Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8751

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
NL17.13219
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

ambtshalve toets artikel 8 EVRM na intrekking afgeleide verblijfsvergunning, motiveringsgebrek

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.13219


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres

(gemachtigde: mr. R.E. Temmen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Leander).


Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aan eiseres verleende verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, met een geldigheidsduur van

12 april 2013 tot 12 april 2018, ingetrokken met terugwerkende kracht tot 28 oktober 2016 en bepaald dat aan eiseres niet een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt verleend op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet (Vw 2000) in samenhang met artikel 3.6a, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000).


Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018, alwaar het beroep van eiseres is behandeld samen met het beroep NL17.13218.

Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.

Tevens zijn verschenen [echtgenoot] (echtgenoot van eiseres) en zijn dochter [dochter] (stiefdochter van eiseres).

Als tolk is verschenen T. Mehrian.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1.1

Eiseres is van Iraanse nationaliteit. Zij is geboren op [geboortedatum] 1967.

Eiseres verblijft sinds maart 2013 als vreemdeling in Nederland.

1.2

Aan de echtgenoot van eiseres [echtgenoot], geboren op [geboortedatum] 1970, is bij besluit van 28 januari 2013 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 verleend met een geldigheidsduur van 9 november 2012 tot 9 november 2017. Daarbij is aan zijn dochter (van een eerder huwelijk) [dochter], geboren op [geboortedatum] 2003, een van hem afgeleide verblijfsvergunning verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, eveneens met een geldigheidsduur van 9 november 2012 tot 9 november 2017.

1.3

Eiseres heeft op 12 april 2013 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Bij besluit van 22 april 2013 is aan eiseres een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 met een geldigheidsduur van 12 april 2013 tot 12 april 2018.

1.4

Bij besluit van 2 mei 2017 heeft verweerder de aan de echtgenoot van eiseres en zijn dochter verleende verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd ingetrokken met terugwerkende kracht tot 28 oktober 2016, zijnde de datum van verstrekking van een paspoort door de Iraanse ambassade in Den Haag aan de echtgenoot van eiseres. Op grond van de verstrekking van dit paspoort en het feit dat de echtgenoot van eiseres daarmee in november 2016 Iran in- en uitgereisd is, neemt verweerder aan dat de grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel van de echtgenoot van eiseres, en een afgeleide verblijfsvergunning aan zijn dochter, is vervallen per 28 oktober 2016.

De rechtbank verwijst voor het verdere (proces)verloop in deze zaak naar de uitspraak van heden op het beroep NL17.13218.

1.5

Door een administratieve omissie heeft verweerder de (afhankelijke) verblijfsvergunning van eiseres niet tegelijkertijd met de verblijfsvergunning van haar echtgenoot en stiefdochter ingetrokken, maar eerst op 4 augustus 2017 een voornemen tot intrekking uitgebracht.

Op 13 september 2017 heeft eiseres een zienswijze tegen dit voornemen ingediend.

Op 26 oktober 2017 is eiseres omtrent het voornemen gehoord.

2. Bij het thans bestreden besluit van 16 november 2017 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht tot 28 oktober 2016, op grond van artikel 32, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van eiseres blijkt dat zij persoonlijk geen eigen problemen heeft gehad in het land van herkomst die voor haar aanleiding waren om het land te verlaten. Eiseres heeft verklaard dat haar asielrelaas afhankelijk is van de gestelde problemen van haar echtgenoot.

Met betrekking tot de stelling van eiseres in de zienswijze, dat de problemen van haar echtgenoot nog actueel zijn, heeft verweerder verwezen naar het overwogene in het eerdergenoemde besluit van 2 mei 2017. Ten aanzien van eiseres ziet verweerder dan ook geen aanleiding om tot vluchtelingschap te concluderen of om af te zien van de intrekking van haar verblijfsvergunning.

