Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8433

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
25-04-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
C/09/537120 / HA ZA 17-832 (voorheen C/09/521159 / HA ZA 16-1244)
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

ontbinding schikkingsovereenkomst - vaststelling hoogte pensioenaandeel - geen sprake van rechtsverwerking - rechtbank gaat voorbij aan beroep op matiging en limitering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/537120 / HA ZA 17-832

(voorheen: C/09/521159 / HA ZA 16-1244)

Vonnis van 25 april 2018

in de zaak van

[eiseres] ,

wonende te [eiseres],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. J.G.J. Elslo te Bilthoven,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [woonplaats] (Verenigd Koninkrijk),

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,

advocaat mr. C.M. Schouten te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 18 oktober 2016, met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie, met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 22 februari 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de conclusie van antwoord in reconventie;

  • -

    het faxbericht met bijlagen d.d. 19 april 2017 van de zijde van [eiseres];

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 9 mei 2017.

1.2.

Ter comparitie van 9 mei 2017 is de zaak in verband met het bereiken van overeenstemming op verzoek van partijen doorgehaald. Nadat de zaak op verzoek van [eiseres] weer is opgebracht op de rol van 13 september 2017, heeft deze een nieuw zaak- en rolnummer gekregen.

1.3.

Het verloop van de procedure blijkt vervolgens uit:

  • -

    de brief met producties d.d. 28 augustus 2017 van de zijde van [gedaagde];

  • -

    de brief met bijlagen d.d. 11 september 2017 van de zijde van [eiseres];

  • -

    de akte houdende vermeerdering van eis in conventie;

  • -

    de ambtshalve beschikking van 18 december 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast;

  • -

    de akte houdende vermeerdering van eis in conventie en overlegging producties;

  • -

    de antwoordakte in conventie tevens akte wijziging van eis tevens akte overlegging van producties;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 13 maart 2018.

1.4.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op het proces-verbaal van comparitie van 13 maart 2018 dat buiten hun aanwezigheid is opgemaakt. Partijen hebben van deze gelegenheid bij brieven van * respectievelijk * gebruik gemaakt. Deze brieven maken onderdeel uit van het procesdossier.

1.5.

Ten slotte is een datum voor het wijzen van vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn op [huw.dd.] met elkaar gehuwd, welk huwelijk op 16 juni 1999 is ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Maastricht d.d. 3 december 1998 in de registers van de burgerlijke stand.

2.2.

[gedaagde] heeft van 16 november 1972 tot 1 december 2007 – en derhalve ook gedurende het huwelijk van partijen – pensioen opgebouwd bij Eurocontrol, gevestigd te Brussel.

2.3.

Partijen hebben op 15 september 2005 een aanvullend alimentatie convenant ondertekend. Zij zijn in artikel 5 van dit convenant het volgende overeengekomen:

“Per 1 december 2007, na het bereiken van zijn pensioengerechtigde leeftijd, heeft de vrouw recht op het aan haar toekomende deel van het pensioen. De man zal, nu dit pensioenbedrag op dit moment niet exact bekend is, dit pensioenbedrag aanvullen met alimentatie, zodat de man in totaal maandelijks aan de vrouw zal blijven betalen tot 1 juli 2011, wanneer de 12 jaarstermijn eindigt, een bedrag van € 1.300,00 aan alimentatie en pensioen tezamen. Dit totale bedrag van € 1.300,00 zal jaarlijks worden geïndexeerd maar voor het eerst per 1 januari 2008.

Na 1 juli 2011, wanneer de 12 jaarstermijn eindigt, heeft de vrouw alleen nog recht op het aan haar toekomende deel van het pensioen.”

2.4.

De rechtbank Maastricht heeft bij beschikking van 9 mei 2006 – voor zover hier van belang – :

  • -

    de man veroordeeld om met ingang van 1 december 2007 het door de vrouw te ontvangen bedrag aan pensioen aan te vullen tot een zodanig bedrag dat de vrouw in totaliteit een bedrag van € 1.300,-- bruto per maand aan inkomsten heeft;

  • -

    bepaald dat de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw eindigt per 1 juli 2011.

2.5.

[gedaagde] is op 1 september 2006 naar het Verenigd Koninkrijk geëmigreerd. Op 1 december 2007 is hij met pensioen gegaan.

2.6.

[gedaagde] heeft tot 1 juli 2011 overeenkomstig voormelde beschikking van de rechtbank Maastricht alimentatie en pensioen aan [eiseres] voldaan.

2.7.

Bij e-mail van 17 mei 2011 heeft [eiseres] [gedaagde] als volgt bericht:

“[..] Ik krijg nog EEN keer. Officieel tot 1 juli, dat is wat ik LEES in de beschikking. Dat staat er toch echt hoor !!... Dat je er nu eindelijke van af wilt snap ik heeeeel goed, afspraak is afspraak….. dus juni nog en dan KLAAR !! he,he….”

