Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8762

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
18-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
NL18.11661
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin, Slovenië, beroep op het arrest C.K., interstatelijk vertrouwensbeginsel, intentie was om in Nederland asiel aan te vragen, beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11661


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. H.A. Limonard),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. G.M.L. van Doornum).

Procesverloop

Bij besluit van 20 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Slovenië verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft ter zitting gemotiveerd verweer gevoerd.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11662, plaatsgevonden op 10 juli 2018. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw L. Makkadam. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1978 en de Syrische nationaliteit te hebben. Zij heeft op 26 februari 2018 een asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de aanvraag niet in behandeling genomen en heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Slovenië op 16 maart 2018 een verzoek om terugname gedaan. In eerste instantie heeft Slovenië dit verzoek afgewezen, maar op 3 mei 2018 heeft Slovenië het verzoek alsnog aanvaard en is een claimakkoord tot stand gekomen.

3. Eiseres stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat Nederland haar asielverzoek op grond van artikel 17 van de Dublinverordening aan zich dient te trekken. Zij voert hiertoe aan dat zij altijd al naar Nederland wilde omdat ze dan in de buurt van haar zoon zou kunnen zijn die in Duitsland woont. In Slovenië werd eiseres drie dagen vastgehouden en werd zij gedwongen om vingerafdrukken af te geven. Ook werd tegen eiseres gezegd dat als zij voor haar interview over haar asielrelaas zou vertrekken uit Slovenië, haar asielverzoek zou komen te vervallen. Eiseres doet voorts een beroep op het arrest C.K. e.a. tegen Slovenië van het Hof van Justitie van de EU van 16 februari 2017 (ECLI:EU:C:2017:127) (hierna: het arrest C.K). Zij heeft in dat kader een medische verklaring overgelegd waaruit onder andere blijkt dat zij in 2015 een zenuwinzinking heeft gehad en dat zij daarna last heeft gehouden van chronische depressie, concentratieproblemen, emotionele problemen en er bestaat een neiging tot eenzaamheid. Eiseres sluit niet uit dat zij bij terugkeer naar Slovenië opnieuw een zenuwinzinking zal krijgen. Eiseres stelt dat ten aanzien van Slovenië niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat Slovenië haar niet de benodigde bescherming kan bieden. Zij heeft bij de Sloveense autoriteiten geklaagd maar zij sluit niet uit dat ze bij terugkeer op straat belandt zonder opvang, zonder medische voorzieningen en zonder hulp.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

Eiseres voert aan dat niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Zij vreest bij terugkeer gedetineerd te worden of op straat te belanden zonder hulp. De rechtbank is van oordeel dat eiseres haar stellingen op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van recente documenten. Haar enkele vrees dat ze kan worden gedetineerd of dat ze op straat kan belanden is daarvoor onvoldoende. Eiseres heeft voorts niet onderbouwd dat zij in Slovenië geen medische hulp of rechtsbijstand zal krijgen. Bovendien heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres bij problemen hierover dient te klagen bij de Sloveense autoriteiten. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij bij de autoriteiten heeft geklaagd of dat de autoriteiten haar niet zouden willen helpen. De rechtbank volgt eiseres derhalve niet in haar stelling dat niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Slovenië.

4.2

Eiseres doet voorts een beroep op het arrest C.K. met de door haar geschetste medische situatie. Uit het arrest blijkt dat er sprake moet zijn van een ‘bijzonder slechte gezondheidstoestand’. Daarbij moeten objectieve gegevens worden overgelegd die de ernst van de gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aantonen. Dit is een strenge toets. De rechtbank is van oordeel dat eiseres hier niet aan heeft voldaan. Uit de gronden blijkt dat eiseres in 2015 een zenuwinzinking heeft gehad en dat zij daarna last is blijven houden van een chronische depressie, concentratieproblemen, emotionele problemen en dat zij de neiging tot eenzaamheid heeft. Eiseres heeft enkel onvertaalde stukken overgelegd ter onderbouwing van haar medische toestand. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat, zelfs al zou zij inderdaad hebben geleden dan wel lijden aan de medische problemen die zij stelt, hiermee niet is aangetoond dat haar gezondheidstoestand bij terugkeer naar Slovenië dusdanig zal verslechteren dat voldaan zal zijn aan de eisen uit het arrest C.K..

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet gehouden is het asielverzoek aan zich te trekken. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het karakter van de Dublinverordening zich niet verdraagt met het uitgangspunt dat rekening wordt gehouden met de voorkeur van een vreemdeling voor het land waar hij het asielverzoek wil indienen. De stellingen van eiseres dat zij altijd de intentie heeft gehad om naar Nederland te komen en dat zij in Nederland gezinshereniging wil aanvragen, kunnen er daarom niet toe leiden dat Nederland het asielverzoek onverplicht aan zich dient te trekken. Daarnaast heeft eiseres met de door haar geschetste omstandigheden in Slovenië niet aangetoond dat er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiseres aan Slovenië van een onevenredige hardheid getuigt.

4.4

Eerst ter zitting heeft eiseres naar voren gebracht dat ze in Slovenië als getuige is gehoord ter zake mensenhandel en dat zij in verband hiermee bedreigd is en bij terugkeer naar Slovenië gevaar zal lopen. Nu dit tijdens het gehoor noch gedurende de voornemen-, of beroepsprocedure door haar naar voren is gebracht en nu zij dit in het geheel niet onderbouwd heeft met documenten, ziet de rechtbank in deze enkele stelling geen aanleiding voor een ander oordeel.

5. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. C.E.B. Davis, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.