Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8763

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
NL18.11680
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

herhaalde asielaanvraag, LHBT, brief staatssecretaris van 4 juli 2018, gewijzigde werkinstructie, beroep ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11680


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. E.R. Hagenaars),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).


Procesverloop
Bij besluit van 20 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de herhaalde aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast heeft verweerder aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11681, plaatsgevonden op 10 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw E. Ujvari. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1981 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Eiser heeft op 14 juni 2018 een herhaalde asielaanvraag ingediend.

2. Eiser heeft eerder, op 11 februari 2014 een asielverzoek ingediend. Dit verzoek is afgewezen, met name omdat eiser volgens verweerder onvoldoende heeft kunnen verklaren over zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie. Met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2715) is die afwijzing in rechte komen vast te staan.

3. Verweerder stelt zich in deze procedure, kort samengevat, op het standpunt dat de ongeloofwaardigheid van de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser is komen vast te staan met de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2017. De verklaringen die eiser in deze procedure heeft afgelegd en de documenten die eiser heeft ingebracht leiden volgens verweerder niet tot een andere conclusie.

4. Eiser beroept zich onder andere op een artikel van drs. J.W.M. Renkens, ‘Kunt u dat moment eens beschrijven?’ uit A&MR 2018, no.2. Daarmee stelt eiser zich op het standpunt dat aan hem niet tegengeworpen kan worden dat hij onvoldoende zou verklaren over zijn seksuele geaardheid. Verweerder blijft echter aan eiser tegenwerpen dat hij niet voldoende heeft kunnen verklaren over zijn proces van bewustwording en zelfacceptatie, onder verwijzing naar de vorige asielprocedure. Eiser voert voorts aan dat het toetsingskader zoals dat is vastgesteld in Werkinstructie 2015/9 geen stand kan houden. Daarnaast doet eiser een beroep op een recent, op 23 juni 2018, gepubliceerd onderzoek van mr. S. Jansen in samenwerking met COC Nederland met als titel ‘trots of schaamte?’. Volgens eiser is de meerderheid van de daarin genoemde stereotyperingen in zowel deze als in de vorige procedure gehanteerd door verweerder. Voorts heeft eiser verwezen naar de brief
van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid van 4 juli 2018 over de wijzigingen in de beoordeling door de IND van LHBT zaken en de in dat verband tot stand gekomen nieuwe werkinstructie.

5. De rechtbank overweegt het volgende.

5.1

Op 4 juli 2018 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een brief gestuurd aan de Tweede Kamer over de beoordeling van de geloofwaardigheid van LHBT-asielzoekers en hoe dit verder kan worden verbeterd. In die brief heeft de staatssecretaris aangegeven dat de nadruk vanaf nu niet meer dient te liggen op het bewustwordingsproces en de wijze van zelfacceptatie. Het zal er om dienen te gaan dat de asielzoeker zoveel mogelijk een authentiek verhaal vertelt. De Werkinstructie 2015/9 is in dat kader gewijzigd in Werkinstructie 2018/9. Bij uitspraken van 15 juni 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:1630) en
10 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1256) heeft de Afdeling eerder, kort weergegeven, geoordeeld dat verweerder aan de hand van de onderzoeksmethode zoals was opgenomen in Werkinstructie 2015/9 op een zorgvuldige manier onderzoek deed naar een gestelde seksuele gerichtheid. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat de nieuwe Werkinstructie 2018/9 een aanscherping van de vorige werkinstructie inhoudt en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de gewijzigde werkinstructie nu anders beoordeeld dient te worden.

5.2

De rechtbank is voorts van oordeel dat het artikel van drs. Renkens, waaruit blijkt dat de wijze van beslissen onder Werkinstructie 2015/9 in zaken zoals deze niet stand kan houden, geen afbreuk doet aan voornoemde uitspraken van de Afdeling. Verweerder heeft de gestelde seksuele gerichtheid van eiser in de vorige procedure conform Werkinstructie 2015/9 onderzocht en beoordeeld. Als gevolg hiervan is in rechte vast komen te staan dat de verklaringen van eiser in het kader van die procedure omtrent zijn seksuele gerichtheid ongeloofwaardig zijn. In het licht van de geldende vaste jurisprudentie over de geloofwaardigheidsbeoordeling is eisers verwijzing naar het artikel van drs. Renkens onvoldoende om in deze zaak anders te oordelen. Dat de werkinstructie is aangescherpt maakt dit niet anders.

