Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8757

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-07-2018
Datum publicatie
19-07-2018
Zaaknummer
AWB 18/4807, AWB 18/4808, AWB 18/4810 en AWB 18/4812
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2018:2815, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Deze procedure gaat over een asielaanvraag van de kinderen. Die is op 31 mei is afgewezen door de staatssecretaris. De kinderen geven aan dat zij graag in Armenië met hun moeder herenigd willen worden, maar dat zij vrezen voor ernstige schade als niet voldaan is aan de terugkeervoorwaarden. Deze terugkeervoorwaarden zijn o.a. door de Raad voor de Kinderbescherming opgesteld. De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris deze terugkeervoorwaarden ten onrechte niet heeft meegenomen bij de beoordeling van de aanvraag. De staatssecretaris moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen. Daarbij moet worden gekeken naar de gestelde vrees van de kinderen dat zij ernstige schade zouden ondervinden als niet is voldaan aan de opgestelde terugkeervoorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/4807, AWB 18/4808, AWB 18/4810 en AWB 18/4812

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 19 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 2005, eiser, en

[eiseres] , geboren op [geboortedatum] 2006, eiseres, beiden van Armeense nationaliteit, gezamenlijk te noemen: eisers

(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigden: mr. E.C. Pietermaat en mr. J.V. de Kort).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 31 mei 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2018. Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Namens Stichting Nidos zijn verschenen [A] , [B] en [C] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. E.C. Pietermaat.

Overwegingen

1. De rechtbank gaat uit van de volgende relevante feiten.

1.1.

Eisers zijn geboren in [geboorteplaats] , Armenië. Op 18 mei 2008 zijn zij met [naam moeder] (hun moeder) naar Nederland gekomen.

1.2.

Op 28 augustus 2008 heeft hun moeder mede namens eisers een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft die aanvraag afgewezen bij besluit van 29 april 2009, verzonden op 4 mei 2009. Bij brief van 3 augustus 2009 heeft verweerder dat besluit ingetrokken. Bij besluit van 5 oktober 2009 is de asielaanvraag wederom afgewezen. Dit besluit is in rechte komen vast te staan met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 27 april 2011 (zaaknummer 201009426/1/V1).

1.3.

Vervolgens heeft hun moeder, al dan niet namens eisers, verschillende procedures gevoerd om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning regulier. Die procedures hebben niet geleid tot het verlenen van een verblijfsvergunning.

1.4.

De moeder van eisers is op 14 augustus 2017 uitgezet naar Armenië.

1.5.

Eisers zijn thans onder toezicht gesteld van de gezinsvoogdij-instelling Stichting Nidos.

1.6.

Op 1 december 2017 hebben eisers een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier onder de beperking ‘humanitair tijdelijk’. Die aanvraag is afgewezen bij besluit van 23 januari 2018. Het verzoek om een voorlopige voorziening hangende bezwaar tegen dat besluit is bij uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank en zittingsplaats van 23 april 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:4780) afgewezen. Bij besluit van 10 juli 2018 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

1.7.

Op 14 mei 2018 hebben eisers de huidige asielaanvragen ingediend.

Over de beroepen (zaaknummers AWB 18/4807 en AWB 18/4808)

Beoordeling asielrelaas

2. Het asielrelaas van eisers bevat volgens verweerder het volgende relevante element:
eisers stellen dat het onrustig en onveilig is in Armenië (het eerste element).

Voorts bevat volgens verweerder het asielrelaas van eiser nog het volgende relevante element: eiser wil niet in militaire dienst (het tweede element).