2.8.

Na 1 juli 2011 heeft [gedaagde] geen maandelijkse betalingen meer aan [eiseres] verricht.

2.9.

Bij e-mail van 22 juni 2015 heeft [eiseres] [gedaagde] als volgt bericht:

“Onlangs kwam ik in mijn administratie de stukken van de scheiding tegen. De alimentatie is dus gestopt maar dat geldt niet voor het partnerpensioen, want dat had volgens het convenant gewoon door moeten lopen. We hebben er nooit over gesproken, maar ik realiseer me nu dat dit wel iets is wat voor mij belangrijk is. Ik wil graag de zaken eens op een rij zetten voor mijn oude dag. Kun je mij informatie doen toekomen over het gedeelte partnerpensioen dat mij toekomt vanuit jouw pensioen. (het jaaroverzicht van het pensioen van Eurocontrol) [..].”

2.10.

Omdat partijen vervolgens geen overeenstemming konden bereiken over het door [gedaagde] te betalen pensioendeel heeft [eiseres] deze procedure aanhangig gemaakt.

2.11.

Ter comparitie van 9 mei 2017 hebben partijen ter beëindiging van hun geschil een regeling (hierna: de schikkingsovereenkomst) getroffen met de volgende inhoud:

1. Partijen stellen vast dat het aandeel van [eiseres] in het ouderdomspensioen van [gedaagde] een bedrag van € 739 bruto per maand bedraagt, met ingang van 1 juli 2011 jaarlijks vanaf 1 juli te indexeren met de jaarlijks door het CBS gepubliceerde indexering.

2. De advocaten van partijen schakelen in onderling overleg een fiscalist werkzaam bij Ernst & Young of Deloitte en Touche of KPMG in ter verkrijging van een standpuntbepaling met betrekking tot de afgedragen en eventueel terug te ontvangen inkomstenbelasting van [gedaagde] over het verleden aan de belastingdienst in het Verenigd Koninkrijk en de in de toekomst door partijen af te dragen belasting in het Verenigd Koninkrijk en Nederland. Daarbij zal tevens worden onderzocht of een schenking van [gedaagde] aan [eiseres] ter hoogte van het aan haar toekomende pensioendeel over het verleden een voor beide partijen fiscaal gunstige mogelijkheid is. Partijen hebben tot doel dat noch over het verleden, noch voor de toekomst dubbel belasting wordt afgedragen en dat over de betalingen sprake is van een zo laag mogelijke belastingdruk.

3. De kosten van de in te schakelen fiscalist worden gezamenlijk bij helfte door partijen gedragen. Partijen streven ernaar vóór 1 september 2017 standpuntbepalingen te hebben verkregen.

4. Partij [gedaagde] betaalt aan partij [eiseres] het netto equivalent van het achter 1. genoemde geïndexeerde en te indexeren pensioenaandeel, met inachtneming van de standpuntbepalingen van de belastingdienst in het Verenigd Koninkrijk en Nederland zoals achter 2. verwoord.

5. Betaling zal plaatsvinden uiterlijk vóór de eerste dag van de maand op rekeningnummer NL93ABNA0442909810 ten name van M.G.M. [eiseres]. Betaling van het over het verleden af te dragen pensioenaandeel zal plaatsvinden uiterlijk zes weken na verkrijging van de achter 2. genoemde standpuntbepalingen.

6. Partijen hebben na uitvoering van deze regeling met betrekking tot dit geschil in conventie en in reconventie over en weer niets meer van elkaar te vorderen en zullen elkaar ter zake over en weer finale kwijting verlenen.

7. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.

8. Partijen verzoeken doorhaling van de zaak per heden. Zo nodig wordt de zaak opnieuw opgebracht in het geval verschil van inzicht ontstaat over de uitleg en de uitvoering van deze vaststellingsovereenkomst.

2.12.

Per e-mail van 15 mei 2017 heeft de heer [naam 1] mr. Schouten als volgt bericht:

“De taak van mr. Elslo zit erop en alleen ik vertegenwoordig mevrouw [eiseres] weer. Ik verzoek u mij te berichten of u ermee instemt dat ik offertes opvraag bij de die on het P-V vermelde accountantskantoren.”

2.13.

Hierop heeft mr. Schouten per e-mail van 18 mei 2017 als volgt geantwoord:

“Client is ermee akkoord dat u de offertes opvraagt. In uw correspondentie met de accountantskantoren dien ik wel cc te worden opgenomen. Ik verzoek u hen te verzoeken mij in hun mail cc op te nemen. Ik vertrouw erop dat u slechts per mail met de accountantskantoren communiceert.”

2.14.

Vervolgens proberen [gedaagde] en de heer [naam 1] per e-mail op andere wijze overeenstemming te bereiken over de aan [eiseres] te betalen bedragen.