5.3

Met betrekking tot eisers beroep op het recent gepubliceerde onderzoek van
mr. S. Jansen overweegt de rechtbank het volgende. Dit onderzoek bevat grotendeels dezelfde elementen als het artikel van drs. Renkens. In het onderzoek van mr. Jansen wordt onder andere, net als in het artikel van drs. Renkens, betoogd dat niet uitgegaan dient te worden van stereotypen bij het beoordelen van asielzaken met LHBTI-motieven. De rechtbank volgt verweerder in zijn stelling dat dit onderzoek geen afbreuk doet aan de toepasbaarheid van de nieuwe Werkinstructie 2018/9. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat kritieken betrokken kunnen worden bij het aanpassen van het beleid, maar dat het niet leidend is voor de totstandkoming daarvan omdat veel verschillende aspecten daarbij een rol spelen. Dat de termen ‘zelfacceptatie’ en ‘bewustwording’ niet meer expliciet genoemd worden in de nieuwe werkinstructie betekent niet dat deze elementen in dit soort zaken in het geheel niet meer beoordeeld hoeven te worden. Ze behoren nog steeds bij het authentieke verhaal dat eiser dient te kunnen vertellen over zijn eigen ervaringen en persoonlijke beleving met betrekking tot de gestelde seksuele gerichtheid.

5.4

Nu de afwijzing van het asielverzoek in de vorige procedure met de uitspraak van de Afdeling van 6 oktober 2017 in rechte vast staat, is de rechtbank van oordeel dat in deze procedure geen plaats is voor een herbeoordeling daarvan. Dit betekent dat uit dient te worden gegaan van het oordeel dat de verklaringen van eiser omtrent zijn seksuele gerichtheid in de vorige procedure ongeloofwaardig zijn. De rechtbank ziet zich in deze procedure voor de vraag gesteld of eiser nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht die dienen te leiden tot een ander oordeel over zijn gestelde seksuele gerichtheid.

5.4.1

De rechtbank is van oordeel dat eiser daarin niet is geslaagd. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser in deze procedure vooral in algemene termen heeft verklaard dat het makkelijker is om te praten over zijn seksuele gerichtheid en dat hij hier opener over is omdat hij in Nederland een sociaal netwerk aan het opbouwen is. Ook ten aanzien van zijn huidige relatie heeft eiser in deze procedure ontoereikend verklaard. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het feit dat eiser nu vertelt waarom hij zijn vriend aantrekkelijk vindt, dat ze samen leuke dingen doen, dat eisers vriend voor hem kookt en thuis op hem wacht, niet maakt dat daarmee de gestelde seksuele gerichtheid nu wel geloofwaardig is. Van eiser mocht verwacht worden dat hij hier op een meer persoonlijk niveau en meer concreet over kon verklaren, vooral gelet op het feit dat het zou gaan om de bijzondere situatie dat eiser voor het eerst in alle openheid uiting kan geven aan een homoseksuele liefdesrelatie. De verklaringen van eiser op dit punt heeft verweerder niet ten onrechte als te algemeen bestempeld. De rechtbank volgt eisers grond, dat hij zeer uitvoerig heeft verklaard over het proces van zelfacceptatie en de wijze waarom hij daarmee omgaat in Nederland, dan ook niet.

5.4.2

De rechtbank ziet, anders dan eiser stelt, niet in dat verweerder de nadruk slechts heeft gelegd op het proces van bewustwording en zelfacceptatie. Verweerder heeft op juiste gronden het geheel van eisers verklaringen in deze procedure en in de vorige procedure in aanmerking genomen en heeft daarbij mogen betrekken dat eiser in de vorige procedure wisselende en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Om die reden heeft verweerder in deze procedure aan de door eiser overgelegde verklaringen van derden minder gewicht mogen toekennen. Zoals verweerder terecht heeft betoogd, kunnen verklaringen van derden dienen ter ondersteuning van eisers asielrelaas. Echter, daarbij blijft van doorslaggevend belang dat eiser zelf voldoende kan verklaren over zijn gestelde seksuele gerichtheid. Daar heeft eiser niet aan voldaan.

6. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.