Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8637

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
10-08-2018
Zaaknummer
AWB 17/8942 en AWB 18/2593
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

MK, familielid PKK'er, 3 EVRM, Turkije

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2018/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 17 / 8942 en AWB 18 / 2593

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 9 juli in de zaak tussen

[eiseres 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1980, eiseres 1,
mede namens haar minderjarige kinderen:
[kind 1] , geboren op [geboortedatum] 2001,
[kind 2] , geboren op [geboortedatum] 2004,
[kind 3] , geboren op [geboortedatum] 2017,

en

[eiseres 2] ,

geboren op [geboortedatum] 2000, eiseres 2,

allen van Turkse nationaliteit,

tezamen te noemen eiseressen,

(gemachtigde: mr. E. Arslan, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

verweerder,

(gemachtigde: mr. J.W. Kreumer, advocaat, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij afzonderlijke besluiten van 29 maart 2017 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eiseressen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen.

Eiseressen hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 april 2018. Eiseres 1 is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Eiseres 2 heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank betrekt bij de beoordeling van het beroep de volgende feiten.
Eiseres 1 is getrouwd met [echtgenoot], geboren op [geboortedatum] 1979, van Turkse nationaliteit. Bij besluit van 29 januari 2013 heeft verweerder de aanvraag van de echtgenoot van eiseres 1 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen met toepassing van artikel 1(F) van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Aan hem is bij aanvullend besluit van 19 mei 2015 een inreisverbod opgelegd voor de duur van tien jaar. In dit besluit heeft verweerder geconcludeerd dat de echtgenoot van eiseres 1 aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt om te worden onderworpen aan een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Het beroep van de echtgenoot van eiseres 1 tegen de hiervoor genoemde besluiten is bij uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 30 juli 2015, respectievelijk niet-ontvankelijk en ongegrond verklaard. Het hiertegen ingestelde hoger beroep is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 22 april 2016 ongegrond verklaard.


Eiseres 1 is in januari 2014 voor de duur van een maand en in mei 2015 voor de duur van drie weken op basis van een visum voor kort verblijf naar Nederland gereisd.

2.1

Eiseres 1 heeft ter onderbouwing van haar aanvraag het volgende aangevoerd. Zij behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Haar echtgenoot is in Turkije door de autoriteiten beschuldigd van deelname aan terroristische activiteiten van de PKK en is daarvoor veroordeeld tot een zeer lange gevangenisstraf. Na zijn veroordeling is hij vrijwel direct vertrokken uit hun huis in Istanbul. Na zijn vertrek werd eiseres 1 onder druk gezet door de politie. De politie kwam heel regelmatig aan de deur om naar hem te vragen en doorzocht dan ook het huis. De buren begonnen daardoor eiseres 1 en haar kinderen anders te bejegenen. Zij besloot daarom te verhuizen naar een andere wijk.
Ook op het nieuwe adres kwam de politie regelmatig langs. Zij werd vaak meegenomen naar het politiebureau en verhoord over haar echtgenoot. De buren kregen in de gaten waarom de politie zo vaak langs kwam en dat eiseres 1 en haar kinderen Koerden zijn. Nadat zij ongeveer een jaar op het nieuwe adres had gewoond, kwam de huisbaas met de mededeling dat zij moest vertrekken omdat zij Koerd was. Zij heeft gewezen op haar huurcontract, maar de huisbaas bleef erop terugkomen. Na twee jaar kon zij niet meer tegen de druk van de huisbaas en de politie en is zij op zoek gegaan naar een andere woning. Zij kon echter vanwege haar etniciteit geen woning vinden. Uiteindelijk is zij met haar gezin tijdelijk bij een neef gaan wonen. Nadat zij zich op dit adres had ingeschreven, bleef de politie haar lastigvallen. Dit zorgde er uiteindelijk voor dat zij niet langer bij haar neef kon wonen.
Op een gegeven moment deed de politie haar een voorstel. Zij zou voor de politie kunnen infiltreren in de PKK en dan zou het haar aan niets meer ontbreken. Zij heeft dit voorstel afgewezen. De politie kwam er echter regelmatig op terug. Ongeveer zes weken voor haar vertrek naar Nederland heeft de politie haar te kennen gegeven dat dit haar laatste kans was om mee te werken. Als zij niet zou meewerken, zou er in haar huis een bom en een wapen worden gelegd. Als een collega politieagent deze wapens zou vinden, dan zou zij beschuldigd worden van het bieden van hulp en onderdak aan de PKK.
Nadat zij met haar familie had overlegd, heeft haar schoonvader geregeld dat zij met de kinderen het land kon verlaten.

