Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8482

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
19-03-2018
Datum publicatie
18-07-2018
Zaaknummer
17.6457
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Irak, geloofwaardigheid bekering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6457


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2018 in de zaak tussen

[naam], eiser

(gemachtigde: mr. A. de Raad),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, daaronder mede begrepen zijn rechtsvoorgangers, verweerder

(gemachtigde: mr. J. van Raak).

Procesverloop

Bij besluit van 14 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. Oublal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum]. Op 13 november 2015 heeft eiser een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Hij heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij vanwege zijn bekering tot het christendom en zijn werk als verkoper van alcohol bij terugkeer voor zijn leven vreest. Eiser heeft zijn land op legale wijze, met gebruikmaking van zijn eigen paspoort, verlaten.

2. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder acht de nationaliteit, identiteit, herkomst en het opgegroeid zijn als moslim van eiser geloofwaardig. Het relaas van eiser over zijn bekering tot het christendom, zijn relatie met [naam1], een christelijke vrouw, zijn werk als alcoholverkoper en de gestelde problemen die daaruit zouden zijn voortgevloeid, acht verweerder niet geloofwaardig. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser tegenstrijdig en wisselend heeft verklaard. Evenmin is gebleken van psychische klachten, die eisers vermogen om te verklaren beïnvloed zouden hebben. Eisers beroep op het traumatabeleid faalt eveneens.

3. Eiser heeft daartegen aangevoerd dat verweerder eisers bekering ten onrechte niet geloofwaardig acht. Eiser had een relatie met een christelijke vrouw en deze relatie zette hem ertoe aan zich te bekeren. Eiser liep vanwege zijn werkzaamheden als verkoper van alcohol eveneens gevaar voor zijn leven. Verder wijst eiser erop dat hij tijdens de gehoren niet consistent heeft kunnen verklaren omdat hij psychische problemen heeft. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser verklaringen van Emergis van 26 juni 2017 en
8 augustus 2017 overgelegd. Verweerder heeft dit ten onrechte niet bij zijn beoordeling betrokken. Eiser beroept zich ook op het traumatabeleid in verband met de dood van zijn broer en zus, die vermoord zijn vanwege hun christelijke geloofsovertuiging. Bij terugkeer vreest eiser een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

De rechtbank oordeelt als volgt.

Het vermogen om een verklaring af te leggen.

4. In de brief van Emergis van 8 augustus 2017 staat vermeld dat het beeld van eiser diagnostisch nog niet helder is omdat er nog maar enkele keren met eiser gesproken is. Eiser staat onder behandeling voor een depressieve stoornis éénmalig en een ongespecificeerde angststoornis. Een posttraumatische stressstoornis wordt zeker niet uitgesloten. De brief van Emergis van 26 juni 2017 bevat enkel afspraakkaartjes. Over eisers vermogen om te verklaren laat Emergis zich niet uit.

5. De rechtbank stelt het volgende vast. De Forensische Medische Maatschappij Utrecht (FMMU) verklaart op 6 juni 2016 dat er geen medische klachten bij eiser zijn geconstateerd of beperkingen die relevant zijn voor het horen en/of beslissen. Eiser heeft tijdens het eerste gehoor van 6 juli 2016 desgevraagd verklaard dat hij in het ziekenhuis opgenomen is geweest, dat er geen problemen meer waren en vervolgens heeft hij alle gestelde vragen beantwoord zonder dat daarbij bleek dat sprake was van lichamelijke of geestelijke beperkingen. Aan het eind zegt eiser in antwoord op de vraag of hij de gehoorambtenaar en de tolk goed heeft kunnen begrijpen: “Ja”. Uit de correcties en aanvullingen van 7 juli 2016 blijkt niet dat wel sprake was van enige beperking bij het afleggen van de verklaringen. Tijdens het nader gehoor van 7 juli 2016 heeft eiser in antwoord op de vraag of hij zich lichamelijk en geestelijk in staat voelde om het gehoor nu te laten plaatsvinden, gezegd: “Ja.” Hij verklaart verder dat hij nog pijn in de borst had, maar geeft ook aan dat hij zich in staat voelde het gesprek te laten plaatsvinden. Vervolgens heeft eiser een uitvoerig gesprek gehad met de gehoorambtenaar (een rapport van 28 pagina’s). Aan het einde van het gesprek heeft eiser verklaard dat hij tevreden was over de manier waarop het gesprek verlopen is.