3. In de bestreden besluiten en de daarin ingelaste voornemens heeft verweerder het eerste element niet geloofwaardig geacht. Eisers hebben niet kunnen uitleggen waarom het voor hen onveilig zou zijn in Armenië. Uit hun verklaringen kan niet worden opgemaakt dat sprake is van daadwerkelijke onveiligheid. Eisers zijn er niet in geslaagd feiten en omstandigheden in Armenië aannemelijk te maken die vrees voor vervolging rechtvaardigen. De omstandigheden of voorwaarden ten aanzien van de uitzetting van eisers vallen buiten de beoordeling van de asielaanvraag, nu deze geen verband houden met vervolgingsgronden. Dat geldt ook voor de medische zorg, de kwaliteit van de scholen, het spreken van de taal en de financiële situatie van hun moeder. Eisers hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij een reëel risico lopen op ernstige schade. De omstandigheden die worden genoemd dienen te worden aangemerkt als problemen van sociaal-economische aard. De belangen van het kind worden meegenomen in het asielkader. De bij de correcties en aanvullingen ingediende stukken zijn te relateren aan de reguliere procedures en passen niet binnen de asielbeoordeling.

Het tweede element dat betrekking heeft op eiser is wel geloofwaardig geacht. Over de vrees van eiser dat hij in militaire dienst moet, heeft verweerder overwogen dat het een toekomstige onzekere gebeurtenis is en dat ook een medische keuring moet plaatsvinden. Daarnaast is niet voldaan aan de voorwaarden van paragraaf C2/3.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000. Tot slot is er in Armenië vervangende dienstplicht.

3.1.

Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f en g, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Daartoe is het volgende van belang geacht. Sinds de eerste asielaanvraag in mei 2008 hebben eisers nooit eerder een opvolgende aanvraag ingediend. Pas enige tijd na de onder 1.6. genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2018 en na de bekendmaking van de datum van de uitzetting hebben eisers te kennen gegeven een asielaanvraag te willen indienen. De asielmotieven zijn verder niet substantieel te noemen en worden nauwelijks onderbouwd. Verweerder concludeert daarom dat de aanvragen enkel zijn ingediend om de uitzetting uit te stellen of te verijdelen. Daarnaast betreffen het opvolgende aanvragen die niet niet-ontvankelijk worden verklaard. Omdat sprake is van opvolgende aanvragen, heeft verweerder niet ambtshalve getoetst of eisers in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) of humanitair tijdelijke gronden.

4. De rechtbank stelt gelet op de gronden van beroep en de toelichting van eisers ter zitting vast dat het geschil zich met name toespitst op de vraag of verweerder terecht de door de Raad voor de Kinderbescherming, Indigo, het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NFIP) en Stichting Nidos gestelde voorwaarden voor terugkeer van eisers naar Armenië (hierna: de terugkeervoorwaarden) buiten zijn besluitvorming in het kader van deze asielprocedure heeft gehouden. Eisers hebben in dat verband aangegeven te willen terugkeren naar Armenië om met hun moeder te worden herenigd op het moment dat aan de terugkeervoorwaarden wordt voldaan. Tot die tijd menen zij in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning asiel.

5. Eisers voeren, samengevat weergegeven, aan dat verweerder ten onrechte geen rekening heeft gehouden met hun vrees bij terugkeer naar Armenië, namelijk dat de terugkeervoorwaarden niet goed zijn geregeld en hun moeder hen zonder ondersteuning niet kan verzorgen. Die informatie is ongemotiveerd buiten de besluitvorming gehouden terwijl dit de kern van het asielrelaas vormt. Verweerder had dit moeten aanmerken als relevant element. De rechter dient dit zonder terughoudendheid te beoordelen. Verweerder had bovendien de belangen van het kind bij de beoordeling moeten betrekken. Het “hogere” belang van het kind dient een eerste overweging te vormen en de rechter moet dit vol toetsen. Uit de bestreden besluiten blijkt niet hoe dit bij de beoordeling is betrokken. Verweerder miskent verder dat in de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 21 januari 2011, M.S.S. tegen België en Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0121JUD003069609 (het arrest M.S.S.), van 28 juni 2011, Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 (het arrest Sufi en Elmi), en 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712 (het arrest Tarakhel), de beoordeling van artikel 3 van het EVRM uiteen is gezet. Er is ‘sneller’ sprake van een schending van artikel 3 van het EVRM bij kwetsbare personen, zoals eisers. Zij zijn minderjarig. De terugkeervoorwaarden zijn gekwalificeerd als een minimum bestaansvoorwaarde. Eisers hebben, behalve hun moeder, geen netwerk in Armenië. Eisers hebben bovendien een arguable claim in de zin van artikel 3 van het EVRM vanwege de ondertoezichtstelling. De ondertoezichtstelling is opgelegd omdat er een ernstige ontwikkelingsbedreiging is. Nu de terugkeervoorwaarden niet vervuld zijn, bestaat er een reëel risico dat eisers bij terugkeer ernstig in hun ontwikkeling zullen worden bedreigd. Eisers verwijzen verder naar een aantal uitspraken van het VN Mensenrechtencomité en van het VN Kinderrechtencomité, waaruit blijkt dat er een onderzoek moet worden gedaan naar de omstandigheden en opvang in het land van terugkeer. Als er redelijke twijfel bestaat of de ontvangende staat het kind adequaat kan beschermen, moet worden afgezien van het terugsturen van het kind, aldus eisers.

6. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat in het beroepschrift niet is aangevoerd waarom de beoordeling in het voornemen over artikel 3 van het EVRM onjuist is. De terugkeervoorwaarden houden geen verband met artikel 3 van het EVRM en bieden dus geen grond voor een asielvergunning en zijn daarom niet aangemerkt als relevant element. Wat over de terugkeervoorwaarden is aangevoerd, wordt meegenomen in de lopende procedure inzake de aanvraag om een verblijfsvergunning regulier. In de asielprocedure is rekening gehouden met de minderjarigheid van eisers. In Armenië is, anders dan in het arrest Sufi en Elmi, geen sprake van humanitaire problematiek als gevolg van een gewapend conflict, en uit niets volgt dat zo’n situatie zich in casu voordoet. De verwijzing naar de arresten Tarakhel en M.S.S. gaat niet op, omdat die gaan over een situatie waarin de Dublinverordening van toepassing was. De stukken waarop een beroep wordt gedaan tonen niet aan dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade en zijn voor de vraag of internationale bescherming moet worden verleend ook niet relevant, aldus verweerder.

7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de gestelde vrees van eisers voor ernstige schade in geval van terugkeer naar Armenië zolang niet is voldaan aan de terugkeervoorwaarden ten onrechte niet heeft aangemerkt als relevant element in het kader van de beoordeling van de asielaanvragen. Uit de Werkinstructie van 1 januari 2015 (WI 2014/10) volgt dat verweerder eerst de relevante elementen moet vaststellen en daarna moet beoordelen of die elementen geloofwaardig zijn en of ze aanleiding vormen een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Verweerder heeft de eerste stap in dit geval niet gezet, terwijl de vrees voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM vanwege schending van de terugkeervoorwaarden blijkens de gehoren en de correcties en aanvullingen tot de kern van het asielrelaas behoort. Anders dan verweerder meent, kan uit de arresten M.S.S., Sufi en Elmi en Tarakhel een algemeen kader met betrekking tot artikel 3 van het EVRM worden afgeleid. De omstandigheden bij terugkeer moeten worden betrokken bij de beoordeling van het risico op schending van artikel 3 van het EVRM. Bovendien moeten eisers gelet op hun minderjarigheid worden aangemerkt als kwetsbare personen. Uit de door eisers aangehaalde rechtspraak volgt dat in dat geval de drempel voor een schending van artikel 3 van het EVRM lager is. De bestreden besluiten zijn dan ook in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel tot stand gekomen. De beroepsgrond slaagt.