2.2

Eiseres 2 heeft ter onderbouwing van haar aanvraag verklaard dat zij, net als haar ouders, behoort tot de Koerdische bevolkingsgroep. Nadat haar vader was vertrokken uit Turkije, zijn de problemen begonnen. Daar weet zij niet meer veel vanaf, omdat zij toen nog jong was. Zij herinnert zich van de periode daarna dat de politie heel vaak aan de deur kwam en dat haar moeder dan werd meegenomen. Hierdoor, en doordat de buren hen slecht behandelden, moest het gezin verhuizen.
Op school werd zij slecht behandeld. Haar schoolgenoten en ouders van de kinderen zeiden haar dat zij slecht was en schuldig. Zij wilde daarom op een gegeven moment niet meer naar school. Vervolgens is het gezin verhuisd naar een huurwoning, maar ook daar kwam de politie aan de deur. Zij haalden dan het huis overhoop en namen haar moeder mee. Uiteindelijk moest het gezin onder druk van de buren opnieuw verhuizen. Het gezin is ingetrokken bij een broer van haar moeder. Ook daar kwam de politie weer aan de deur. De laatste keer voor hun vertrek werd haar moeder weer meegenomen door de politie. Zij kwam huilend thuis. Zij heeft vervolgens haar moeder tegen haar broer horen zeggen dat zij was bedreigd en dat de politie had gezegd dat zij moest meewerken, omdat er anders een bom en een vuurwapen in het huis zou worden verstopt. Haar moeder heeft vervolgens documenten geregeld en het gezin is daarna vertrokken.

3. Verweerder heeft de aanvragen van eiseressen afgewezen, omdat hij hun verklaringen over de door hen gestelde problemen met de Turkse politie en vanwege hun Koerdische etniciteit niet geloofwaardig acht.

Verweerder heeft daaraan, samengevat weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Verweerder vindt niet geloofwaardig dat het huis van eiseres 1 bij elke inval, derhalve tientallen keren, zo niet meer dan honderd keer, overhoop zou zijn gehaald door de politie, enkel om haar dwars te zitten. Verder valt niet in te zien waarom zij van de drie tussenliggende jaren niet meer weet of zij werd meegenomen naar het politiebureau.

Ook acht verweerder niet geloofwaardig dat eiseres 1 gedurende vijf jaar tientallen keren, zo niet meer dan honderd keer, door de politie is benaderd, om met hen samen te werken en te infiltreren bij de PKK, nu zij niet kan aangeven wat de politie concreet van haar verlangde. Haar verklaring dat zij eerst akkoord moest gaan met het verzoek en dat de rest dan pas zou worden besproken, acht verweerder onvoldoende, temeer omdat zij ook niet heeft gevraagd wat zij precies binnen de PKK zou moeten doen.
Verder acht verweerder ongeloofwaardig dat de politie eiseres 1 eerst na vijf jaar plotseling ging bedreigen. De stelling dat dit waarschijnlijk te maken had met het feit dat de Koerdische zaak ging opspelen en dat deze tactiek wellicht werd gebruikt om de Koerden nog meer onder druk te zetten en tegen elkaar op te zetten, volgt verweerder niet. Verder volgt verweerder niet dat zij nog twee maanden bedenktijd zou hebben gekregen, nu zij al vijf jaar bedenktijd had gehad. Haar verklaring dat het ultimatum moet worden bezien in het licht van de escalatie van de strijd tussen de Turkse overheid en de PKK, volgt verweerder niet, omdat het juist dan bevreemdend is dat zij onder dergelijke omstandigheden twee maanden bedenktijd kreeg, paspoorten kon aanvragen en het land legaal kon verlaten.