2.15.

Per e-mail van 26 juni 2017 bericht de heer [naam 1] [gedaagde] als volgt:

“Zo komen we er niet uit. We zullen een fiscalist moeten inschakelen zoals afgesproken in het P-V. U dient rekening te houden met een uurtarief van rond de € 450,00, exclusief BTW en kantoorkosten (dus rond de € 570,00 all-in p/u). Ik zal de offertes (nogmaals) opvragen. Akkoord?”

2.16.

Hierop heeft [gedaagde] per e-mail van 28 juni 2017 geantwoord:

“Er is in ieder geval vastgesteld dat ik hier belasting moet betalen over het pensioen (door een belastingdeskundige EN de Engelse belastingdienst) en ik denk dat de Heer [naam 2] duidelijk mogelijkheden aangegeven heeft hoe het verder kan gaan. Mevrouw [eiseres] is dan dus geen belasting verschuldigd in NL. We komen er niet uit omdat U de antwoorden gewoon niet accepteren wilt. Ik hoeft niet naar KPMG nu om voor veel geld weer te horen dat ik in de UK belasting moet betalen. Ik heb nu voor eigen kosten een belasting adviseur met U in contact gebracht en nu moet U iets met de Nederlandse belasting dient of een adviseur arrangeren. [..] Dus ik ben niet akkoord om offertes aan te vragen (overigens zou de helft van de genoemde kosten voor rekening van Mw. [eiseres] zijn).”

2.17.

Vervolgens heeft de heer [naam 1] per e-mail van 28 juni 2017 aan [gedaagde] bericht:

“Mijn cliënte en ik betwisten de juistheid van hetgeen de heer [naam 2] stelt. Zoals gezegd komen we er dus op deze wijze niet uit. Daarom is ter zitting afgesproken op de zaak voor te leggen aan een in het P-V genoemde accountants/fiscalisten. Ik verzoek u daarom nogmaals en nu ten laatste malen om mij uiterlijk nog vandaag te berichten dat u daaraan zult meewerken. Als ik vandaag geen bericht van u ontvang, ga ik ervan uit dat u bij uw standpunt blijft dat u de gemaakte afspraak niet zult nakomen.”

2.18.

Hierop heeft [gedaagde] per e-mail van 28 juni 2017 aan de heer [naam 1] bericht:

“[..] Wat betreft het P-V en wat ter zitting is afgesproken, U was degene die dat daarna niet opvolgde, te duur vond en voorstelde via een andere weg te gaan. Daar ben ik in meegegaan en het moment om dat nu door te zetten is te opportuun, wacht nog op een antwoord van de pensioen sectie EN….het kost nog steeds hetzelfde [..] Ik blijf bij mij standpunt.”

2.19.

Bij e-mailbericht van 30 juni 2017 heeft [eiseres] de schikkingsovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

2.20.

Nadien heeft [eiseres] bij KPMG een adviesaanvraag gedaan. KPMG heeft bij brief van 26 januari 2018 advies uitgebracht. KPMG komt – kort samengevat – tot de conclusie dat door [eiseres] aan [gedaagde] te betalen pensioendeel hoe dan ook belast zal worden met inkomstenbelasting naar progressief tarief.

3 Het geschil

in conventie en in reconventie

3.1.

[eiseres] vordert thans – samengevat en na vermeerderingen van eis – bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

  • -

    te verklaren voor recht dat de ter comparitie van 9 mei 2017 gesloten schikkingsovereenkomst is ontbonden;

  • -

    te verklaren voor recht dat het aandeel van [eiseres] in het ouderdomspensioen van [gedaagde] € 792,75 per maand bedraagt en dat dit bedrag jaarlijks, steeds op 1 juli van elk jaar, dient te worden geïndexeerd, voor het eerst weer op 1 juli 2017;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiseres] € 50.736,07 aan achterstallig pensioen te betalen, te vermeerderen met de na dagvaarding verschenen termijnen;

  • -

    te verklaren voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiseres] te lijden schade als gevolg van de te late betaling van ouderdomspensioen;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de factuur van KPMG ad € 2.515,59;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen om binnen veertien dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis aan [eiseres] € 3.509,00 althans € 1.282,36 aan buitengerechtelijke kosten te betalen;

  • -

    [gedaagde] te veroordelen in de kosten van deze procedure, waarbij voor de dagvaarding 2 punten van het liquidatietarief worden toegekend.

3.2.

[eiseres] legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde] is tekort geschoten in zijn verplichtingen die zijn neergelegd in de schikkingsovereenkomst waardoor deze schikkingsovereenkomst is ontbonden. Bij gebreke van een schikkingsovereenkomst op dit punt heeft [eiseres] overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVP) recht op pensioenverevening.

3.3.