6. De rechtbank kan uit het voorgaande niet afleiden dat eiser tijdens de gehoren niet in staat was om voldoende coherent, consistent en volledig te verklaren. Gelet op de hierboven weergegeven vaststellingen komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerder de rapporten van eerste en nader gehoor, met inachtneming van de daarbij gegeven correcties en aanvullingen, aan zijn besluitvorming ten grondslag mocht leggen. De verklaringen van Emergis noopten niet tot nader onderzoek van verweerder. De rechtbank acht in dit verband voorts van belang dat de verklaringen van Emergis, anders dan het advies van de FMMU, niet voorafgaande aan de gehoren, maar daarna zijn ingebracht.

De geloofwaardigheid van de bekering

7. Zoals volgt uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling, onder meer de uitspraak van 15 juli 2014, ELCI:NL:RVS:2014:2801) kan verweerder bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een bekering doorslaggevend gewicht toekennen aan de motieven voor en het proces van bekering. Dit geldt temeer indien een vreemdeling - zoals eiser in dit geval - afkomstig is uit een land waar een bekering tot een andere dan de daar gangbare geloofsovertuiging maatschappelijk onacceptabel is (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:888).

8. Uitgaande van bovengenoemde uitgangspunten is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht dat eiser kort voor zijn vertrek uit Irak tot het Christendom is bekeerd en ten gevolge daarvan problemen heeft ondervonden. Niet duidelijk is wat eiser heeft aangetrokken in het christendom en waarom hij heeft besloten om zich te bekeren tot het christendom, noch op basis van welke informatie eiser zich kon verdiepen in het christendom. Eiser heeft verklaard dat hij vanaf 2007 tot begin 2015 wel de behoefte voelde om zich te verdiepen in het christendom (nader gehoor, p. 18), maar dat hij niet terecht kon met vragen bij zijn christelijke vrienden omdat zij geen praktiserende christenen waren. Enkel [naam1], zijn christelijke vriendin, heeft hem verteld over het christelijk geloof. Anderzijds heeft hij echter verklaard dat het christelijke geloof vóór 2015 geen rol in zijn leven speelde (nader gehoor, p. 19), terwijl hij [naam1] al sinds 2013 kende. Eiser heeft evenmin kunnen uitleggen hoe het kan dat hij van een persoon voor wie religie geen rol speelde, veranderde in een persoon die zo overtuigd is van het christendom dat hij zich na een korte periode begin 2015 heeft laten bekeren en dopen. Omdat eiser is opgegroeid binnen de Islam, mag van hem worden verwacht dat hij zich uitdrukkelijk kan uitspreken over zijn keuze voor het christendom. De enkele stelling dat het christendom geloof in één god is, dat eiser na zijn bekering innerlijke rust heeft gevonden en dat Jezus zich heeft opgeofferd voor de mensheid, is hiertoe onvoldoende. Verder is het in dit verband opmerkelijk dat eiser verklaard heeft dat hij voorafgaande aan zijn doop in Nederland weliswaar in de bijbel heeft gelezen maar dat hij zich er niet verder in heeft verdiept (nader gehoor, p. 24). Evenmin kan hij zich de naam van de priester herinneren die hem in Nederland gedoopt heeft, hoewel hij stelt dat hij zeker tien gesprekken met hem gevoerd heeft. Eiser heeft gelet op het voorgaande niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een oprechte bekering. De rechtbank is van oordeel dat eiser over zijn motieven voor en proces van bekering vaag en deels inconsistent heeft verklaard.