Verweerder is verder van mening dat het feit dat eiseres 1 na de gestelde bedreiging door de politie in de gelegenheid is geweest om paspoorten aan te vragen en te krijgen voor haar twee oudste kinderen en op legale wijze zonder problemen het land via de luchthaven heeft verlaten, er niet op duidt dat zij in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten. Dit doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen.

Het beroep van eiseres 1 (de zaak met kenmerk AWB 17/8942)

4. Eiseres voert in beroep allereerst aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat haar verklaringen dat zij vele malen is bezocht, lastiggevallen, en geïntimideerd door de politieke afdeling van de politie, aanvankelijk heel vaak, vervolgens een periode minder vaak en vervolgens, met name vanaf juni 2015, weer vaker, inconsistent of incoherent zijn. Die verklaringen passen volgens haar namelijk in de opeenvolgende feiten en gebeurtenissen die samenhangen met het relaas van haar echtgenoot en met de verharde houding van de Turkse autoriteiten vanaf juni 2015 tegen iedereen die als tegenstander van het regime wordt beschouwd, met name jegens Koerden met vermeende banden met de PKK. Dat zij tweemaal voor korte tijd naar Nederland is gekomen geeft aan dat de situatie in de periode van 2013 tot de eerste helft van 2015, niet zodanig was dat zij Turkije moest verlaten. De situatie veranderde in de periode voor, tijdens en na de verkiezingen van juni 2015 echter zodanig, dat zij alsnog besloot Turkije te ontvluchten. In dat licht is het ook verklaarbaar dat zij in die periode weer werd benaderd om samen te werken met de autoriteiten in hun strijd tegen de PKK.

Dat zij niet meer precies weet of zij in de tussenliggende periode wel of niet mee is genomen naar het politiebureau is logisch, omdat dit vele jaren geleden heeft plaatsgevonden. Zij vindt ook dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom het niet geloofwaardig is dat de politie bij elke inval haar huis overhoop haalde. Immers, de politie maakte haar als echtgenote van een veroordeelde (vermeende) PKK-lid het leven zuur en zette haar en haar echtgenoot op deze manier onder druk, zodat zij zou doorgeven waar haar echtgenoot was en zou samenwerken met de politie om informatie te verkrijgen over de PKK.


Eiseres voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat bepaalde zaken in verband met het verzoek van de autoriteiten om te infiltreren bij de PKK, ongeloofwaardig zijn. Verweerder plaatst dit in het licht van wat de Turkse autoriteiten, volgens verweerder, logischerwijs zouden hebben moeten gedaan of nagelaten. Eiseres heeft verklaard wat de feiten waren. Zij weet niet en kan ook niet weten wat de beweegredenen van derden zijn. Daar heeft verweerder dus niet alleen ten onrechte vragen over gesteld, maar ook heeft verweerder ten onrechte negatieve consequenties verbonden aan de gedragingen van derden, waar zij part noch deel aan heeft gehad.

Eiseres vindt ook dat verweerder ten onrechte haar verklaringen over de verzoeken van de politie om te infiltreren bij de PKK en het dreigement van de politie ongeloofwaardig acht. Immers, de politie wilde eerst dat zij zou infiltreren en gaf niet meteen aan welke concrete informatie zij wilden. Dat de politie ongeveer zes weken voor haar vertrek haar heeft bedreigd, moet bovendien worden bezien in het licht van de escalatie van de strijd tussen de Turkse overheid en de PKK. Verweerder heeft ten onrechte nagelaten de verklaringen van eiseres tegen deze achtergrond te beoordelen.