[gedaagde] heeft verweer gevoerd. Tevens vordert hij thans bij vonnis:

primair:

- nakoming van de in artikel 4 en 5 van de schikkingsovereenkomst neergelegde verplichtingen;

subsidiair, indien de schikkingsovereenkomst wordt ontbonden:

  • -

    te verklaren voor recht dat [eiseres] haar recht op pensioen heeft verwerkt;

  • -

    matiging van de aanspraak van [eiseres] op pensioen van [gedaagde] tot nihil, althans tot een bedrag dat de rechtbank juist acht;

  • -

    limitering van het achterstallig pensioenaandeel tot 31 december 2016 primair tot een bedrag van € 10.000,-- subsidiair tot een bedrag dat de rechtbank juist acht;

  • -

    verrekening van door hem te betalen achterstallig en toekomstig pensioen met het achterstallige en toekomstig pensioen dat [eiseres] aan hem dient te betalen, dan wel aflossing van het achterstallig pensioenaandeel in termijnen van maximaal € 1.000,- per maand,

een en ander met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.

3.4.

[gedaagde] voert hiertoe aan dat er geen grond is voor ontbinding van de schikkingsovereenkomst.

3.5.

[eiseres] heeft verweer gevoerd. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

In conventie en in reconventie

4.1.

Partijen hebben – kort samengevat – een geschil omtrent de geldigheid van de schikkingsovereenkomst. De schikkingsovereenkomst betreft de wijze van verevening van het door [gedaagde] tijdens de huwelijksjaren opgebouwde pensioen bij Eurocontrol.

4.2.

Nu [gedaagde] woonachtig is in het Verenigd Koninkrijk, betreft dit een zaak met een internationaal karakter.

Rechtsmacht en relatieve bevoegdheid

4.3.

Er is geen verdrag dat of verordening die de rechtsmacht in deze kwestie regelt.

Daarom dient aan de hand van de bepalingen van afdeling 1 van titel 1 (de artikelen 1 tot en met 14) van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) te worden beoordeeld of de Nederlandse rechter rechtsmacht toekomt.

4.4.

Partijen zijn overeengekomen dat de rechtbank Den Haag bevoegd is om van het onderhavige geschil kennis te nemen. Derhalve komt deze rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 8 Rv rechtsmacht toe en is zij op grond van het bepaalde in artikel 108 Rv relatief bevoegdheid om van de zaak kennis te nemen.

Toepasselijk recht

4.5.

Vaststaat dat het huwelijksvermogensregime van partijen werd beheerst door het Nederlandse recht. Voorts staat vast dat [gedaagde] gedurende het huwelijk pensioenrechten heeft opgebouwd bij Eurocontrol. Omdat de pensioenafdeling van Eurocontrol haar hoofdzetel in Brussel heeft, betreft het hier pensioenrechten ingevolge een buitenlandse pensioenregeling als bedoeld in artikel 1 lid 8 WVP. Het huwelijk van partijen is op 16 juni 1999 ontbonden.

4.6.

Gelet op voorgaande feiten wordt de vraag of en zo ja, in hoeverre [eiseres] recht heeft op een gedeelte van de door [gedaagde] opgebouwde pensioenrechten, beheerst door het Nederlandse recht, omdat Nederlands recht van toepassing was op het huwelijksvermogensregime van partijen, met dien verstande dat de verevening van de bestaande buitenlandse pensioenaanspraken plaats vindt overeenkomstig het bepaalde in artikel 1 lid 8 WVP.

Inhoudelijke beoordeling

4.7.

Partijen hebben hun geschil over de hoogte van het door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen deel van het pensioen zoals bedoeld in artikel 3 WVP aanvankelijk beëindigd door het sluiten van de schikkingsovereenkomst. Thans ligt allereerst de vraag voor of deze schikkingsovereenkomst door [eiseres] rechtsgeldig is ontbonden.

Ontbinding van de schikkingsovereenkomst?

4.8.

De rechtbank stelt voorop dat de ontbinding van een overeenkomst wordt beheerst door artikel 6:265 e.v. BW. Voor ontbinding is vereist dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Bovendien moet sprake zijn van verzuim. [eiseres] heeft de ontbinding gegrond op de tekortkoming in de nakoming van de verplichting van [gedaagde] om in onderling overleg een fiscalist werkzaam bij Ernst & Young of Deloitte en Touche of KPMG in te schakelen ter verkrijging van een standpuntbepaling met betrekking tot de afgedragen en eventueel terug te ontvangen inkomstenbelasting van [gedaagde] over het verleden aan de belastingdienst in het Verenigd Koninkrijk en de in de toekomst door partijen af te dragen belasting in het Verenigd Koninkrijk en Nederland. [gedaagde] heeft dit weersproken. De rechtbank oordeelt als volgt.

4.9.

