Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8564

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
09/857116-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging tot zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/857116-16

Datum uitspraak: 16 juli 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de meervoudige strafkamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres 1] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 22 maart 2018 (regie) en 2 juli 2018.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. K. van Diemen en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. S.I. Soekarman naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 07 februari 2016 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), en/of alleen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

die [slachtoffer] (meermalen) (met kracht) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd

en/of op/tegen het (boven)lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

geschopt/getrapt (ook toen die [slachtoffer] op de grond lag en in de auto zat)

en/of (met kracht) (een) elleboogsto(o)t(en) op/tegen het hoofd heeft gegeven

en/of (met kracht) in het/een (linker)oor heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 07 februari 2016 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,

openlijk, te weten, op de Woudseweg, in elk geval op of aan de openbare weg,

in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, te weten [slachtoffer] ,

door

- die [slachtoffer] vast te pakken en/of naar de grond te werken en/of vast te

houden op de grond en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd te slaan

en/of stompen en/of schoppen/trappen (ook toen die [slachtoffer] op de grond lag

en in de auto zat) en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) op/tegen het (boven)lichaam te slaan en/of

stompen en/of schoppen/trappen (ook toen die [slachtoffer] op de grond lag en in

de auto zat) en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) (een) elleboogsto(o)t(en) op/tegen het hoofd te

geven en/of

- die [slachtoffer] (met kracht) in het/een (linker)oor te bijten.

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

De verdenking komt er, zakelijk weergegeven, op neer dat de verdachte zich op 7 februari 2016 samen met [medeverdachte] schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van [slachtoffer] (primair) dan wel aan eenvoudige mishandeling van [slachtoffer] (subsidiair).

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het primair ten laste gelegde. De opzet om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen ontbrak bij de verdachte. Hij heeft niet geslagen met een knuppel of een stok. Niet is gebleken dat de verdachte, [slachtoffer] op het hoofd of andere kwetsbare delen van het lichaam heeft geraakt. Ook is niet gebleken dat [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Camerabeelden

De politie heeft onderzoek gedaan naar camerabeelden van verschillende camera’s. Op de beelden van een camera die gericht staat op een oprit [adres 2] te Den Hoorn heeft een verbalisant het volgende waargenomen:

04:50:39 uur : jongen 2 opende het portier en begint in te slaan op het slachtoffer. Ik zag jongen 1 uitstappen aan de bijrijderszijde en vervolgens leunde hij voorover in de auto. Het leek erop dat hij het slachtoffer fixeerde. Ik zag dat het slachtoffer de auto uit kwam en de weg op liep, ik zag dat hij begon te rennen. Ik zag jongen 1 en 2 achter het slachtoffer aanrenden. Hierna waren zowel het slachtoffer als jongen 1 en 2 uit beeld.

Om 04:51:31 zag ik dat het slachtoffer weer in heet beeld verscheen. Ik zag dat hij naar zijn auto rende en de auto instapte en op de bestuurdersstoel ging zitten. Ik zag jongen 1 en 2 achter hem aan kwamen rennen. Ik zag dat zowel jongen 1 als jongen 2 een aanloop namen en vervolgens met kracht in de auto trapte, richting het slachtoffer.

Om 04:51:37 zag jongen 2 voorover in het bestuurdersportier hangen. Jongen 1 zag ik richting het bijrijdersportier lopen. Ik zag hem in de auto trappen tegen het slachtoffer en stapte vervolgens weer uit de auto. Ik zag dat het slachtoffer op dat moment ook weer uit de auto was. Ik zag dat jongen 2 het slachtoffer aan het slaan was met zijn vuisten. Ik zag het slachtoffer terug slaan. Ik zag dat jongen 1 ook richting het slachtoffer liep. Ik zag dat jongen 1 flink uit haalde met zijn rechterarm en vervolgens vanaf schouderhoogte een slaande beweging richting het slachtoffer maakte. Ik zag dat deze slag mis was, waardoor hij een paar stappen vooruit maakte. Hierna zag ik hem terug naar het slachtoffer lopen en zag ik beide jongens het slachtoffer slaan.

Ik zag dat jongen 1 met zijn rechterelleboog op het hoofd van het slachtoffer in aan het beuken was en ik zag jongen 2 met zijn vuisten op het hoofd van het slachtoffer slaan.