Eiseres voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de legale uitreis van haar en haar kinderen niet wijst op een negatieve belangstelling van de zijde van de Turkse autoriteiten. Het moet verweerder ambtshalve bekend zijn dat, ook als iemand in Turkije strafrechtelijk wordt vervolgd op grond van politieke zaken, hij Turkije legaal kan verlaten, zolang de rechtbank geen uitreisverbod oplegt. Dat zij Turkije legaal heeft kunnen verlaten, wil dus niet zeggen dat zij niet in de negatieve belangstelling staat. Voorts gaat verweerder eraan voorbij dat, sinds zij Turkije heeft verlaten, in Turkije een couppoging heeft plaatsgevonden en dat daarna de situatie voor Koerden aanzienlijk is verslechterd.

Bovendien heeft verweerder de geloofwaardigheid van haar relaas niet beoordeeld aan de hand van de actuele landeninformatie, zodat diens standpunt niet zorgvuldig is voorbereid en niet berust op een deugdelijke motivering.

4.1

Verweerder heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat eiseres in januari 2014 toen de politie toch ook regelmatig langskwam, zij het minder dan de jaren ervoor, voor een maand naar haar echtgenoot kon reizen. Dit geldt te meer voor haar reis in mei 2015. Immers, zij heeft verklaard dat zij in die periode doorlopend werd lastiggevallen door de politie. Aldus valt niet in te zien dat zij in die periode voor drie weken haar echtgenoot op kon zoeken. Hierbij heeft verweerder betrokken dat zij heeft verklaard dat zij de politie ervan op de hoogte had gebracht dat haar echtgenoot in het buitenland verbleef.


Verweerder volgt eiseres verder niet in haar stelling dat de omstandigheid dat de politie in het laatste jaar weer vaker het huis binnenviel, samenviel met de oplaaiende problemen tussen de Turken en de Koerden. De wapenstilstand tussen de Koerden en de Turken is immers pas geëindigd in juli 2015. Zij heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat de problemen tussen de Koerden en de Turken vanaf eind 2014 al zodanig waren dat de Turkse autoriteiten wekelijks bij alle familieleden van PKK-aanhangers binnenvielen.


Verweerder volgt eiseres wel in haar stelling dat hij niet inzichtelijk heeft gemotiveerd waarom hij niet geloofwaardig heeft geacht dat de politie bij elke inval haar huis overhoop haalde. Dit leidt verweerder echter niet tot een andere conclusie. Verweerder blijft het bevreemdend vinden dat eiseres niet kan verklaren wat er precies is voorgevallen in de tussenliggende periode van drie jaar. Ook blijft verweerder het niet geloofwaardig vinden dat haar een ultimatum is gegeven om te infiltreren bij de PKK en dat niet valt in te zien dat zij probleemloos paspoorten kon aanvragen en meermaals en zonder problemen naar haar echtgenoot in Nederland kon reizen. Het is aan haar om aannemelijk te maken dat zij, terwijl zij naar eigen zeggen door de Turkse autoriteiten wordt beticht van betrokkenheid bij de PKK, zonder problemen het land kon verlaten. De enkele vermelding dat verweerder ambtshalve bekend zou moeten zijn met de omstandigheid dat iemand legaal kan uitreizen, zolang de rechtbank geen uitreisverbod oplegt, is niet voldoende. Zij heeft immers meerdere bronnen overgelegd waaruit blijkt dat aanhangers van de PKK hard worden aangepakt. Niet valt in te zien dat zij, indien zij werkelijk wordt gezien als (echtgenote van een) PKK-aanhanger, zoveel vrijheid heeft om paspoorten aan te vragen – zelfs met behulp van een toestemmingsverklaring van haar echtgenoot, die wel PKK-aanhanger en aanslagpleger was – en het land meermaals zonder problemen te verlaten. Hieruit blijkt dat zij niet in de negatieve belangstelling staat van de Turkse autoriteiten.


Verweerder volgt eiseres ook niet in haar stelling dat hij de algemene situatie in Turkije niet heeft betrokken in het bestreden besluit. Dit is volgens hem wel gebeurd, maar heeft niet tot de conclusie geleid dat zij recht heeft op een asielvergunning.

4.2.

