Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8477

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
18/343
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

afwijzing aanvraag art. 64 Vw, arrest Korošec, art. 6 EVRM, hoorplicht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/343

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juli 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. L.J. Meijering,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (en diens rechtsvoorgangers), verweerder,

gemachtigde: mr. J.E.P. Pijnenburg.

Procesverloop

Bij besluit van 25 september 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om toepassing van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) afgewezen.

Bij besluit van 16 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 mei 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd.

Overwegingen

1. Op 30 augustus 2017 heeft eiser een aanvraag om toepassing van artikel 64 van de Vw ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij het primaire besluit afgewezen en deze afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd.

2. Aan de afwijzing heeft verweerder de adviezen van Bureau Medische Advisering (BMA) van 2 september 2017 en 29 december 2017 ten grondslag gelegd. In deze adviezen is opgenomen dat eiser maagklachten, psychische klachten (in de vorm van slecht slapen met dromen, schrikachtig wakker worden en angst om te slapen), een bobbeltje bij de navel (door de huisarts als lipoom (vetbult) aangeduid) en obstipatie heeft. Eiser staat voor genoemde klachten onder behandeling van de huisarts en krijgt medicatie voorgeschreven voor zijn maagklachten en stoelgang. Eiser heeft ook kortdurend rustgevende medicatie gebruikt. Het BMA concludeert dat bij het uitblijven van een medische behandeling van eiser geen medische noodsituatie op korte termijn valt te verwachten, omdat de aard en de ernst van de aanwezige klachten daarvoor geen aanleiding geven. Het gaat om, op zich hinderlijke, maar beperkte klachten waaruit geen vergaande gevolgen zullen voortvloeien. Volgens de BMA-arts is eiser in staat is om te reizen met gangbare vervoersmiddelen als boot, trein, bus, auto en vliegtuig. Aanbevolen wordt dat eiser een schriftelijke overdracht van medische gegevens meeneemt en voldoende medicatie om de periode van de reis te overbruggen. Het overgelegde patiëntendossier van eiser biedt volgens het BMA geen aanleiding voor andere conclusies. Verweerder is van mening dat hij zich er in voldoende mate van heeft vergewist dat de advisering naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Er is door eiser geen contra-expertise overgelegd, zodat er geen aanleiding is om met toepassing van artikel 8:47 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) een onafhankelijk deskundige te benoemen. Het arrest Korošec tegen Slovenië van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 8 oktober 2015, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, (hierna: het arrest Korošec) geeft evenmin aanleiding voor het benoemen van een medisch deskundige, omdat de onderhavige procedure niet binnen het bereik van artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) valt. Op grond van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb heeft verweerder afgezien van het horen van eiser.

3. Eiser kan zich niet verenigen met de conclusie van het BMA. Nu de BMA-adviezen van doorslaggevende waarde zijn in verweerders besluitvorming stelt eiser, onder verwijzing naar het arrest Korošec, dat hij recht heeft op een contra-expertise door een onafhankelijke deskundige betaald door verweerder. Uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674, volgt immers dat het uitgangspunt van “equality of arms”, dat aan artikel 6 van het EVRM mede ten grondslag ligt, wel degelijk geldt in de nationale rechtsorde en evenzeer los van die verdragsbepaling. Het bestreden besluit is daarom ondeugdelijk gemotiveerd.

4 Verweerder heeft ter zitting gesteld dat, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2017, niet langer aan eiser wordt tegengeworpen dat artikel 6 van het EVRM niet binnen de nationale rechtsorde van toepassing is. Dit heeft echter geen consequenties voor het bestreden besluit, omdat de besluitvorming zorgvuldig is geweest, eiser de mogelijkheid heeft gehad om de juistheid van de BMA-adviezen te betwisten en eiser van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt.

De rechtbank oordeelt als volgt.

5. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling moet verweerder, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich er op grond van artikel 3:2 van de Awb van vergewissen dat het advies – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. De rechtbank wijst bijvoorbeeld op de uitspraak van 15 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1268). Indien aan deze eisen is voldaan, mag verweerder bij beoordeling van een aanvraag van een zodanig advies uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten aanwezig zijn voor twijfel aan de juistheid of volledigheid ervan.

6. De rechtbank stelt vast dat het BMA bij het opstellen van de advies van 2 september 2017 gebruik heeft gemaakt van informatie van [naam1] , arts/behandelaar bij GCA Goes en het compleet patiëntendossier van 29 augustus 2017.

Bij het opstellen van het advies van 29 december 2017 heeft verweerder medische informatie van de huisarts van eiser van 2 oktober 2017 betrokken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich er voldoende van heeft vergewist dat de BMA-adviezen van respectievelijk 2 september 2017 en 29 december 2017 de conclusie kunnen dragen dat eiser kan reizen en dat bij het uitblijven van medische behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn ontstaat. Daarvoor acht de rechtbank onder andere van belang dat het BMA de door de behandelaars van eiser verstrekte informatie bij de adviezen heeft betrokken en dat het BMA zijn conclusie inzichtelijk heeft gemotiveerd.

7. Anders dan in het arrest Korošec kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden geoordeeld dat eiser niet voldoende gelegenheid heeft gehad om weerwoord te bieden aan de BMA-adviezen. De rechtbank is van oordeel dat eiser voldoende in de gelegenheid is gesteld om stukken van zijn behandelaars in te dienen dan wel de BMA-adviezen te weerspreken met een contra-expertise. Eiser heeft geen contra-expertise overgelegd. Dat hij hiervoor niet de financiële middelen heeft, neemt niet weg dat hij de BMA-adviezen had kunnen betwisten met medische informatie van zijn behandelaars die de conclusie van het BMA weerspreekt. Van deze laatste mogelijkheid heeft eiser geen gebruik gemaakt. Verder noopt het arrest Korošec verweerder niet om de kosten van een contra-expertise voor eiser te vergoeden.

8. Ten aanzien van het beroep op schending van de hoorplicht overweegt de rechtbank dat van het horen in bezwaar slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef, en onder b, van de Awb mag worden afgezien, indien op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de motivering van het primaire besluit en hetgeen eiser daartegen in bezwaar naar voren heeft gebracht is in dit geval aan deze maatstaf voldaan, zodat verweerder van het horen van eiser heeft mogen afzien.

9. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eisers aanvraag om opschorting van zijn vertrek met toepassing van artikel 64 van de Vw, op goede gronden afgewezen.

10. Het beroep is ongegrond.

11. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.P. van Alphen, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.B. Koens, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.