04:52:25 uur: Ik zag dat het slachtoffer zijn boven kleding uit was en dus een bloot bovenlichaam had. Ik zag jongen 1 weglopen in de richting van zijn fiets. Ik zag dat jongen 2 bleef slaan en schoppen, terwijl jongen 1 bij zijn fiets stond.

Om 04:52:37 zag ik het slachtoffer en jongen 2 zich verplaatsen naar het midden van de weg. Daar ging het gevecht door.

Om 04:52:52 zag ik het slachtoffer naar overkant van de weg rennen, vervolgens zag ik jongen 1 zich weer bij het slachtoffer en jongen 2 voegen en zag ik jongen 1 en 2 het slachtoffer weer slaan. Ik zag dat jongen 1, low kicks aan slachtoffer gaf, ik zag dat deze op zijn bovenbenen en onderbuik terecht kwamen, terwijl jongen 2 bleef slaan tegen het hoofd van het slachtoffer. Al slaand en schoppend verdwenen het slachtoffer en de jongens vervolgens het beeld uit. 2

Ter terechtzitting heeft niet ter discussie gestaan dat voornoemde geweldshandelingen hebben plaatsgevonden op 7 februari 2016 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland en dat de verdachte persoon 1 is en de medeverdachte persoon 2 is. De verdachte heeft ter terechtzitting op 2 juli 2018 verklaard dat hij de geweldshandelingen, zoals genoemd in de tenlastelegging – met uitzondering van het bijten in het oor –, heeft verricht.3 Gelet op het voorgaande en onder verwijzing naar de aangifte van [slachtoffer]4 kunnen naar het oordeel van de rechtbank deze feiten als vaststaand worden aangemerkt en zonder nadere motivering als vertrekpunt dienen voor de beoordeling van de bewijsvraag.

De rechtbank ziet zich – gelet op het door de raadsman gevoerde verweer – thans voor de vraag gesteld of voornoemd handelen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] moet worden aangemerkt als een poging tot zware mishandeling (primair) of een mishandeling (subsidiair) en overweegt daartoe als volgt.

Poging tot zware mishandeling

De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van dit feit is vereist dat de verdachte opzet moet hebben gehad op zwaar lichamelijk letsel bij het slachtoffer, al dan niet in voorwaardelijke zin.

Uit de bewijsmiddelen volgt naar oordeel van de rechtbank dat de verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De verdachte en de medeverdachte hebben minutenlang op het slachtoffer ingetrapt en geslagen. Daarbij hebben zij het slachtoffer veelvuldig tegen het hoofd en lichaam geslagen, gestompt en getrapt. Daarnaast heeft verdachte elleboogstoten op het hoofd van het slachtoffer gegeven. Dat uit de bewijsmiddelen niet volgt dat verdachte tegen het hoofd of andere kwetsbare delen van het lichaam van [slachtoffer] heeft geschopt, zoals door de raadsman is betoogd, doet aan het voorgaande niets af. Evenmin doet aan het voorgaande iets af de omstandigheid dat er niet met knuppels en stokken is geslagen en dat [slachtoffer] geen zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.

Uit algemene ervaringsregels volgt dat dergelijk geweld tegen het lichaam en het hoofd kan leiden tot schade aan vitale organen en de hersenen. De verdachte en zijn medeverdachte moeten zich daarvan bewust zijn geweest. Door op die manier tegen het hoofd te slaan en stompen, en tegen het lichaam van [slachtoffer] te slaan, stompen, schoppen en trappen, heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] daardoor zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

De rechtbank heeft bij het voorgaande meegewogen dat niet vast is komen te staan dat de verdachte of de medeverdachte [verdachte] het slachtoffer in zijn oor heeft gebeten. Aangever heeft weliswaar verklaard dat hij in zijn oor is gebeten maar in de medische verklaring wordt gesproken over oppervlakkig gescheurde huid van het oor en niet van een bijtwond. Op de camerabeelden is niets te zien dat wijst op bijten in het oor van het slachtoffer. Verdachte zal van dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Medeplegen

De rechtbank is van oordeel dat beide verdachten een wezenlijke gezamenlijke bijdrage hebben geleverd aan het delict. De medeverdachte heeft het initiatief genomen tot het gevecht en minutenlang – tezamen met de verdachte – op het slachtoffer in geslagen, gestompt en getrapt. De rollen van de verdachte en zijn medeverdachte waren inwisselbaar en zij hebben beiden een significante rol gehad in de geweldshandelingen. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hieruit dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en de medeverdachte.