Voorts heeft verweerder overwogen dat eiseres ten tijde van de indiening van haar asielaanvraag heeft verklaard dat zij geen geloof aanhangt in het land van herkomst en dat zij deswege geen problemen heeft ondervonden. Tijdens het gehoor van 26 oktober 2017 heeft eiseres weliswaar verklaard dat het christelijke geloof haar aantrekt en zij naar Bijbelsstudie gaat, maar eiseres heeft ook verklaard dat zij niet is gedoopt of bekeerd. Aan de hand van de verklaringen van eiseres wordt derhalve vastgesteld dat eiseres niet behoort tot een groep die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van het beleid als beschreven in de werkinstructie WBV 2017/7. Eiseres heeft bovendien verklaard dat als er problemen zijn, zij wel zal worden geholpen door familie. Hiermee is niet aannemelijk gemaakt dat eiseres bij uitzetting in Iran een reëel risico op ernstige schade loopt als bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Met betrekking tot de toets aan artikel 8 van het EVRM heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres niet tot een scheiding van het gezin leidt omdat sprake is van een gezamenlijke ontzegging van verblijf, nu de verblijfsvergunningen van haar echtgenoot en stiefdochter eveneens zijn ingetrokken.

Wat het recht op privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM betreft, heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres opgebouwde persoonlijke, sociale en economische banden niet van dien aard zijn dat deze banden noodzaken tot het aannemen van opgebouwd privéleven dat beschermd dient te worden, aldus verweerder.

3. Eiseres heeft in de beroepsgronden, samengevat, het volgende aangevoerd.

De verblijfsvergunning van eiseres is afgegeven voor 1 januari 2014, derhalve voor de wetswijziging van artikel 32 van de Vw 2000. In geval van analoge toepassing van artikel 32 van de Vw 2000, dat in geval van echtscheiding bepaalde dat de partner met een afhankelijke verblijfsvergunning recht had op zelfstandig verblijf, dient eiseres eveneens in het bezit te worden gesteld van een zelfstandige verblijfsvergunning na intrekking van de vergunning van haar echtgenoot.

Eiseres is het niet eens met de stelling van verweerder dat ten aanzien van haar geen sprake is van beschermingswaardig privéleven. Eiseres heeft haar inburgeringsdiploma behaald, beheerst perfect de Nederlandse taal, draagt bij aan de Nederlandse samenleving en verricht activiteiten in het kader van het christelijke geloof. In de zienswijze is abusievelijk aangegeven dat zowel eiseres als haar echtgenoot zich bezig houden met het Bahai-geloof. Enkel de echtgenot van eiseres houdt zich daarmee bezig. Vanwege het christelijke geloof loopt eiseres gevaar voor haar leven in geval van een eventuele terugkeer naar Iran. Er dient daarom te worden afgezien van intrekking van haar verblijfsvergunning.

Voorts heeft eiseres te vrezen voor haar leven in verband met het geloof van haar echtgenoot en het ontbreken van bescherming van de zijde van haar familie. Die hebben haar immers gewaarschuwd niet te huwen met iemand die het Bahai-geloof aanhangt.

Bij aanvullende gronden van 15 juni 2018 heeft eiseres aangevoerd dat zij en haar echtgenot inmiddels zijn bekeerd tot het christendom, zeer actief zijn binnen een evangelische gemeente en inmiddels zijn gedoopt. Eiseres wordt bovendien gechanteerd door haar ex-partner in Iran. Eiseres en haar gezin hebben hun leven in Nederland opgebouwd in een situatie van rechtmatigheid en konden niet bevroeden dat de rechtmatigheid van hun leven zou kunnen eindigen. De echtgenoot van eiseres heeft uit emotionele overwegingen, het overlijden van zijn moeder, door een ondoordachte actie het leven van zijn gezin op het spel gezet door voor een kort verblijf naar Iran te gaan. De belangen van eiseres om hier in Nederland te mogen verblijven dienen te prevaleren boven het belang van verweerder dat met de intrekking van de verblijfsvergunning is gediend.