Ten aanzien van de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres merkt de rechtbank allereerst op, onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie onder meer de uitspraak van 15 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3009), dat verweerder bij de beoordeling van niet met bewijs gestaafde verklaringen weliswaar beslissingsruimte heeft, maar dat hij de manier waarop hij deze ruimte gebruikt van een deugdelijke en voor de bestuursrechter controleerbare motivering moet voorzien. Die motivering stelt de bestuursrechter in staat om een grondige toetsing te verrichten. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

4.3

De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting desgevraagd heeft aangegeven dat, anders dan verweerder in het bestreden besluit aan eiseres heeft tegengeworpen, geen sprake is van inconsistente en incoherente verklaringen op grond waarvan hij haar asielrelaas ongeloofwaardig acht. Verweerder heeft in het verweerschrift verder aangegeven dat hij zijn standpunt dat hij het niet geloofwaardig acht dat het huis van eiseres bij elke inval overhoop werd gehaald, laat vallen, maar dat dit hem niet brengt tot een andere conclusie over de geloofwaardigheid van de invallen. Uit het bestreden besluit is naar het oordeel van de rechtbank echter niet op te maken of verweerder de invallen door de politie in het huis van eiseres op zichzelf ongeloofwaardig acht, of dat verweerder het aantal invallen ongeloofwaardig acht of dat verweerder alleen de gang van zaken rond de invallen ongeloofwaardig acht. De toelichting van verweerder ter zitting dat hij het in zijn geheel ongeloofwaardig acht dat de Turkse politie invallen deed in het huis van eiseres, blijkt niet uit het bestreden besluit. Het besluit is op dit punt aldus onvoldoende deugdelijk gemotiveerd.

4.4

De rechtbank is daarnaast van oordeel dat ook de motivering door verweerder van zijn standpunt over de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres over het verzoek van de Turkse politie om te infiltreren bij de PKK, onvoldoende deugdelijk is. Dat verweerder het ongeloofwaardig vindt dat de politie eiseres vijf jaar lang zou hebben benaderd met het verzoek om te infiltreren, maar geen consequenties heeft verbonden aan haar weigeringen tot medewerking en vervolgens zonder aanleiding haar heeft bedreigd, heeft verweerder niet op een voor de rechtbank controleerbare wijze gerelateerd aan bij hem bekende bronnen met algemene en specifieke informatie over de situatie in Turkije, of aan zijn ervaringen met de beoordeling van de geloofwaardigheid van vergelijkbare asielrelazen van andere vreemdelingen.
Het voorgaande geldt ook voor het standpunt van verweerder dat hij het niet geloofwaardig acht dat eiseres heel vaak is benaderd door de politie zonder dat haar concreet duidelijk is gemaakt wat zij precies moest doen en dat zij, nadat haar al vijf jaar bedenktijd was gegund, nog eens twee maanden bedenktijd heeft gekregen.
Daarnaast heeft verweerder de door eiseres gegeven verklaring voor het feit dat zij vijf jaar lang alleen is verzocht om mee te werken en eerst daarna werd bedreigd - te weten dat dit waarschijnlijk te maken had met het feit dat de Koerdische zaak weer ging opspelen - onvoldoende deugdelijk gemotiveerd verworpen. Immers, verweerder heeft zich enkel op het standpunt gesteld dat eiseres deze verklaring ook heeft gegeven voor haar stelling dat zij, na drie jaar lang minder vaak te zijn bezocht door de politie, het laatste jaar weer vaker werd lastiggevallen. Verweerder heeft daarmee niet gemotiveerd waarom deze verklaring niet voor beide stellingen van eiseres kan gelden, noch waarom deze verklaring, bezien in het licht van de landeninformatie of gerelateerd aan andere asielrelazen, niet kan worden gevolgd.