Relatie

9. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet ten onrechte getwijfeld aan de geloofwaardigheid van eisers gestelde relatie met [naam1] gelet op eisers inconsistente en tegenstrijdige verklaringen hierover. Tijdens het eerste gehoor (p. 4) heeft eiser verklaard dat hij sinds eind 2013 een relatie heeft met [naam1] en dat hij met haar heeft samengewoond. Tijdens het nader gehoor (p. 15) verklaart eiser dat hij haar heeft leren kennen in januari 2013 en dat zij als man en vrouw samenleefden vanaf 15 juli 2014 tot 21 oktober 2015. Op p. 14 verklaart hij echter dat ze een relatie kregen nadat ze gingen samenwonen. Eiser heeft gesteld dat [naam1] hem gevraagd heeft met haar te trouwen en hij was bereid zich voor haar tot het christendom te bekeren. Nu zij zoveel belang heeft voor eiser is het opmerkelijk dat hij zich slechts haar geboortejaar herinnert, maar niet de maand, noch de dag.

Verkoop van alcohol

10. De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich evenmin ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers gestelde activiteiten als verkoper van alcohol en de problemen, die daaruit voortgevloeid zouden zijn, ongeloofwaardig zijn vanwege tegenstrijdige en wisselende verklaringen. Zo heeft eiser tijdens het eerste gehoor enkel verklaard in de landbouw actief te zijn geweest. Hij heeft dit niet gewijzigd in de correcties en aanvullingen daarop. Gegeven eisers stelling tijdens het nader gehoor dat zijn werk als alcoholverkoper levensgevaarlijk was en een reden was voor zijn vertrek uit Irak, had dit wel verwacht mogen worden. Eiser heeft eveneens wisselend verklaard over zijn bron van inkomsten. Tijdens het eerste gehoor heeft hij verklaard dat hij tot 2014 in de landbouw werkte en ruim verdiende. Tijdens het nader gehoor (p. 6) verklaart hij echter dat het moeilijk was om van de opbrengsten uit de landbouw rond te komen en dat hij daarom genoodzaakt was er werk als verkoper van alcohol naast te verrichten. Dat eiser niet weet welke merken drank hij verkocht (nader gehoor, p. 11), hoewel hij stelt 13 jaar als verkoper van alcohol te hebben gewerkt, doet verder afbreuk aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen. Daarbij komt dat eiser vaag heeft verklaard over de gestelde aanval op zijn zaak en bedreigingen. Niet valt in te zien dat eiser na de aanval zijn zaak sluit, maar kort daarop in dezelfde straat een nieuwe zaak opent ondanks dat eiser stelt dat handelaren in alcohol zijn vermoord en hun zaken in brand gestoken (nader gehoor p. 7, 15, 16), terwijl eiser met dezelfde bedreigingen werd geconfronteerd.

Traumatabeleid

11. Volgens hoofdstuk C2/3.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 kan een asielzoeker op grond van het traumatabeleid in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Het moet dan gaan om daden die zijn veroorzaakt door politieke of militante groeperingen die de feitelijke macht uitoefenen in het land van herkomst of een deel daarvan. De vreemdeling moet dan aanwezig zijn geweest als getuige bij marteling, ernstige mishandeling of verkrachting van naaste familieleden of huisgenoten en hij moet aannemelijk hebben gemaakt dat deze gebeurtenis aanleiding is geweest voor het vertrek uit het land van herkomst. Het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en de reden van vertrek wordt aangenomen, als de asielzoeker binnen zes maanden na de traumatische gebeurtenis het land van herkomst heeft verlaten. Eiser heeft verklaard dat zijn broer en zus ergens in 2010 zouden zijn vermoord vanwege hun christelijke geloofsovertuiging, terwijl hij verder verklaard heeft dat hij Irak op 21 oktober 2015 heeft verlaten. Nu de vertrekdatum van eiser ruim na de termijn van zes maanden ligt, kan het causale verband tussen de traumatische gebeurtenis en de reden van vertrek niet worden aangenomen. Eiser heeft zich immers nog geruime tijd staande kunnen houden in Irak. Eiser komt derhalve evenmin in aanmerking voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op grond van het traumatabeleid.

Slotsom

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M.Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.