Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8820

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
31-05-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
AWB 17 / 15860
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 8 EVRM / mvv / Marokko / psychische problemen referent / mantelzorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/15860

V-nummer: 278.092.1258

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 31 mei 2018 in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [geboortedatum 1] , van Marokkaanse nationaliteit, eiseres

(gemachtigde: mr. A.C.M. Nederveen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. H.J. Toonders en mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlening van een verblijfsvergunning met als doel “verblijf bij familie en gezin” afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft verweerder bij besluit van 26 oktober 2017 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 21 november 2017 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De mondelinge behandeling van het beroep is begonnen op de zitting van 26 maart 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. H.J. Toonders. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

De rechtbank heeft het onderzoek heropend bij beslissing van 19 april 2018 en heeft
[naam 1] , werkzaam bij [bedrijf 1] als persoonlijk begeleider van referent, opgeroepen om op een nadere zitting te verschijnen.

De mondelinge behandeling is hervat op de zitting van 22 mei 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. J. Raaijmakers. Ook is verschenen mevrouw [naam 2] , werkzaam bij [bedrijf 1] als persoonlijk begeleider van referent, en [naam 3] , nicht van eiseres. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

1. Eiseres is naar eigen zeggen in 1999 naar Nederland gekomen met een visum kort verblijf. Daarna stelt zij afwisselend in Nederland en België te hebben verbleven. Eiseres verblijft bij haar echtgenoot de heer [naam 4] (referent). Referent heeft naast de Marokkaanse ook de Nederlandse nationaliteit en staat wegens verstandelijke beperkingen onder bewind van [bedrijf 2] . Hij woont op dit moment op eigen initiatief begeleid bij [bedrijf 1] . Referent heeft vier kinderen uit een eerdere relatie.

2. Met het oog op verblijf bij referent heeft eiseres eerder een aanvraag gedaan die verweerder heeft afgewezen. Het bezwaar daartegen heeft verweerder ongegrond verklaard. Het beroep tegen deze beslissing heeft eiseres ingetrokken. Eiseres heeft daarbij aangegeven dat zij een aanvraag tot afgifte van een verblijfsvergunning zonder machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) wil indienen omdat zij mantelzorg verleent aan referent, die twee suïcidepogingen ondernomen heeft en met psychiatrische problemen kampt. Eiseres heeft deze aanvraag, die aan dit beroep ten grondslag ligt, op dezelfde dag gedaan.

3. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen omdat zij niet beschikt over een geldige mvv en zij van dit vereiste niet kan worden vrijgesteld. Uitzetting van eiseres is namelijk niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft zijn standpunt als volgt gemotiveerd.

a. hoewel eiseres familieleven heeft met referent, valt de belangenafweging tussen het recht op familieleven en het belang bij een restrictief toelatingsbeleid in het nadeel van eiseres uit. Daarbij acht verweerder het volgende van belang:

  • -

    eiseres heeft niet eerder rechtmatig verblijf gehad;

  • -

    eiseres is eerder aangezegd Nederland te verlaten;

  • -

    eiseres is desondanks familieleven aangegaan;

  • -

    niet is aangetoond dat eiseres de enige is die mantelzorg aan referent kan bieden;

  • -

    er is niet gebleken van objectieve belemmeringen om het familieleven in Marokko uit te oefenen.

Van de vier kinderen van referent zijn drie meerderjarig. Niet is gebleken van een bijzondere afhankelijkheidsrelatie tussen hen en referent of eiseres. Wat betreft het minderjarige kind [naam 5] (geboren op [geboortedatum 2] ) overweegt verweerder dat omgang tussen referent/eiseres en [naam 5] niet is onderbouwd, ook niet na herstelverzuim. Dat eiseres of referent feitelijke invulling geven aan familieleven met [naam 5] is dus niet aannemelijk gemaakt.

Eiseres stelt vanaf 1999 privéleven te hebben opgebouwd in Nederland. Verblijf sinds 1999 is niet met objectieve stukken onderbouwd. Eiseres is pas in beeld bij verweerder sinds haar aanvraag in 2016. Het belang van verweerder weegt daarnaast zwaarder dan dat van eiseres. Verweerder onderbouwt dit als volgt.

  • -

    omdat het een eerste toelating betreft, is de positie van eiseres minder sterk;

  • -

    de door eiseres gestelde opleiding, arbeid en enige sociale contacten is niet onderbouwd;

  • -

    eiseres is meerderjarig en was dat toen ze Nederland inreisde;

  • -

    eiseres is geboren en getogen in Marokko;

  • -

    eiseres heeft in België gewoond, dus banden met Nederland zijn niet exclusief.

4. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening hangende bezwaar. Dit verzoek heeft de voorzieningenrechter afgewezen bij uitspraak van 3 augustus 2017.1 In het bestreden besluit heeft verweerder de overwegingen van de voorzieningenrechter uit de uitspraak overgenomen. Gelet op deze uitspraak, waarvan het oordeel luidt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen had, bestaat volgens verweerder nog altijd geen reden om eiseres vrij te stellen van het mvv-vereiste. Eiseres heeft volgens verweerder geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd. Het bezwaar heeft verweerder daarom kennelijk ongegrond verklaard.

5. Eiseres heeft aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd met het Unierecht is genomen. De verblijfsaanvraag valt namelijk onder de werking van de Gezinsherenigingsrichtlijn.2 Verweerder heeft niet kenbaar aan het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel getoetst. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat zij hiermee bedoelt dat de toets die volgt uit de Gezinsherenigingsrichtlijn en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel een andere is dan die van artikel 8 van het EVRM en dat verweerder dus niet met die laatste heeft kunnen volstaan. Daar komt bij dat referent nu wel geregeld contact onderhoudt met zijn Nederlandse dochters, waaronder [naam 5] . [naam 5] heeft dit in een telefoongesprek met de gemachtigde van eiseres bevestigd. Helaas is zij niet op een gemaakte afspraak verschenen om een schriftelijke verklaring af te leggen. Wel heeft [naam 6] , een vroegere buurvrouw, een verklaring afgelegd dat [naam 5] soms met referent aan de voordeur sprak in 2016 en 2017. Dit dient in beroep vol getoetst te worden.

6. De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. De wetgever heeft met het opnemen van mvv-vrijstellingsmogelijkheden in het Vreemdelingenbesluit (Vb) 2000 en het beleid in de Vreemdelingencirculaire (Vc) 2000 een adequate invulling gegeven aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel en de eisen die artikel 17 van de Gezinsherenigingsrichtlijn daaraan stelt. Dat verweerder aansluiting zoekt bij artikel 8 van het EVRM, waarbij ook alle relevante omstandigheden van het geval dienen te worden betrokken, staat daar niet aan in de weg.3 Dat referent omgang heeft met zijn dochters, ongeacht in welk kader dit dient te worden beoordeeld, heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt. De verklaring van de voormalig buurvrouw [naam 6] is daartoe onvoldoende. Die verklaring geeft immers geen blijk van bijvoorbeeld de soort en intensiteit van de omgang en of de omgang nog bestaat. De mededeling van gemachtigde van eiseres dat [naam 5] een en ander heeft bevestigd per telefoon is onvoldoende verifieerbaar. Verweerder heeft zich dus op het standpunt mogen stellen dat feitelijke invulling van familieleven tussen eiseres of referent met [naam 5] niet aannemelijk is gemaakt.

7. Eiseres heeft verder aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van objectieve en subjectieve belemmeringen om haar gezinsleven met referent in Marokko uit te oefenen. De gemaakte belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM dient daarom in het voordeel van eiseres uit te vallen. Referent woont begeleid bij [bedrijf 1] en is arbeidsongeschikt. Eiseres zal voor een mvv minimaal drie maanden naar Marokko moeten. Referent zal mee moeten verhuizen omdat hij niet zonder eiseres kan. Hij zal dan zijn hulp en recht op een uitkering verliezen als hij voor een dergelijke periode in Marokko blijft wonen.

8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich onder de gegeven motivering niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van schending van artikel

8 van het EVRM. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van objectieve belemmeringen voor haar om terug te gaan naar Marokko voor een mvv. Ten aanzien van de subjectieve belemmeringen heeft verweerder in het primaire besluit al overwogen dat hoewel de persoonlijk begeleider van [bedrijf 1] heeft verklaard dat het beter gaat met referent nu eiseres er vaker is, daar niet uit volgt dat referent mantelzorg behoeft die alleen eiseres kan geven. Dit is ingelast in het bestreden besluit. Op de zitting van 22 mei 2018 heeft de persoonlijk begeleider van referent verder verklaard dat de hulp die eiseres biedt, ziet op het niveau van hygiëne en kleine huishoudelijke klussen, zoals het strijken van de was. De zorg zal voorts verder geïntensiveerd worden, ongeacht of eiseres wegvalt, in die zin dat referent in een 24-uursvoorziening geplaatst zal worden, waarvoor hij thans op de wachtlijst staat. Referent is volgens de persoonlijk begeleider goed te behandelen bij [bedrijf 1] . De persoonlijk begeleider heeft verder verklaard dat eiseres vooral emotionele invloed heeft op referent en dat moeilijk te zeggen is wat dit betekent voor het ziektebeeld van referent. Psychisch is het ziektebeeld overigens niet duidelijk. Parkinson en dementie zijn uitgesloten en referent laat niet alle symptomen van schizofrenie zien. Referent ligt momenteel in het [ziekenhuis] , maar ook daar is geen diagnose gesteld. Verweerder heeft uit de geschetste omstandigheden ten aanzien van referent mogen afleiden dat – hoewel de rechtbank inziet dat de aanwezigheid van eiseres emotioneel relevant kan zijn voor referent – niet aannemelijk is geworden dat haar rol in de mantelzorg dusdanig is dat alleen zij die mantelzorg aan referent kan verlenen. Referent lijkt bij [bedrijf 1] , mede gelet op de ter zitting afgelegde verklaring van de persoonlijk begeleider, in goede handen te zijn. Verweerder heeft zich dan ook op het standpunt kunnen stellen dat van subjectieve belemmeringen voor eiseres om terug te gaan naar Marokko voor een mvv niet is gebleken.

