Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8778

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
NL18.988
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

'Oude' verblijfsvergunning wordt opgevat als subsidiaire beschermingsstatus. Daarom is nu het unierechtelijk openbare orde criterium van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.988


uitspraak van de meervoudige kamer van 19 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).


Procesverloop
Bij besluit van 20 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingetrokken met terugwerkende kracht tot 16 augustus 2013. Voorts is aan eiser op grond van artikel 64 van de Vw 2000 uitstel van vertrek verleend.


Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Somalische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1966. Bij besluit van 14 augustus 2000 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd. Daarvoor had hij sinds 14 augustus 1989 een vergunning tot verblijf op grond van klemmende redenen van humanitaire aard.

2. Aan de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser heeft verweerder ten grondslag gelegd dat eiser meermaals onherroepelijk is veroordeeld vanwege het plegen van strafbare feiten. Bij de beoordeling is op grond van paragraaf C5/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 de glijdende schaal, zoals beschreven in artikel 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000, geldend vanaf 1 juli 2012, overeenkomstig toegepast. De oorspronkelijke vergunning van eiser was een nationale verblijfsvergunning die niet valt onder de reikwijdte van Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (Kwalificatierichtlijn), zodat de mogelijkheid tot intrekking van de verblijfsvergunning slechts aan het nationale recht hoeft te worden getoetst, aldus verweerder in het bestreden besluit.

Voor eiser dreigt voorts volgens verweerder geen actuele schending van het Vluchtelingenverdrag en evenmin loopt hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000.

Wel is gebleken dat eiser lijdt aan een ernstige psychiatrische aandoening, schizofrenie en diabetes mellitus, met in de recente geschiedenis een aantal ernstige ontregelingen. Verweerder neemt aan dat behandelmogelijkheden in Somalië niet beschikbaar zijn, terwijl het uitblijven van de behandeling binnen een termijn van dagen tot enkele weken een onomkeerbaar proces naar de dood tot gevolg heeft. Gelet daarop wordt eiser uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vw 2000 voor de duur van één jaar, van 20 december 2017 tot 20 december 2018.

3. Eiser voert het volgende aan. Uit het bestreden besluit blijkt dat hij bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daartoe wijst hij op zijn medische omstandigheden. Reeds daarom kan het bestreden besluit geen stand houden. Verweerder heeft zich volgens eiser ten onrechte op het standpunt gesteld dat zijn medische omstandigheden gelet op WBV 2017/8 – waarin is geregeld dat geen asielvergunning meer kan worden verkregen vanwege medische omstandigheden – slechts tot uitstel van vertrek kunnen leiden. Daartoe voert hij aan dat in de onderhavige zaak geen sprake is van een voorliggende asielaanvraag, zodat voormeld WBV niet op hem van toepassing is.

Voorts betwist eiser de stelling van verweerder dat zijn oorspronkelijke vergunning een nationale vergunning is die niet valt onder de reikwijdte van de Kwalificatierichtlijn. Volgens eiser moet artikel 3 van het EVRM een rol hebben gespeeld bij de verlening van zijn verblijfsvergunning. Bovendien is met de verlening van een asielvergunning voor onbepaalde tijd op 14 augustus 2000 en de daaropvolgende inwerkingtreding van de Kwalificatierichtlijn de rechtspositie van eiser alsnog onder het Unierecht komen te vallen.

Eiser wijst voorts op een aanbeveling van de ACVZ om in alle zaken het Unierechtelijk criterium van de actuele bedreiging toe te passen.

Eiser voert in het kader van de huidige situatie in Somalië aan dat hij al bijna dertig jaar in Nederland verblijft zodat hij is verwesterd en geen netwerk meer heeft in zijn land van herkomst, zodat hij bij terugkeer gevaar loopt.

Verweerder heeft voorts ten onrechte niet getoetst of artikel 8 van het EVRM zich verzet tegen de intrekking van de vergunning van eiser. In dat kader wijst eiser er op dat aan de orde dient te komen wat de consequentie is van uitzetting, en dat gebleken is dat hij na uitzetting volgens het BMA snel zal komen te overlijden, zodat ook in dat opzicht de vergunning niet had mogen worden ingetrokken.

Ten slotte voert eiser aan dat hij, nadat hij is veroordeeld voor strafbare feiten, er op is gewezen dat hij zijn verblijfspas diende te verlengen. Volgens eiser is aldus sprake van berusten in zijn verblijf van de zijde van verweerder, hetgeen eveneens een rol dient te spelen in de beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM.

4. In het verweerschrift heeft verweerder aangevoerd dat, indien door hem is vastgesteld dat een vreemdeling conform artikel 11, in samenhang met artikel 14, eerste tot en met derde lid, van de Kwalificatierichtlijn, niet langer kan worden aangemerkt als vluchteling of iemand aan wie subsidiaire bescherming toekomt, de verblijfsvergunning asiel kan worden ingetrokken op nationale gronden.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1.