Conclusie

De rechtbank acht op grond van het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte zich met zijn handelingen schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde medeplegen van een poging tot zware mishandeling.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

hij op of omstreeks 7 februari 2016 te Den Hoorn, gemeente Midden-Delfland,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), en/of alleen, ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon

genaamd [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,

die [slachtoffer] (meermalen) (met kracht) in het gezicht en/of op/tegen het hoofd

en/of op/tegen het (boven)lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of

geschopt/getrapt (ook toen die [slachtoffer] op de grond lag en in de auto zat)

en/of (met kracht) (een) elleboogsto(o)t(en) op/tegen het hoofd heeft gegeven

en/of (met kracht) in het/een (linker)oor heeft gebeten,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken, met een proeftijd van twee jaren.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om een deels voorwaardelijke werkstraf aan verdachte op te leggen.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van een poging tot zware mishandeling. De verdachte en zijn medeverdachte hebben zich midden in de nacht, op de openbare weg - onder invloed van alcohol – ernstig misdragen. Zij hebben minutenlang op slachtoffer [slachtoffer] in staan beuken, ook toen het slachtoffer zich niet meer kon verweren. Dat het slachtoffer niet daadwerkelijk zwaar letsel heeft opgelopen is te danken aan een van de omwonenden die naar buiten is gekomen en het slachtoffer met geweld heeft moeten ontzetten. De verdachte heeft een ander pijn toegebracht en heeft tevens de lichamelijke integriteit van aangever geschonden. Daarbij komt dat mishandelingen op straat bij het slachtoffer, maar ook bij de omstanders gevoelens van onveiligheid kunnen veroorzaken.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op het uittreksel Justitiële Documentatie van 6 juni 2018 betreffende de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortelijke feiten met politie of justitie in aanraking is gekomen.

De op te leggen straf

De rechtbank houdt rekening met het tijdsverloop tussen het strafbare feit en de behandeling ter terechtzitting. Naar het oordeel van de rechtbank komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden voldoende tot uitdrukking in de door de officier van justitie gevorderde straf. Het bewezenverklaarde misdrijf is echter een misdrijf waarop een gevangenisstraf van zes jaar of meer is gesteld en dat bovendien een ernstige inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer tot gevolg heeft gehad. Artikel 22b van het Wetboek van Strafrecht staat oplegging van een taakstraf dan niet toe, tenzij daarnaast een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van minstens één dag wordt opgelegd. De rechtbank zal aan verdachte daarom naast de door de officier van justitie gevorderde taakstraf een gevangenisstraf opleggen van veertien dagen waarvan dertien dagen voorwaardelijk.

7 De vordering van de benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 600,-, inhoudende immateriële schade.

De rechtbank acht deze vordering als vergoeding ter zake van immateriële schade tot dat bedrag naar billijkheid toewijsbaar, nu vast is komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het primair bewezenverklaarde feit.

De rechtbank zal voorts de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 februari 2016, nu vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met een mededader heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, indien en voor zover de mededader de benadeelde partij betaalt, in zoverre jegens de benadeelde partij van deze betalingsverplichting is bevrijd.

Nu de verdachte jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het primair bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 600,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 22c, 22d, 36f,

45, 47, 63 en 302 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair tenlastegelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

medeplegen van poging tot zware mishandeling;

verklaart het bewezen verklaarde en de verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) DAGEN;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 13 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 120 (honderdtwintig) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (zestig) DAGEN;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] hoofdelijk toe en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan
een bedrag van € 600,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;

legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot
€ 600,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 februari 2016 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 12 dagen;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

bepaalt dat de verdachte bij gehele of gedeeltelijke betaling door zijn mededader aan de benadeelde partij, dan wel bij gehele of gedeeltelijke voldoening van de, aan de mededader opgelegde, verplichting tot betaling aan de staat, zal zijn bevrijd tot de hoogte van het betaalde bedrag.

Dit vonnis is gewezen door

mr. C.W. de Wit, voorzitter,

mr. M.T. Renckens, rechter,

mr. E.C. Kole, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2016037531, van de politie eenheid Den Haag, district Westland - Delft, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 123).

2 Proces-verbaal van uitkijken beelden, p. 72 e.v.

3 Verklaring van verdachte ter terechtzitting van 2 juli 2018.

4 Proces-verbaal van aangifte, p. 15 e.v.