4. De rechtbank overweegt het volgende.

4.1

Uit de stukken blijkt dat verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning asiel allereerst op de aanwezigheid van zelfstandige asielgronden heeft beoordeeld en op 18 april 2013 een voornemen tot afwijzing van de aanvraag heeft uitgebracht. Nadat eiseres in de daartegen ingediende zienswijze heeft verzocht om toelating voor verblijf bij haar echtgenoot, aan wie inmiddels een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd was verleend, heeft verweerder aan eiseres een afgeleide verblijfsvergunning verleend. De rechtbank is van oordeel dat nu de verblijfsvergunning van de hoofdpersoon is ingetrokken omdat de verleningsgrond is komen te vervallen, verweerder niet ten onrechte tot intrekking van de daarvan afhankelijke verblijfsvergunning van eiseres is overgegaan. Eiseres heeft niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat zij bij de indiening van haar asielaanvraag geen eigen asielgronden naar voren had gebracht. Dit neemt niet weg dat verweerder ten tijde van het bestreden besluit dient te beoordelen of ten aanzien van eiseres zich een zelfstandige grond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voordoet.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich – met de onder rechtsoverweging 2 weergegeven motivering – op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat dit niet het geval is. Eiseres heeft weliswaar in het gehoor van 26 oktober 2017 verklaard dat zij in het christelijke geloof is geïnteresseerd en sinds anderhalf jaar naar de kerk gaat, maar zij heeft ook verklaard dat zij niet gedoopt en niet bekeerd is en dat de Iraanse autoriteiten niet op de hoogte zijn van haar interesse voor het christelijke geloof. Verweerder heeft op grond hiervan niet ten onrechte overwogen dat eiseres ten tijde van de beoordeling niet onder een risicogroep als bedoeld in WBV 2017/7 viel.

Hetgeen eiseres in beroep heeft aangevoerd over haar vrees voor vervolging vanwege haar bekering tot het christendom en haar vrees voor chantage vanwege haar ex-echtgenoot, betreffen – zoals in het verweerschrift terecht erop is gesteld – nieuwe asielmotieven die aan de orde kunnen worden gesteld in een opvolgende asielprocedure. De procedure bij verweerder is naar zijn aard meer geschikt om onderzoek te doen naar de vraag of een nieuw asielmotief tot internationale bescherming zou moeten leiden dan de procedure bij de bestuursrechter in eerste aanleg in asielzaken. De rechtbank verwijst naar de daartoe strekkende overwegingen in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 oktober 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2669).

De voornoemde nieuwe asielmotieven laat de rechtbank daarom thans buiten beschouwing.

4.2

De rechtbank volgt eiseres niet in haar stelling dat verweerder ten aanzien van haar dient te handelen naar analogie van de situatie waarin een zelfstandige vergunning wordt verleend aan de achtergelaten partner in geval van echtscheiding. Daargelaten dat eiseres niet nader heeft onderbouwd op grond waarvan van verweerder een dergelijke werkwijze thans zou mogen worden verlangd, is in het geval van eiseres van een verbroken relatie met de hoofdpersoon, en van achterlating, geen sprake.

4.3

Het beroep van eiseres voor zover gericht tegen de ambtshalve weigering om op grond van artikel 8 van het EVRM verblijf toe te staan, dient echter gegrond te worden verklaard, reeds omdat het beroep van de echtgenoot en stiefdochter van eiseres bij uitspraak van heden (NL17.13218) gegrond is verklaard op het onderdeel van de ambtshalve toetsing aan artikel 8 van het EVRM door verweerder. Het bestreden besluit leidt ten aanzien van eiseres dan ook tot schending van het recht op het gezinsleven, nu van een gezamenlijke ontzegging van verblijf hier te lande thans geen sprake is.

Het beroep is in zoverre gegrond en de rechtbank zal het bestreden besluit in zoverre vernietigen en bepalen dat verweerder op dat onderdeel van het bestreden besluit opnieuw dient te beslissen.

4.4

Voor het overige is het beroep ongegrond, waarbij geldt dat het asielmotief met betrekking tot de gestelde bekering tot het christendom en het asielmotief met betrekking tot de gestelde chantage van de zijde van de ex-partner van eiseres, niet bij de beoordeling van dit beroep zijn betrokken. Eiseres kan deze nieuwe asielmotieven desgewenst in het kader van een nieuwe asielaanvraag ten beoordeling aan verweerder voorleggen.

5. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank

- verklaart het beroep, voor zover gericht tegen de ambtshalve weigering een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van artikel 8 van het EVRM, gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit in zoverre en draagt verweerder op daarover een nieuw besluit te nemen;

- verklaart het beroep voor het overige ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. G. de Zeben - de Vries, rechter, in aanwezigheid van

mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 juli 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.