Eiser is op 9 augustus 1991 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard. Niet in geschil is dat aan eiser geen vluchtelingenstatus is toegekend. Zoals ter zitting door de gemachtigde van verweerder is toegelicht, omvatte de groep vreemdelingen die destijds in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning op grond van klemmende redenen van humanitaire aard tevens vreemdelingen die, naar de huidige regelgeving, in aanmerking zou komen voor subsidiaire bescherming. Volgens verweerder valt in deze zaak niet uit te sluiten dat de materiële reden om destijds aan eiser verblijf toe te staan, verband houdt met wat thans als subsidiaire beschermingsgrond wordt aangeduid. Dat niet duidelijk is om welke reden aan eiser destijds een verblijfsvergunning is verleend, moet naar het oordeel van de rechtbank in het voordeel van eiser worden uitgelegd. Gelet hierop zal de rechtbank de beroepsgronden beoordelen alsof het besluit van 9 augustus 1991 de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus aan eiser inhoudt.

5.2.

Uit de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), zoals de uitspraken van 17 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1780) en 2 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1550) volgt dat de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die rechtstreeks op grond van een vluchtelingenstatus is verleend, samenvalt met de vluchtelingenstatus. Naar het oordeel van de rechtbank valt, naar analogie met voormelde jurisprudentie van de Afdeling, de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd die rechtstreeks op grond van een subsidiaire beschermingsstatus is verleend, samen met de subsidiaire beschermingsstatus. Onder die omstandigheden houdt de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van eiser tevens de intrekking van zijn subsidiaire beschermingsstatus in, zodat artikel 19 van de Kwalificatierichtlijn daarop van toepassing is. Voorts overweegt de rechtbank dat gelet op artikel 19, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn, gelezen in samenhang met het arrest H.T. van het Hof van Justitie van de EU (HvJ EU 24 juni 2015, H.T., ECLI:EU:C:2015:413), voor de intrekking van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, die tevens de intrekking van de vluchtelingenstatus inhoudt, ten minste is vereist dat de betreffende vreemdeling door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Deze jurisprudentie is naar het oordeel van de rechtbank van overeenkomstige toepassing op personen met de subsidiaire beschermingsstatus.

De beoordeling of van een dergelijke bedreiging sprake is, moet blijken uit de motivering van het intrekkingsbesluit.

5.3.

Nu in het geval van eiser de intrekking van zijn verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd ook de intrekking van de hem verleende subsidiaire beschermingsstatus inhoudt, is gelet op het voorgaande, artikel 19 van de Kwalificatierichtlijn daarop onverkort van toepassing. Nu verweerder aan de intrekking van de verblijfsvergunning van eiser en daarmee de intrekking van diens subsidiaire beschermingsstatus artikel 35, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 ten grondslag heeft gelegd, is daarop artikel 19, derde lid, aanhef en onder a, van de Kwalificatierichtlijn van toepassing.

5.4.

Gelet op het voorgaande kan de verblijfsvergunning van eiser slechts worden ingetrokken wanneer sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Nu in het bestreden besluit is vermeld dat aan dat criterium niet is voldaan, berust de intrekking van de verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd van eiser niet op een deugdelijke motivering.

5.5.

Voorts wijst de rechtbank op het volgende. Verweerder heeft aan de intrekking van de verblijfsvergunning en subsidiaire beschermingsstatus van eiser niet primair de gewijzigde omstandigheden in het land van herkomst ten grondslag gelegd. Volgens artikel 19, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn trekken de lidstaten, met betrekking tot verzoeken om internationale bescherming die zijn ingediend na de inwerkingtreding van Richtlijn 2004/83/EG, de verleende subsidiaire beschermingsstatus van een onderdaan van een derde land in, indien hij volgens de criteria van artikel 16 geen recht meer heeft op subsidiaire bescherming. Het verzoek om internationale bescherming door eiser is echter ingewilligd in 1991, dus ruim voor de inwerkingtreding van genoemde Richtlijn.

Overigens kan een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd op grond van artikel 35, van de Vw 2000 niet worden ingetrokken om reden dat de grond voor verlening is komen te vervallen.

6. Reeds gelet op het voorgaande is het beroep gegrond. Aan bespreking van de overige beroepsgronden wordt niet toegekomen. Het bestreden besluit moet worden vernietigd.

7. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G. van Zeben-de Vries, voorzitter, en mr. T. Sleeswijk Visser-de Boer en mr. M.J.L. van der Waals, leden, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2018.

griffier

voorzitter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.