4.5

De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom niet valt in te zien dat eiseres tweemaal eerder zonder problemen Turkije heeft kunnen verlaten en inreizen, dat zij voor haar kinderen paspoorten heeft kunnen aanvragen en verkrijgen en dat zij met haar kinderen Turkije op legale wijze heeft kunnen verlaten. Verweerder heeft ook dit standpunt niet onderbouwd met informatie uit algemene bronnen of ervaringen met de beoordeling van asielrelazen van andere vreemdelingen. Ook de toelichting van verweerder ter zitting, dat het niet voorstelbaar is dat eiseres, die in zo grote mate wordt lastiggevallen en die echtgenote is van iemand die tot levenslange gevangenisstraf is veroordeeld, zo makkelijk kan uitreizen, is niet kenbaar gerelateerd aan landeninformatie of ervaringen van verweerder met betrekking tot de relazen van andere asielzoekers waaruit kan worden opgemaakt dat de Turkse autoriteiten familieleden van veroordeelde PKK-leden of -sympathisanten in het algemeen beletten om Turkije te verlaten. In dat verband komt betekenis toe aan het feit dat de echtgenoot van eiseres is veroordeeld voor (vermeende) terroristische activiteiten voor de PKK, dat de Turkse autoriteiten weten dat eiseres zijn echtgenote is en dat zij bij hem op bezoek ging in Nederland, maar dat zij desondanks toch documenten voor grensoverschrijding hebben verstrekt aan haar en haar kinderen. Daarmee kan dan ook niet worden uitgesloten dat de Turkse autoriteiten mogelijk ook een belang hadden dat eiseres Turkije zou verlaten.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met de gegeven motivering dan ook niet deugdelijk gemotiveerd dat deze gang van zaken ongeloofwaardig is en daarom afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres. Dat geldt te meer nu haar relaas over de negatieve aandacht van en bejegening door de Turkse autoriteiten past in het beeld van hetgeen bekend is over de situatie van Koerden en met name (vermeende) sympathisanten en leden van de PKK en hun familieleden in Turkije.

De beroepsgrond slaagt.

5. Eiseres voert verder aan dat verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van haar asielrelaas onvoldoende heeft betrokken dat haar relaas nauw samenhangt met het relaas van haar echtgenoot. Omdat verweerder zijn asielrelaas geloofwaardig heeft bevonden, moet verweerder de verklaringen van eiseres ook in dat licht beoordelen. Aangezien haar echtgenoot vanwege zijn banden met de PKK door de Turkse autoriteiten is vervolgd en veroordeeld en hij om die reden nog steeds gezocht wordt door de Turkse autoriteiten, zijn de verklaringen van eiseres volgens haar logisch en aannemelijk, zeker gezien wat in het algemeen bekend is over de situatie van leden van de PKK en de leden van hun gezin.

5.1

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat het enkele feit dat de echtgenoot van eiseres tot levenslange gevangenisstraf is veroordeeld in Turkije, onder meer wegens lidmaatschap van of sympathieën voor de PKK, onvoldoende aanleiding vormt om zonder meer aan te nemen dat ook zij persoonlijke problemen heeft ondervonden van de Turkse autoriteiten. Het is aan haar om met consistente en coherente verklaringen haar gestelde problemen aannemelijk te maken. Hierin is zij volgens verweerder niet geslaagd.

5.2

Hoewel verweerder gevolgd kan worden in zijn standpunt dat de problemen van de echtgenoot van eiseres niet zonder meer de gestelde problemen van eiseres aannemelijk maken, blijkt uit het bestreden besluit niet dat verweerder het geloofwaardig geachte asielrelaas van de echtgenoot van eiseres heeft betrokken in zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eiseres.
Deze beroepsgrond slaagt eveneens.

6. Eiseres voert verder aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het feit dat haar echtgenoot is veroordeeld tot levenslange gevangenisstraf wegens vermeend lidmaatschap van de PKK op zichzelf onvoldoende aanleiding vormt om aan te nemen dat zij persoonlijk ook te vrezen heeft voor vervolging van de zijde van de Turkse autoriteiten, of bij terugkeer een reëel risico loopt op een behandeling als verboden in artikel 3 van het EVRM, wegens een aan haar toegedichte betrokkenheid bij de PKK. Zij wijst op de volgende rapporten en berichten:

- het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe van 7 juli 2017;

- het rapport van Schweizerische Flüchtlingshilfe van 19 mei 2017, getiteld “Türkei: Aktuelle Situation”;

- het rapport van US Department of State van 3 maart 2017, getiteld: “Country report on human rights practices 2016 - Turkey”;

- berichten van John D. Norton van 18 juni 2017 en 15 augustus 2016, beiden getiteld: “Risk for a member of the HDP”;

- een bericht van D. Bayir van 15 augustus 2016, getiteld: “Risk for a member of the HDP” en

- een bericht van S. Laizer van 16 juni 2017, getiteld: “Risk for a member of the HDP”.