Vaststaat dat het partijen niet is gelukt om in onderling overleg een fiscalist bij Ernst & Young, Deloitte en Touche of KPMG in te schakelen conform de verplichting neergelegd in artikel 2 van de schikkingsovereenkomst. Partijen hebben aanvankelijk getracht om zonder het inschakelen van een fiscalist tot overeenstemming te komen. In dit kader heeft [gedaagde] bij de belastingdienst van het Verenigd Koninkrijk alsmede bij zijn accountant de heer [naam 2] informatie ingewonnen omtrent de fiscale (on)mogelijkheden in het Verenigd Koninkrijk. Uit deze informatie blijkt kort samengevat dat het gehele door [gedaagde] te ontvangen pensioen in het Verenigd Koninkrijk zal worden belast inclusief het aandeel van [eiseres] hierin en dat pensioenbetalingen van [gedaagde] aan [eiseres] niet fiscaal aftrekbaar zijn. Omdat deze informatie niet leidde tot overeenstemming over het door [gedaagde] aan [eiseres] te betalen pensioenbedrag, heeft de heer [naam 1] [gedaagde] bij e-mailbericht van 26 juni 2017 opnieuw gewezen op de afspraken neergelegd in de schikkingsovereenkomst omtrent het gezamenlijk inschakelen van een fiscalist. Hierop heeft [gedaagde] in zijn e-mailberichten van 28 juni 2017 aan de heer [naam 1] laten weten dat hij hieraan niet (meer) wenste mee te werken.

4.10.

[gedaagde] is op dit punt aldus tekortgeschoten in de nakoming van de verplichting neergelegd in artikel 2 van de schikkingsovereenkomst. Dat sprake is van een tekortkoming die de ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW) is door [gedaagde] weliswaar gesteld, maar niet nader onderbouwd. De overeenstemming zoals neergelegd in de schikkingsovereenkomst had immers tot doel om aan de hand van gezamenlijk gevraagde standpuntbepalingen betreffende de fiscale (on)mogelijkheden in Nederland en het Verenigd Koninkrijk te onderzoeken op welke wijze een zo laag mogelijke belastingdruk zou kunnen worden gerealiseerd. Nu dit doel bij gebreke van een gezamenlijk gevraagde standpuntbepalingen niet kan worden gerealiseerd, kan evenmin een netto equivalent van het bruto pensioenaandeel worden vastgesteld. Hierbij merkt de rechtbank op dat het bedrag dat [gedaagde] als netto equivalent aanmerkt, te weten het bruto pensioenaandeel te verminderen met de door hem hierover in het Verenigd Koninkrijk verschuldigde belasting, geen netto bedrag voor [eiseres] oplevert, nu de pensioenbetalingen van [gedaagde] aan [eiseres] in Nederland nogmaals zullen worden belast met inkomstenbelasting naar progressief tarief. Gelet op het voorgaande rechtvaardigt de tekortkoming van [gedaagde] de ontbinding van de schikkingsovereenkomst.

4.11.

[gedaagde] verkeert voorts sinds 28 juni 2017 in verzuim zonder dat een ingebrekestelling is vereist (artikel 6:83 BW). [eiseres] heeft uit de mededelingen van [gedaagde] in zijn e-mailberichten van 28 juni 2017 immers mogen afleiden dat laatstgenoemde niet meer zou meewerken aan het gezamenlijk inschakelen van een fiscalist. De schikkingsovereenkomst is met het e-mailbericht van 30 juni 2017 dan ook rechtsgeldig ontbonden. De door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht zal daarom worden toegewezen op de wijze zoals in het dictum vermeld. Dit brengt mee dat de vordering van [gedaagde] tot nakoming van de schikkingsovereenkomst zal worden afgewezen.

Vaststelling hoogte pensioenaandeel

4.12.

Partijen hebben in het aanvullend alimentatieconvenant afgesproken dat [eiseres] per 1 december 2007, na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van [gedaagde], recht heeft op het aan haar toekomende deel van het pensioen. Gesteld noch gebleken is dat partijen toepasselijkheid van de WVP nadien hebben uitgesloten zodat [eiseres] op grond van het bepaalde in artikel 2 lid 1 WVP in beginsel recht heeft op verevening van het door [gedaagde] tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen, met dien verstande dat het recht van [eiseres] op uitbetaling hiervan slechts bestaat jegens [gedaagde] nu sprake is van een buitenlands pensioen (artikel 1 lid 8 WVP).

4.13.

Op grond van het bepaalde in artikel 3 lid 1 WVP bedraagt het aan de andere echtgenoot uit te betalen deel de helft van het pensioen dat zou moeten worden uitbetaald indien:

  1. de tot verevening verplichte echtgenoot uitsluitend gedurende de deelnemingsjaren tussen de huwelijkssluiting en het tijdstip van scheiding zou hebben deelgenomen;

  2. hij op het tijdstip van scheiding de deelname beëindigd zou hebben; en

  3. hij tijdens de periode dat hij recht op pensioen heeft gehuwd of geregistreerd zou zijn.

