Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8790

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
NL17/12600
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

'oude' verblijfsvergunning moet worden aangemerkt als subsidiaire beschermingsstatus. Unierechtelijk openbare orde-critirium is van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.12600


uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. M. Timmer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).

Procesverloop

Bij besluit van 13 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 juli 2012.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Somalische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1977. Bij de inwerkingtreding van de Vw 2000 is hij in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Daarvoor had hij sinds 7 september 1992 een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

2. Aan de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser meermaals onherroepelijk is veroordeeld vanwege het plegen van strafbare feiten. Bij de beoordeling is op grond van paragraaf C5/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 de glijdende schaal, zoals beschreven in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000, geldend vanaf 1 juli 2012, overeenkomstig toegepast. De oorspronkelijke vergunning van eiser was een nationale verblijfsvergunning die niet valt onder de reikwijdte van Richtlijn 2011/95/EU (Kwalificatierichtlijn), zodat de mogelijkheid tot intrekking van de verblijfsvergunning slechts aan het nationale recht hoeft te worden getoetst, aldus verweerder.

Voor eiser dreigt voorts geen actuele schending van het Vluchtelingenverdrag en evenmin loopt hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op schending van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

3. Eiser voert aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij niet onder de werking van de Kwalificatierichtlijn valt omdat hij oorspronkelijk in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning die is aan te merken als een nationale verblijfstitel. Eiser voert aan dat hij bij besluit van 7 september 1992 vanwege zijn persoonlijke ervaringen op humanitaire gronden in het bezit is gesteld van een vergunning tot verblijf zonder beperkingen, de zogenaamde C-status. Volgens eiser is hem die vergunning verleend omdat artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) aan zijn terugkeer naar Somalië in de weg stond. Voor zover zijn oorspronkelijke verblijfsvergunning niet is te relateren aan het Vluchtelingenverdrag of artikel 3 van het EVRM, voert eiser aan dat hij niet eerder de mogelijkheid heeft gehad om in rechte te laten vaststellen dat hij destijds in aanmerking kwam voor een vluchtelingenstatus of voor subsidiaire bescherming. Gelet daarop is de Kwalificatierichtlijn wel degelijk op hem van toepassing en had verweerder moeten toetsen aan het Unierechtelijk openbare orde-criterium, aldus eiser.

4. Verweerder heeft in het verweerschrift betoogd dat de oorspronkelijke vergunning niet aan eiser is verleend vanwege een risico op schending van artikel 3 van het EVRM bij terugkeer naar Somalië, maar wegens de individuele traumatische ervaringen van zijn tante. Eiser was destijds minderjarig en verbleef met zijn broertje bij deze tante en zijn neefjes in Nederland. Om de familie bij elkaar te houden is aan de kinderen een nationale verblijfsvergunning verleend. Bovendien blijkt uit de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 1993 dat aan eiser terecht geen vluchtelingenstatus is toegekend, aldus verweerder.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Vast staat dat de ingetrokken vergunning is gebaseerd op de vergunning tot verblijf die aan eiser is verleend op humanitaire gronden. Deze vergunning is bij de inwerkingtreding van de Vw 2000 omgezet in een verblijfsvergunning asiel, maar is geen vergunning gebaseerd op het Vluchtelingenverdrag. Ook anderszins is deze vergunning niet Unierechtelijk genormeerd. Zoals de rechtbank echter heeft overwogen in de uitspraak van heden in zaak nr. NL18.988, omvatte de groep vreemdelingen die ten tijde van belang in het bezit zijn gesteld van een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard volgens verweerder tevens vreemdelingen die, naar het huidige beleid, in aanmerking zouden komen voor subsidiaire bescherming. In de onderhavige zaak heeft verweerder aangevoerd dat de materiële reden om destijds aan eiser verblijf toe te staan geen verband houdt met wat thans als subsidiaire beschermingsgrond wordt aangeduid. De rechtbank volgt dat betoog niet. Daarbij acht de rechtbank van belang dat uit het besluit van 7 september 1992 onvoldoende blijkt op basis van welke omstandigheden aan eiser verblijf wordt toegestaan. Dit blijkt ook onvoldoende uit de overige stukken van het dossier. Gelet daarop, in samenhang met het ruimere bereik van de voormalige vergunning op humanitaire gronden, valt volgens de rechtbank niet uit te sluiten dat de materiële reden om destijds aan eiser verblijf toe te staan, verband houdt met wat thans als subsidiaire beschermingsgrond wordt aangeduid. Dat niet duidelijk is om welke reden aan eiser destijds een verblijfsvergunning is verleend, moet naar het oordeel van de rechtbank in het voordeel van eiser worden uitgelegd. Gelet hierop zal de rechtbank de beroepsgronden beoordelen alsof het besluit van 7 september 1992 de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus aan eiser inhoudt.

5.2.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals de uitspraken van 17 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1780) en 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) volgt dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die rechtstreeks op grond van een vluchtelingenstatus is verleend, samenvalt met de vluchtelingenstatus. Naar het oordeel van de rechtbank valt, naar analogie met voormelde jurisprudentie van de Afdeling, de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die rechtstreeks op grond van een subsidiaire beschermingsstatus is verleend, samen met de subsidiaire beschermingsstatus. Onder die omstandigheden houdt de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van eiser tevens de intrekking van zijn subsidiaire beschermingsstatus in, zodat artikel 19 van de Kwalificatierichtlijn daarop van toepassing is. Voorts overweegt de rechtbank dat gelet op artikel 19, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn, gelezen in samenhang met het arrest H.T. van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU 24 juni 2015, H.T., ECLI:EU:C:2015:413), voor de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, die tevens de intrekking van de vluchtelingenstatus inhoudt, ten minste is vereist dat de betreffende vreemdeling door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Deze jurisprudentie is naar het oordeel van de rechtbank van overeenkomstige toepassing op personen met de subsidiaire beschermingsstatus.

De beoordeling of van een dergelijke bedreiging sprake is, moet blijken uit de motivering van het intrekkingsbesluit.

5.3.

Gelet op het voorgaande kan de verblijfsvergunning van eiser slechts worden ingetrokken wanneer sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Nu in het bestreden besluit is vermeld dat aan dat criterium niet is voldaan, berust de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van eiser niet op een deugdelijke motivering.

5.4.

Voorts wijst de rechtbank op het volgende. Verweerder heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning en subsidiaire beschermingsstatus van eiser niet primair de gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst ten grondslag gelegd. Volgens artikel 19, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn trekken de lidstaten, met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/83/EG, de verleende subsidiaire beschermingsstatus van een onderdaan van een derde land in, indien hij volgens de criteria van artikel 16 geen recht meer heeft op subsidiaire bescherming. Het verzoek om internationale bescherming door eiser is echter ingewilligd in 1992, dus ruim voor de inwerkingtreding van genoemde Richtlijn.

Overigens kan een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, van de Vw 2000 niet worden ingetrokken om reden dat de grond voor verlening is komen te vervallen.

6. Reeds gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Aan bespreking van de overige beroepsgronden wordt niet toegekomen. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. van der Waals, voorzitter, en mr. G. van Zeben-de Vries en mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer, leden, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van die uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.