6.1

In het verweerschrift stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet ontkent dat de Turkse autoriteiten hard optreden tegen Koerden aan wie zij betrokkenheid bij de PKK toedichten. Het is echter aan eiseres om aannemelijk te maken dat haar deze betrokkenheid wordt toegedicht. De verklaringen van eiseres hierover heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verder blijkt uit de bronnen die eiseres heeft overgelegd niet dat alle Koerden in Turkije te vrezen hebben voor vervolging dan wel ernstige schade. De enkele omstandigheid dat zij de echtgenote is van een man die is veroordeeld voor betrokkenheid bij een PKK-aanslag vindt verweerder niet voldoende om aan te nemen dat haar een betrokkenheid bij de PKK wordt toegedicht. Dan zou zij volgens verweerder niet de vrijheid hebben gekregen om haar echtgenoot in Nederland te bezoeken en paspoorten te verkrijgen voor haar legale vertrek.

6.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bij terugkeer naar Turkije een reëel risico loopt op een door artikel 3 van het EVRM verboden behandeling wegens het feit dat zij de echtgenote is van een betrokkene bij de PKK die wegens terrorisme is veroordeeld. Hiertoe is allereerst van belang dat verweerder, zoals hiervoor is overwogen, onvoldoende deugdelijk en kenbaar heeft gemotiveerd dat de verklaringen van eiseres over de problemen die zij heeft ondervonden van de Turkse autoriteiten ongeloofwaardig zijn. Daarnaast heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende bij zijn beoordeling betrokken in hoeverre het feit dat eiseres de echtgenote is van een tot levenslange gevangenisstraf veroordeelde (vermeende) sympathisant of lid van de PKK van invloed is op het risico op schending van artikel 3 van het EVRM voor eiseres bij terugkeer naar Turkije. Verweerder heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van het beeld dat in de informatie uit algemene bronnen wordt geschetst over situatie van Koerden met betrokkenheid bij de PKK en hun familieleden. Dit klemt te meer nu verweerder erkent dat de Turkse autoriteiten hard optreden tegen Koerden aan wie zij een betrokkenheid bij de PKK toedichten. Uit de door eiseres overgelegde landeninformatie blijkt dat dit ook geldt voor hun familieleden.
De beroepsgrond slaagt.

7. Het beroep is gegrond. Het bestreden komt wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Het beroep van eiseres 2 (de zaak met kenmerk AWB 18/2593)

8. Eiseres 2 heeft zich in haar beroep aangesloten bij de beroepsgronden van haar moeder (eiseres 1). Verweerder heeft in het besluit op de aanvraag van eiseres 2 verwezen naar het besluit op de aanvraag van eiseres 1. Uit de gegrondverklaring van het beroep van eiseres 1 volgt daarom dat het beroep van eiseres 2 ook gegrond is. Het bestreden besluit in de zaak van eiseres 2 komt daarom ook wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 Awb voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank draagt verweerder op ook een nieuw besluit te nemen op de aanvraag van eiseres 2, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

In beide zaken

9. De rechtbank veroordeelt verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, Awb in de kosten die eiseressen hebben gemaakt. De kosten zijn op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.002,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarbij de rechtbank beide zaken als samenhangend aanmerkt).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 1.002,- te betalen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, voorzitter, en mr. A.J. van Putten en mr. J. van der Kluit, leden van de meervoudige kamer, in aanwezigheid van mr. drs. S.R.N. Parlevliet, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

9 juli 2018.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.