4.14.

Blijkens de brief d.d. 26 augustus 2016 van de afdeling Pay, Pensions and Treasury van Eurocontrol bedraagt het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde pensioen € 1.477,87. De aanspraak van [eiseres] bedraagt de helft van dit bedrag, te weten afgerond € 739,--. Partijen hebben in de schikkingsovereenkomst vastgesteld dat het aandeel van [eiseres] in het ouderdomspensioen van [gedaagde] met ingang van 1 juli 2011 een bedrag van € 739,-- bruto per maand bedraagt, jaarlijks per 1 juli te indexeren met de door het CBS gepubliceerde indexering. Dit bedrag en de te hanteren indexering is nadat de zaak opnieuw is opgebracht niet meer door partijen bestreden zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid daarvan.

4.15.

[gedaagde] is echter van mening dat hij dit bedrag niet aan [eiseres] behoeft te voldoen. Hij beroept zich in dit verband achtereenvolgens op rechtsverwerking, matiging, limitering en verrekening.

Rechtsverwerking?

4.16.

[gedaagde] vordert een verklaring voor recht dat [eiseres] haar recht op pensioen heeft verwerkt. Het e-mailbericht van 17 mei 2011 van [eiseres] aan hem (onder 2.7.) gevolgd door een periode van vier jaar waarin [eiseres] geen aanspraak maakt op betaling van haar pensioendeel, zijn volgens [gedaagde] bijzondere omstandigheden op grond waarvan bij hem het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat [eiseres] haar aanspraak niet meer geldend zou maken. Daar komt bij dat hij onredelijk wordt benadeeld indien [eiseres] haar aanspraak alsnog geldend maakt: het door hem ontvangen pensioen is reeds geconsumeerd en hij heeft zijn leven ingericht op de besteding van het volledige pensioen, aldus [gedaagde].

4.17.

[eiseres] betwist dat zij haar recht op betaling van haar pensioendeel heeft verwerkt. Haar e-mailbericht van 17 mei 2011 aan [gedaagde] zag alleen op het einde van de alimentatieverplichting van [gedaagde] per 1 juli 2011. Verder heeft zij geen enkele handeling verricht waardoor zij haar recht op pensioenverevening zou hebben prijsgegeven.

4.18.

De rechtbank stelt voorop dat het recht van [eiseres] op pensioenverevening voortvloeit uit de WVP. Toepasselijkheid van de WVP kan ingevolge het bepaalde in artikel 2 lid 1 WVP slechts worden uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding. Gesteld noch gebleken is dat partijen toepasselijkheid van de WVP hebben uitgesloten. Partijen hebben in het aanvullend alimentatieconvenant (zie onder 2.3.) opgenomen dat [eiseres] per 1 december 2007, na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van [gedaagde], recht heeft op het aan haar toekomende deel van het pensioen. Tot 1 juli 2011 heeft [gedaagde] het pensioenaandeel van [eiseres] aan haar voldaan welk bedrag hij heeft aangevuld met partneralimentatie tot een bedrag van € 1.300,-- per maand. Toen de alimentatieverplichting van [gedaagde] jegens [eiseres] per 1 juli 2011 ophield te bestaan, is [gedaagde] ook gestopt met de maandelijkse betaling van het pensioenaandeel aan [eiseres]. Gesteld noch gebleken is dat hieraan schriftelijke overeenstemming tussen partijen ten grondslag heeft gelegen.

4.19.

Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het beroep van [gedaagde] op rechtsverwerking niet opgaat, nu het in wezen niet meer inhoudt dan een beroep op enkel tijdsverloop. Uit het e-mailbericht van 17 mei 2011 waar [gedaagde] zich op beroept blijkt immers niet dat [eiseres] hierin haar aanspraak op haar pensioendeel prijsgeeft. Gelet hierop is het enkel verstrijken van een periode van vier jaar onvoldoende om te kunnen spreken van rechtsverwerking. Volgens vaste jurisprudentie is daarvoor immers vereist dat sprake is van bijzondere omstandigheden die naast of in combinatie met dit tijdsverloop bij [gedaagde] het gerechtvaardigd vertrouwen hebben gewekt dat [eiseres] haar aanspraak liet varen. Hierbij is mede bepalend in hoeverre de belangen van [gedaagde] zijn geschaad als gevolg van het verstrijken van de tijd. Omtrent de aanwezigheid van deze bijzondere omstandigheden is echter onvoldoende gesteld of gebleken. [gedaagde] heeft weliswaar gesteld dat hij onredelijk wordt benadeeld indien [eiseres] haar pensioenaanspraak alsnog te gelde maakt, maar hij heeft deze stelling niet deugdelijk onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] als gevolg van betaling van het pensioenaandeel aan [eiseres] in een financiële noodsituatie zou komen te verkeren. De vordering van [gedaagde] op dit punt zal daarom worden afgewezen.

