Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8529

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
18.11740
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eritrese. Dublin Italië. Minderjarigheid. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Broer in Nederland. Politieke ontwikkelingen in relatie tot artikel 4 Handvest. Beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11740


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 21 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Italië daarvoor verantwoordelijk is.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, samen met de behandeling van de zaak met nummer NL18.11741, plaatsgevonden op 12 juli 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I. Mouhssen. Tevens was aanwezig [naam1] , eisers voogd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser bezit de Eritrese nationaliteit en stelt te zijn geboren op [geboortedatum] . Hij heeft een asielaanvraag ingediend.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder houdt eiser aan zijn eerder in Italië opgegeven geboortedatum [geboortedatum1] . Uit het Eurodac-systeem is gebleken dat eiser de grens van Italië op illegale wijze heeft overschreden. De Italiaanse autoriteiten hebben desgevraagd geaccordeerd om eiser over te nemen op grond van artikel 13, eerste lid, van de Verordening (EU) Nr. 604/2013 (Dublinverordening).

3. Op wat eiser daartegen aanvoert wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4. Eiser voert aan dat verweerder er ten onrechte van uitgaat dat hij meerderjarig is. Volgens eiser is de door verweerder geuite twijfel over de door hem opgegeven geboortedatum niet voldoende en blijkt uit het rapport ‘Country Report Italy’ van AIDA van 28 februari 2017 dat leeftijdsregistratie in Italië op grote schaal fout gaat.

5. De rechtbank volgt eiser niet in deze stellingen. Op grond van vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) mag verweerder namelijk in beginsel uitgaan van een eerder door een andere lidstaat geregistreerde geboortedatum, behoudens tegenbewijs in de vorm van authentieke identificerende documenten. Nu eiser in Italië als meerderjarig geregistreerd staat en nu hij geen authentieke identificerende documenten heeft overgelegd, mocht verweerder van die registratie uitgaan. Eiser heeft met zijn beroep op het voornoemde rapport van AIDA niet aannemelijk gemaakt dat ten aanzien van Italië niet langer zou kunnen worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank ziet zich hierin gesteund door de uitspraak van de AbRS van 7 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1910.

6. Ten overvloede neemt de rechtbank hierbij nog in aanmerking dat eiser kort na aankomst in Nederland ten overstaan van de vreemdelingenpolitie (AVIM) heeft verklaard dat hij in 2015 van zijn ouders hoorde dat hij zestien jaar oud was. Ook daaruit vloeit voort dat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag op 6 december 2017 meerderjarig was. Eiser heeft deze verklaring gedurende de asielprocedure niet gecorrigeerd. Evenmin heeft eiser hierover desgevraagd ter zitting een bevredigende uitleg kunnen geven met de verklaring dat voor 2015 moet worden gelezen 2017 en dat hij simpelweg op enig moment zonder concrete aanleiding tijdens zijn verblijf in Nederland wilde weten hoe oud hij was en om die reden zijn vader heeft gebeld.

7. Eiser voert verder aan dat het overnameverzoek van verweerder aan de Italiaanse autoriteiten onvolledig is geweest, nu daarin zijn in Nederland aanwezige broer niet is vermeld. Ter zitting is het beroep op artikel 16 van de Dublinverordening losgelaten omdat tussen eiser en zijn broer geen sprake is van een bijzondere afhankelijkheid zoals bedoeld in dat artikel. Eiser meent echter dat de Italiaanse autoriteiten mogelijk van het accorderen van het overnameverzoek hadden afgezien indien zij van het bestaan van zijn broer hadden geweten. De rechtbank is van oordeel dat niet om deze reden kan worden geconcludeerd dat het overnameverzoek onvolledig is geweest. Gelet op de voornoemde omstandigheden, is de aanwezigheid in Nederland van eisers broer immers niet relevant voor het antwoord op de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor het behandelen van zijn asielaanvraag.

8. Ten slotte voert eiser aan dat uit de politieke ontwikkelingen in Europa blijkt dat overdracht aan Italië in strijd is met artikel 4 van het Handvest voor de Grondrechten van de Europese Unie. Eiser wijst erop dat er een Europees topoverleg is georganiseerd over de vluchtelingencrisis en dat de autoriteiten van Italië een schip met migranten hebben geweigerd toe te laten. De rechtbank is van oordeel dat deze grond niet tot aantasting van het bestreden besluit kan leiden, nu ondanks deze ontwikkelingen de Dublinverordening nog onverkort geldt. Daarnaast geven deze ontwikkelingen op zichzelf onvoldoende grond voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen voor asielzoekers in Italië systematische gebreken kennen. De rechtbank neemt in aanmerking dat de Italiaanse autoriteiten ten aanzien van eiser expliciet hebben meegedeeld de behandeling van zijn asielaanvraag over te nemen.

9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.L. Holierhoek, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.