Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8651

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
NL18.12511
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

spoedvovo beëindiging opvang toegewezen

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Den Haag

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.12511


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: M. de Boo).


Procesverloop
Bij besluit van 28 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond, aan hem geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend en hem geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000.

Verzoeker heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- treft de voorlopige voorziening dat verzoeker niet kan worden uitgezet en de opvangvoorzieningen behoudt totdat is beslist op het beroep met zaaknummer NL18.12510;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 501.

Overwegingen

De voorzieningenrechter geeft hiervoor de volgende motivering.

Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Ingevolge artikel 8:83, derde lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder het verzoek ter zitting te hebben behandeld, indien het verzoek kennelijk gegrond is. Dat is hier, zo blijkt uit het hierna volgende, het geval. Daarom doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder behandeling van het verzoek ter zitting.

Het verzoek strekt ertoe dat verzoeker niet wordt uitgezet, alsmede dat de opvangvoorzieningen worden voortgezet, totdat op het beroep is beslist. Verzoeker heeft daartoe gesteld dat het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: COa) de opvang van verzoeker met ingang van 5 juli 2018 zal beëindigen en heeft ter onderbouwing daarvan een brief van het COa van 29 juni 2018 overgelegd. Verzoeker heeft met verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 19 juni 2018, Gnandi tegen België, op het standpunt gesteld dat hij recht op opvang hangende de beroepsprocedure gericht tegen het afwijzend asielbesluit.

Het beroep tegen het bestreden besluit zal op 24 juli 2018 door deze rechtbank en zittingsplaats inhoudelijk worden behandeld. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker de uitkomst van deze procedure in Nederland mag afwachten. De voorzieningenrechter komt voorlopig oordelend tot de conclusie dat uit het arrest Gnandi valt af te leiden dat een asielzoeker die de uitkomst van zijn beroepsprocedure in eerste aanleg mag afwachten, rechten aan de Opvangrichtlijn kan ontlenen. Gelet hierop acht de voorzieningenrechter het belang van verzoeker bij continuering van de opvang – mede gelet op de korte termijn waarop voormelde behandeling ter zitting staat gepland – groter dan het belang van verweerder bij het verwijderen van verzoeker uit de opvang op dit moment. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding om een ordemaatregel te treffen.

De voorzieningenrechter zal de gevraagde voorziening daarom toewijzen, in die zin dat verweerder zal worden verboden verzoeker uit te zetten en uit de opvang te verwijderen totdat een inhoudelijke behandeling ter zitting van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag heeft plaatsgevonden en de rechtbank naar aanleiding daarvan uitspraak heeft gedaan.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 501,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

De beslissing is in het openbaar uitgesproken door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier, op 5 juli 2018. Dit proces-verbaal is digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.