatum van de bewaartermijn ging lopen als het bevel tot afname DNA werd gegeven 8 jaar na veroordeling. Nu uit de wet reeds volgt dat de ingangstermijn begint te lopen bij einduitspraak is veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Parketnummer: 09/657627-10

Kenmerk RK: 18/1088

Beslissing van de rechtbank Den Haag, enkelvoudige raadkamer in strafzaken, op het bezwaar ex artikel 7 van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden van:

[veroordeelde] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] ,

tegen het bepalen en verwerken van zijn DNA-profiel.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafdossier met bovengenoemd parketnummer.

De rechtbank heeft dit bezwaar op 10 juli 2018 in raadkamer behandeld.

Veroordeelde is gehoord.

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

Beoordeling van het bezwaar.

Veroordeelde is bij uitspraak van 20 december 2010 door de politierechter van deze rechtbank ter zake van – kort gezegd – zware mishandeling, veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van 2 jaar en een taakstraf van 120 uur. De raadkamer van de rechtbank is bevoegd tot behandeling van het bezwaar.

Bij veroordeelde is, ingevolge het bevel van de officier van justitie van 8 februari 2018, op 28 maart 2018 op grond artikel 2, eerste lid, van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden, celmateriaal afgenomen.

Blijkens een daarvan opgemaakte akte is het bezwaarschrift op 3 april 2018 ter griffie van deze rechtbank ingediend. Het bezwaarschrift is derhalve tijdig ingekomen.

Het DNA-profiel van veroordeelde is nog niet bepaald.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Het bezwaar van veroordeelde is niet zozeer gelegen tegen de DNA afname en verwerking op zich, maar richt zich tegen de ingangsdatum van de bewaartermijn. Veroordeelde stelt zich op het standpunt dat hij geen nadeel mag ondervinden van het feit dat het openbaar ministerie lang heeft gewacht met het bevel tot DNA afname. Veroordeelde stelt zich op het standpunt dat de termijn van – in zijn geval 30 jaar – zou moeten aanvangen bij de uitspraak van de politierechter.

De rechtbank overweegt dat uit rechtsoverweging 4.4 van de Hoge Raad in het arrest van 13 september 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2073) blijkt dat artikel 18 van het Besluit voorgeschreven bewaartermijnen van DNA-profielen zo moet worden uitgelegd dat de voorgeschreven bewaartermijnen van DNA-profielen reeds aanvangen wanneer een einduitspraak als bedoeld in de artikelen 351 en 352, tweede lid, Sv is gedaan, en dus losstaan van het moment waarop het bevel wordt gegeven. Dat betekent dat in het geval van klager reeds uit het wettelijke systeem volgt dat de bewaartermijn in zijn geval reeds is gaan lopen op 20 december 2010.

Nu hetgeen veroordeelde beoogt te bereiken met zijn bezwaar reeds volgt uit de wet, zal zijn bezwaar wegens het ontbreken van enig procesbelang niet-ontvankelijk worden verklaard.

Beslissing.

De rechtbank verklaart veroordeelde niet-ontvankelijk in zijn bezwaar.

Aldus gedaan te Den Haag door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Schuttevaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 24 juli 2018.