Matiging?

4.20.

[gedaagde] heeft geen gronden aangevoerd die nopen tot matiging van de pensioenaanspraak van [eiseres] tot nihil dan wel tot een bedrag dat de rechtbank juist acht. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te stellen dat het aan [eiseres] te betalen bedrag dient te worden gematigd omdat hij hierover in Engeland belasting verschuldigd is zonder dat de betalingen aan [eiseres] voor hem fiscaal aftrekbaar zijn, gaat de rechtbank hieraan voorbij.

4.21.

De rechtbank stelt in dit verband voorop dat partijen ten tijde van het huwelijk woonachtig waren in Nederland. In Nederland mogen pensioenbetalingen aan een ex-echtgenoot in mindering worden gebracht op het belastbaar jaarinkomen. [gedaagde] is na de scheiding naar het Verenigd Koninkrijk geëmigreerd waar pensioenbetalingen niet fiscaal aftrekbaar zijn. De rechtbank is van oordeel dat de financiële gevolgen van de keuze van [gedaagde] om in een land te gaan wonen met een voor hem minder gunstig fiscaal stelsel niet op [eiseres] mogen worden afgewenteld.

Limitering?

4.22.

[gedaagde] heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat het achterstallige pensioenbedrag op grond van de redelijkheid en billijkheid dient te worden gelimiteerd. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat hij het ontvangen pensioen reeds heeft geconsumeerd en dat zijn leven is ingericht op besteding van het volledige pensioen.

4.23.

De rechtbank stelt voorop dat de redelijkheid en billijkheid iedere regel kunnen beperken. Zij beperken een regel echter slechts voor zover de toepassing daarvan in het concrete geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid kan in een dergelijk geval leiden tot de gehele of gedeeltelijke beperking van (de uitoefening van) een vordering.

4.24.

De rechtbank is van oordeel dat de door [gedaagde] gestelde omstandigheden op zichzelf niet maken dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat [eiseres] aanspraak maakt op de volledige achterstand in pensioenbetalingen. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] door betaling van de volledige achterstand in pensioenbetalingen aan [eiseres] in een financiële noodsituatie zou komen te verkeren. Derhalve gaat de rechtbank ook aan dit verweer van [gedaagde] voorbij.

Verrekening?

4.25.

Tot slot heeft [gedaagde] een beroep gedaan op verrekening. De rechtbank komt tot het oordeel dat ook dit beroep van [gedaagde] niet slaagt. Niet is vast komen te staan dat er sprake is van bedragen die [eiseres] aan [gedaagde] dient te voldoen. De rechtbank overweegt hiertoe dat de stelling van [gedaagde] dat [eiseres] haar AOW-uitkering met hem dient te verevenen geen steun vindt in de wet. Daarnaast heeft [gedaagde] zijn stelling dat [eiseres] pensioen ontvangt dat dient te worden verevend onvoldoende onderbouwd.

Conclusie – achterstallig pensioen en pensioenaandeel per datum dagvaarding.

4.26.

Nu de verweren van [gedaagde] niet slagen is hij op grond van de WVP met ingang van 1 juli 2011 een bedrag van € 739,-- per maand aan [eiseres] verschuldigd welk bedrag jaarlijks per 1 juli dient te worden geïndexeerd met het door het CBS gepubliceerde prijsindexcijfer.

4.27.

Met inachtneming van het voorgaande becijfert de rechtbank de achterstand in de betalingen per datum der dagvaarding (18 oktober 2016) op € 48.989,66 (64 maanden x € 739,-- per maand + een jaarlijkse indexering in juli conform het door het CBS gepubliceerde prijsindexcijfer). De rechtbank zal [gedaagde] veroordelen tot betaling van dit bedrag. De rechtbank merkt in dit verband op dat de door [eiseres] becijferde achterstand van € 50.736,07 niet juist is, nu zij de indexering per datum dagvaarding over de gehele achterstand heeft berekend in plaats van een jaarlijkse indexering toe te passen.

De rechtbank stelt het bedrag dat [eiseres] toekomt op grond van de WVP, na indexering en per 18 oktober 2016 (datum dagvaarding), vast op € 791,81 bruto per maand te betalen door [gedaagde]. Dit bedrag dient jaarlijks te worden geïndexeerd, voor het eerst per 1 juli 2017.

Betaling in termijnen

4.28.

[gedaagde] is van mening dat hij op grond van redelijkheid en billijkheid in de gelegenheid dient te worden gesteld het achterstallige pensioen in termijnen te voldoen van maximaal € 1.000,-- per maand.

4.29.