8. Omdat verweerder voornoemd relevant element niet heeft vastgesteld, heeft hij vervolgens ook de op grond van de WI 2014/10 beschreven volgende stappen niet in de bestreden besluiten beoordeeld. De eerstvolgende (tweede) stap is dat beoordeeld wordt of geloofwaardig is dat eisers bij terugkeer naar Armenië een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM zolang niet is voldaan aan de terugkeervoorwaarden. Het voorgaande heeft tot gevolg dat verweerder de beoordeling van de asielaanvragen opnieuw zal moeten verrichten. Verweerder dient daarbij te betrekken of eisers vanwege de ondertoezichtstelling een arguable claim hebben op een schending van artikel 3 van het EVRM. Ook dient verweerder de rapportages van de Raad voor de Kinderbescherming, Indigo, NFIP en Stichting Nidos te betrekken. In dat verband overweegt de rechtbank dat voor zover verweerder heeft gereageerd op de terugkeervoorwaarden en de overgelegde stukken dit onvoldoende is geweest. Onder 18. zal de rechtbank overwegen op welke wijze de zorgvuldigheids- en motiveringsgebreken dienen te worden hersteld.

Afwijzing als kennelijk ongegrond

9. Eisers voeren verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de aanvragen zijn afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw. Pas bij de onmiddellijke dreigende uitzetting in mei 2018 en het gegeven dat de voorzieningenrechter in zijn uitspraak van 23 april 2018 geen oordeel kon geven over de terugkeervoorwaarden, waren zij genoodzaakt asiel aan te vragen. Verweerder heeft dit buiten de besluitvorming gehouden.

10. Verweerder stelt zich op het standpunt dat gelet op alle feiten en omstandigheden de conclusie gerechtvaardigd is dat de aanvragen slechts zijn ingediend om uitzetting uit te stellen of te verijdelen.

11. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de bestreden besluiten onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij zich op het standpunt stelt dat de aanvragen slechts zijn ingediend om uitzetting uit te stellen of te verijdelen. De rechtbank heeft hiervoor onder 7. en 8. geoordeeld dat verweerder ten onrechte de gestelde vrees voor ernstige schade bij terugkeer naar Armenië zolang niet aan de terugkeervoorwaarden is voldaan niet als relevant element heeft aangemerkt en dus ten onrechte niet heeft beoordeeld of geloofwaardig is dat eisers in dat verband een reëel risico lopen op schending van artikel 3 van het EVRM. Het bestreden besluit bevat op dit punt een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek. De beroepsgrond slaagt.

12. Eisers voeren verder aan dat hun aanvragen ten onrechte zijn afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. Hun aanvragen zijn geen opvolgende aanvragen, maar eerste aanvragen. Uit vaste jurisprudentie van de ABRvS volgt dat de op eigen naam ingediende asielaanvraag van een kind geen herhaalde aanvraag is als hij bij de nieuwe aanvraag voor het eerst een grond naar voren heeft kunnen brengen die bij uitstek op de eigen persoon betrekking heeft en zodanig specifiek is en op zichzelf staat, dat die niet begrepen is in hetgeen het familielid bij de eerste aanvraag naar voren heeft gebracht. Er is ook niet voldaan aan de definitie van ‘een volgend verzoek’ zoals bedoeld in artikel 2, aanhef en onder q, van de Richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (Procedurerichtlijn). Er is in deze zaak geen sprake van een ‘vorig verzoek’, omdat het eerdere verzoek niet zag op het asielrelaas van eisers. De Procedurerichtlijn geeft geen definitie van eerste asielaanvraag. De nadere definiëring van opvolgende aanvraag is in prejudiciële vragen voorgelegd aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) in de zaak Ahmedbekova tegen Bulgarije (C-652/16). Omdat sprake is van eerste aanvragen, had verweerder bovendien ambtshalve moeten toetsen aan artikel 8 van het EVRM en tijdelijke humanitaire gronden. De termijn van zes maanden waarbinnen de asielaanvraag moet zijn gedaan als bedoeld in artikel 3.6a, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), moet volgens eisers pas gaan lopen vanaf de onder 1.6. genoemde uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2018, omdat toen de noodzaak ontstond om asiel aan te vragen, aldus eisers.

13. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de eerste asielaanvragen van eisers onherroepelijk zijn afgewezen bij besluit van 5 oktober 2009. De onderhavige verzoeken betreffen dus een tweede verzoek om internationale bescherming. Voor de vraag of sprake is van een opvolgende aanvraag is slechts relevant of ooit eerder een (eerste) verzoek om internationale bescherming is gedaan. Dat het bij het tweede verzoek gaat om een eerste zelfstandig relaas doet niet ter zake. Anders dan bij een herhaalde aanvraag zijn de opvolgende aanvragen inhoudelijk beoordeeld. In dit geval zijn de aanvragen dan ook niet niet-ontvankelijk verklaard. Omdat sprake is van opvolgende aanvragen, hoefde verweerder ook niet ambtshalve te toetsen aan artikel 8 van het EVRM en tijdelijke humanitaire gronden, aldus verweerder.

14. Uit artikel 1 van de Vw volgt dat met het begrip ‘opvolgende aanvraag’ in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw, hetzelfde is bedoeld als met het begrip ‘volgend verzoek’, zoals dat is gedefinieerd in artikel 2, aanhef en onder q, van de Procedurerichtlijn. Uit de definities in artikel 2, aanhef en onder b en q, van de Procedurerichtlijn leidt de rechtbank af dat de verzoeken van eisers niet als opvolgende aanvraag kunnen worden aangemerkt omdat zij voor het eerst eigen asielmotieven naar voren brengen in het kader van een eigen verzoek. Het eerdere asielverzoek dat mede namens eisers was gedaan had betrekking op asielmotieven van hun moeder. De rechtbank vindt voor zijn oordeel ook steun in de zinsnede van artikel 2, aanhef en onder q, van de Procedurerichtlijn dat ‘met inbegrip van de gevallen waarin de verzoeker zijn verzoek expliciet heeft ingetrokken’. Ook hieruit leidt de rechtbank af dat de vreemdeling zelf een eerder verzoek (zijn verzoek) moet hebben gedaan. Verweerder heeft de aanvragen daarom ten onrechte aangemerkt als opvolgende aanvraag en dus ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. De beroepsgrond slaagt in zoverre.

14.1.

Het voorgaande betekent echter niet dat verweerder ook ambtshalve had moeten doortoetsen op grond van artikel 3.6a, eerste lid, van het Vb, omdat de asielaanvragen niet zijn ingediend binnen zes maanden nadat eisers Nederland zijn binnengekomen. De doelstelling van het ambtshalve doortoetsen is om stapeling van procedures te voorkomen. De rechtbank wijst op de nota van toelichting bij het Besluit van 17 december 2013 tot wijziging van het Vb (stroomlijning toelatingsprocedures) (Stb. 2013, nr. 580, p. 14 en 15). De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.

Terugkeerbesluit

15. Eisers voeren tot slot aan dat het terugkeerbesluit van 5 oktober 2009 alleen zag op hun moeder. In dat besluit staat dat de aanvraag is ingediend door moeder en haar kinderen, terwijl onder het kopje ‘rechtsgevolgen van deze beschikking’ alleen over de moeder van eisers (‘betrokkene’) wordt gesproken. Verweerder heeft ondeugdelijk gemotiveerd waarom het terugkeerbesluit als terugkeerbesluit ten aanzien van eisers kan worden beschouwd. Daarnaast is destijds geen rekening gehouden met de belangen van de kinderen, zoals volgt uit artikel 10, eerste lid, van de Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 16 december 2008 (Terugkeerrichtlijn). Eisers zijn alleenstaande minderjarige vreemdelingen en er moet dus hulp worden geboden met gepaste aandacht voor kind. Het terugkeerbesluit is eveneens in strijd met artikel 10, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Voor zover nu al is voldaan aan artikel 10, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, was dat in ieder geval niet het geval ten tijde van het terugkeerbesluit van 5 oktober 2009.

16. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat uit het besluit van 5 oktober 2009 duidelijk volgt dat dit ook betrekking had op eisers. De vertrektermijn is inmiddels verlopen en het is vaste rechtspraak dat er geen nieuw terugkeerbesluit hoeft te worden genomen. De vraag of eisers zullen kunnen terugkeren, hangt af van de verblijfsprocedure regulier. Daarin wordt uitvoerig aandacht besteed aan de wijze van terugkeer naar de moeder. In de uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 april 2018 leest verweerder de bevestiging dat dit tot nu toe steeds in overeenstemming is geweest met artikel 10, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn.

17. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit het besluit van 5 oktober 2009 voldoende duidelijk dat dit gehele besluit betrekking had op zowel eisers als hun moeder. Dat geldt dus eveneens voor het daarin vervatte terugkeerbesluit. Dat onder het kopje ‘rechtsgevolgen van deze beschikking’ alleen wordt gesproken over ‘betrokkene’ maakt dit niet anders. Het terugkeerbesluit van 5 oktober 2009 geldt ten aanzien van eisers nog steeds. De stelling van eisers dat verweerder dat terugkeerbesluit niet had kunnen handhaven omdat de omstandigheden zijn gewijzigd en verweerder op grond van artikel 10, eerste en tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn onderzoek had moeten doen, volgt de rechtbank niet. Als verweerder aanleiding ziet om eisers alsnog een verblijfsvergunning te verlenen, zal het terugkeerbesluit van 5 oktober 2009 immers niet meer gelden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie

18. De beroepen zijn gegrond gelet op de onder 7., 11. en 14. geconstateerde gebreken. De bestreden besluiten zijn in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel tot stand gekomen. De rechtbank ziet gelet op hetgeen is overwogen onder 7. en 8. al geen aanleiding de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Verweerder dient namelijk een (extra) relevant element bij zijn beoordeling van de asielaanvragen te betrekken. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen door verweerder in een tussenuitspraak in de gelegenheid te stellen de geconstateerde gebreken te herstellen, omdat verweerder tijdens de zitting heeft verklaard daar niet aan te willen meewerken. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. Verweerder dient nieuwe besluiten op de aanvragen te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Verweerder dient in die besluiten dus als (extra) relevant element in zijn beoordeling te betrekken de gestelde vrees van eisers voor ernstige schade in geval van terugkeer naar Armenië zolang niet is voldaan aan de terugkeervoorwaarden. Verder dient deze beoordeling conform WI 2014/10 plaats te vinden. Mocht die beoordeling van verweerder leiden tot een afwijzing van de asielaanvragen dient verweerder als hij gebruik wenst te maken van zijn bevoegdheid om de aanvragen af te wijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder f, van de Vw dit nader te motiveren. Gelet op hetgeen de rechtbank onder 14. heeft overwogen kan verweerder de aanvragen niet afwijzen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw. De rechtbank stelt voor het nemen van de nieuwe besluiten een termijn van zes weken.

19. Gelet op het voorgaande behoeft het overige dat is aangevoerd, in het bijzonder over de amicus-brief en het BIC-assessment, geen bespreking meer.

20. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank is van oordeel dat sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb, waardoor de zaken in het kader van de proceskosten worden beschouwd als één zaak. De rechtbank stelt de door eisers gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Over de verzoeken om voorlopige voorziening (zaaknummers AWB 18/4810 en AWB 18/4812)

21. Gegeven de beslissing in de hoofdzaken hebben eisers rechtmatig verblijf in afwachting van de nieuwe besluiten op hun aanvragen. Er is daarom geen grond voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorzieningen, zodat de verzoeken worden afgewezen. De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding verweerder te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter, mede gelet op hetgeen onder 20. is overwogen, op grond van het Bpb vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van de verzoekschriften, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart de beroepen gegrond;

  • -

    vernietigt de bestreden besluiten;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-.

De voorzieningenrechter:

- wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 501,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Wolfrat, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. R.J.A. Steenbergen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan, voor zover het beroep betreft, binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.