9. Eiseres heeft verder aangevoerd dat niet is gebleken dat verweerder de nieuwe toets van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 oktober 2016,4 heeft toegepast. Alle bijzondere feiten en omstandigheden dienen bij de beoordeling te worden betrokken.

10. Eiseres heeft niet concreet aangegeven welke omstandigheden verweerder verzuimd heeft te betrekken. Bovendien volgt uit de besluitvorming niet dat verweerder in het kader van artikel 4:84 van de Awb heeft verwezen naar in het beleid verdisconteerde omstandigheden. Dat de oude toets is toegepast volgt de rechtbank dan ook niet. De beroepsgrond slaagt niet.

11. Ook is het bestreden besluit volgens eiseres in strijd met artikel 20 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), omdat als gevolg van het bestreden besluit referent, die Unieburger is, wordt gedwongen om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten. Hoewel het in het arrest Chavez-Vilchez5 van het Hof van Justitie voor de Europese Unie (Hof) ging om minderjarige unieburgers, geldt artikel 20 van het VWEU ook voor meerderjarigen. Eiseres doet in dit verband een beroep op het arrest van het Hof van

8 mei 2018.6

12. De rechtbank volgt het betoog van eiseres niet. Zoals volgt uit rechtsoverweging 65 van het door eiseres genoemde arrest zijn volwassenen in beginsel in staat om onafhankelijk van hun familieleden een leven te leiden. Het is alleen in uitzonderlijke gevallen waarin sprake is van een afhankelijkheidsrelatie die erin bestaat dat de volwassen betrokkenen op geen enkele wijze van elkaar kunnen worden gescheiden, dat het recht van de Unieburger genoemd in artikel 20 van het VWEU aangetast wordt. Van een dergelijk geval is hier niet gebleken. Zoals volgt uit het hiervoor overwogene is niet gebleken van een situatie waarin referent afhankelijk is van eiseres alleen. Dat referent wordt gedwongen om het grondgebied van de Europese Unie te verlaten heeft eiseres dus ook niet aannemelijk gemaakt.

13. Eiseres beroept zich ten slotte op de hoorplicht. Horen is uitgangspunt, met name als er aspecten van artikel 8 van het EVRM spelen. Eiseres beroept zich in dit kader op werkinstructie 2016/10 van verweerder. Door niet te horen heeft bovendien een op de individuele omstandigheden toegesneden beoordeling, zoals die volgt uit het arrest Chakroun7 niet plaatsgevonden.

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft mogen afzien van horen. Gezien de uitspraak van de voorzieningenrechter had het bezwaar op dat moment geen redelijke kans van slagen. Op de zitting heeft eiseres bovendien alle gelegenheid gehad om naar voren te brengen wat zij wilde, zoals de individuele omstandigheden in het kader van de beoordeling van artikel 8 van het EVRM dan wel Unierecht. In het tijdsbestek tussen deze uitspraak en het bestreden besluit zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aangevoerd die aan deze beoordeling af konden doen. Verweerder heeft zich dus op het standpunt kunnen stellen dat aanstonds duidelijk was dat het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden en dat daarover in redelijkheid geen twijfel was. De beroepsgrond slaagt niet.

15. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

16. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, in aanwezigheid van mr. B.V.A. Corstens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 mei 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.

1 AWB 17/12232.

2 Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.

3 De rechtbank wijst in dit verband ook op de uitspraak van de Afdeling van 18 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1401, rechtsoverweging 5.4.

4 De rechtbank begrijpt: uitspraak van 26 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2840.

5 ECLI:EU:C:2017:354

6 C-82/16.

7 Arrest van het Hof van Justitie van de EU van 4 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:117.