De rechtbank stelt voorop dat op grond van het bepaalde in artikel 6:29 BW een schuldenaar zonder toestemming van de schuldeiser niet bevoegd is het verschuldigde in gedeelten te voldoen. Hiervan kan worden afgeweken indien betaling ineens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

4.30.

Niet gebleken is dat partijen afspraken hebben kunnen maken over betaling in termijnen. Nu [gedaagde] heeft gesteld noch onderbouwd dat betaling ineens naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, zal zijn vordering op dit punt worden afgewezen. Dit laat onverlet dat het partijen vrijstaat om na het wijzen van dit vonnis alsnog afspraken te maken over de wijze van betaling door [gedaagde].

Aansprakelijkheid schade

4.31.

De rechtbank zal de door [eiseres] gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door haar te lijden schade als gevolg van de te late betaling van haar pensioendeel door [gedaagde] toewijzen. De aansprakelijkheid van [gedaagde] berust op artikel 6:74 BW. Gezien het voorgaande staat vast dat [gedaagde] toerekenbaar tekort is geschoten in de op hem rustende verplichting jegens [eiseres] tot verevening van het door hem ontvangen pensioen van Eurocontrol. Nu [eiseres] voldoende heeft gesteld dat zij als gevolg hiervan schade lijdt, waaronder fiscale schade vanwege de omstandigheid dat de achterstallige bedragen in het jaar van ontvangst als inkomsten zullen worden belast naar progressief tarief, is de aansprakelijkheid van [gedaagde] ex artikel 6:74 BW hiermee gegeven.

Betaling factuur KPMG

4.32.

De rechtbank stelt voorop dat de kosten van het inschakelen van een fiscalist in geval van deugdelijke nakoming van de schikkingsovereenkomst door partijen gezamenlijk bij helfte zouden zijn gedragen.

4.33.

Nadat [eiseres] de schikkingsovereenkomst heeft ontbonden wegens een tekortkoming in de nakoming van de verplichting van [gedaagde] heeft zij ter onderbouwing van haar standpunt KPMG op persoonlijke titel opdracht gegeven tot het geven van advies. De kosten van dit advies ten bedrage van € 2.515,59 heeft zij zelf volledig voldaan. Nu zij hierdoor schade lijdt – immers bij deugdelijke nakoming van de schikkingsovereenkomst zouden de kosten hiervan door partijen worden gedeeld – zal de rechtbank [gedaagde] gezien het bepaalde in de artikelen 6:74 en 6:98 BW veroordelen tot betaling van de helft van de factuur, te weten een bedrag van € 1.257,80.

Buitengerechtelijke kosten

4.34.

De rechtbank stelt vast dat [eiseres] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke incassowerkzaamheden heeft doen verrichten. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten is slechts toewijsbaar, indien deze kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan eveneens redelijk is. De hoogte van het subsidiair gevorderde bedrag is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten welke worden geacht redelijk te zijn. De subsidiaire vordering zal daarom, onder afwijzing van het primair gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten, worden toegewezen.

Proceskosten

4.35.

De rechtbank ziet in het door [eiseres] gestelde onvoldoende aanleiding om – in afwijking van het gebruikelijke beleid in zaken tussen gewezen echtgenoten – [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten in conventie en in reconventie. De rechtbank zal de proceskosten daarom compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5 De beslissing

De rechtbank:

in conventie en in reconventie

5.1.

verklaart voor recht dat [eiseres] de schikkingsovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden met het e-mailbericht van 30 juni 2017;

5.2.

verklaart voor recht dat het aandeel van [eiseres] in het ouderdomspensioen van [gedaagde] per datum dagvaarding (18 oktober 2016) € 791,81 per maand bedraagt en dat dit bedrag jaarlijks op 1 juli dient te worden geïndexeerd met het jaarlijks door het CBS gepubliceerde prijsindexcijfer, voor het eerst op 1 juli 2017;

5.3.

veroordeelt [gedaagde] om binnen veertien dagen na de betekening van dit vonnis aan [eiseres] te voldoen een bedrag van € 48.989,66 aan achterstallig pensioen over de periode van 1 juli 2011 tot de datum der dagvaarding (18 oktober 2016), te vermeerderen met de nadien verschenen termijnen en te verminderen met de nadien door [gedaagde] aan [eiseres] betaalde bedragen;

5.4.

verklaart voor recht dat [gedaagde] aansprakelijk is voor alle door [eiseres] te lijden schade als gevolg van de te late betaling van ouderdomspensioen;

5.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 1.257,80, zijnde de helft van het door KMPG gefactureerde bedrag;

5.6.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiseres] van € 1.282,36 aan buitengerechtelijke incassokosten;

5.7.

compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.8.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de daarin opgenomen veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt en in het openbaar uitgesproken op 25 april 2018, in tegenwoordigheid van de griffier. 1

1 type: 1366