Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8428

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
25-07-2018
Zaaknummer
C/09/537237 / HA ZA 17-838
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

vrachtwagenblokkeringssysteem: er van uitgaande dat sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk, is de beschermingsomvang beperkt nu de vormgeving grotendeels functioneel is bepaald en is geen sprake van inbreuk; het beroep op slaafse nabootsing wordt afgewezen omdat gedaagde heeft gedaan al hetgeen redelijkerwijze van hem verwacht kon worden om verwarringsgevaar te voorkomen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

zaaknummer / rolnummer: C/09/537237 / HA ZA 17-838

Vonnis van 11 juli 2018

in de hoofdzaak en in het incident

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid STERTIL B.V.,

gevestigd te Kootstertille,

eiseres,

advocaat mr. A. van Beelen te Leeuwarden,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

LOADING SYSTEMS INTERNATIONAL B.V.,

gevestigd te Lelystad,

gedaagde,

advocaten mrs. O.F.A.W. van Haperen en L. Varela te Rotterdam.

Partijen zullen hierna Stertil en LSI genoemd worden.

Stertil is ter comparitie bijgestaan door mr. P.E. Mazel te Groningen.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding van 21 juli 2017 met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord van 27 september 2017 met producties;

  • -

    het tussenvonnis van 22 november 2017;

  • -

    het proces-verbaal van comparitie van 29 mei 2018 en de daarin genoemde nadere stukken.

1.2.

Bij brief van 8 juni 2018 is zijdens LSI gereageerd op het buiten aanwezigheid van partijen opgemaakte proces-verbaal van comparitie. Deze brief is aan het proces-verbaal gehecht en maakt daarmee deel uit van het procesdossier.

1.3.

Vervolgens is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Partijen zijn beide aanbieders van producten die het veilig laden en lossen van vrachtwagens faciliteren. De producten waar het in deze zaak om gaat, voorkomen dat een vrachtwagen tijdens het laden en lossen bij een ‘dock’ (laadperron) van een distributiecentrum vroegtijdig wegrijdt.

2.2.

Stertil heeft zowel een Nederlands (NL9302280) als een daarvan afgeleid Europees octrooi (EP0684915) op haar naam staan waarvan de beschermingsduur door afloop van de 20-jaarstermijn eind 2014 is verlopen. Als uitvinder staat op deze octrooien vermeld [X], destijds en thans nog steeds werkzaam voor Stertil. Deze octrooien bevatten verschillende uitvoeringsvormen voor een hydraulisch wielblokkeringssysteem.

2.3.

Stertil heeft in 1994 een vrachtwagenblokkeringssysteem op de markt gebracht onder de naam Combilok. De Combilok en de verschillende onderdelen ervan zijn te zien in de volgende afbeelding:

2.4.

De Combilok werkt als volgt. Na het parkeren van de vrachtwagen (met de achterzijde tegen het laadperron aan) en activatie van het blokkeringssysteem, wordt de blokkeerarm verplaatst over het geleideprofiel waarbij de dunnere geleidebuis telescopisch in de dikkere geleidbuis schuift. Hierdoor wordt de blokkeerarm gepositioneerd tot aan de voorkant van het achterste wiel van de vrachtwagen. Aldaar wordt de blokkeerarm uitgeschoven en aan de voorzijde van dit achterste wiel geplaatst. Wanneer de vrachtwagen na het laden of lossen weg mag rijden, zal de blokkeerarm worden ingeschoven en weer over het geleideprofiel terugkeren naar de uitgangspositie.

2.5.

De Combilok heeft voor een goede werking een aantal andere onderdelen nodig, zoals een besturingskast, een hydraulische unit, verkeerslichten en een externe wielgeleider om de vrachtwagen te helpen bij het parkeren. Een en ander werkt samen via een besturingssysteem. Bij de Combilok wordt een handleiding met ontwerptekeningen geleverd.

2.6.

In 2016 heeft LSI de Powerlock 505NG (hierna: de Powerlock) op de markt gebracht die een vergelijkbare werking heeft als de Combilok.

2.7.

Op de volgende, bij dagvaarding overgelegde, foto’s zijn de Combilok en de Powerlock naast elkaar te zien waarbij de Combilok links en de Powerlock rechts is afgebeeld. Op de eerste afbeelding zijn de systemen zichtbaar vanaf de kant waarvandaan de vrachtwagen (achterwaarts) aan de linkerzijde van het systeem naar het laadperron toe rijdt; de tweede afbeelding toont de systemen gezien vanaf het laadperron waarbij de vrachtwagen rechts van de systemen kan worden gedacht.

2.8.

De besturingskasten van de Combilok (rechts) en de Powerlock (links) zien er als volgt uit, waarbij drie van de zes op de besturingskasten voorkomende pictogrammen zijn uitvergroot1:

3 Het geschil

3.1.

Stertil vordert – samengevat –

in het incident:

- LSI op straffe van een dwangsom te verbieden om hangende de procedure in de hoofdzaak binnen de Europese Unie Powerlocks dan wel daarop gelijkende vrachtwagenblokkerings-systemen te vervaardigen en/of te verhandelen;

in de hoofdzaak:

- LSI te verbieden om binnen de Europese Unie inbreuk op de intellectuele eigendomsrechten van Stertil te maken en/of iedere onrechtmatige handeling jegens Stertil met betrekking tot de Combilok te staken en gestaakt te houden, in het bijzonder door het niet-verhandelen of anderszins exploiteren van de Powerlock;

LSI te veroordelen om

- opgave te doen van haar leveranciers, producenten, tussenpersonen, distributeurs en afnemers met betrekking tot de Powerlock;

- opgave te doen van de door LSI binnen de Europese Unie ingekochte, geproduceerde, bestelde en/of geleverde Powerlock-producten, inclusief een overzicht van de inkoop-/productieprijs en de verkoopprijs;

- opgave te doen van de wijze waarop LSI binnen de Europese Unie reclame heeft gemaakt voor de Powerlock en deze heeft aangeboden;

- een terugroepactie te initiëren;

- afdracht te doen van de door haar genoten winst c.q. de door Stertil geleden schade te vergoeden, nader op te maken bij staat;

een en ander nader deels op straffe van een dwangsom en met veroordeling van LSI in de kosten, waaronder de kosten bedoeld in artikel 1019h Rv2.

3.2.

Stertil voert hiertoe – samengevat – aan dat op de Combilok auteursrecht rust waarvan zij de auteursrechthebbende is en dat LSI met de Powerlock inbreuk maakt op dit auteursrecht, en voorts dat LSI onrechtmatig handelt jegens Stertil omdat de Powerlock onnodig veel op de Combilok lijkt.

3.3.

LSI voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen met veroordeling van Stertil in de kosten van de procedure, wat betreft het auteursrechtelijke deel conform artikel 1019h Rv.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

in de hoofdzaak

auteursrecht

4.1.

Stertil betoogt dat LSI inbreuk maakt op haar auteursrechten op de Combilok. LSI betwist dat sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk omdat – kort gezegd – alle zichtbare elementen van de Combilok louter technisch bepaald zijn en de optelsom geen creatieve meerwaarde heeft. Plaatsing van de onderdelen ten opzichte van elkaar is eveneens louter technisch ingegeven, aldus LSI. Ook betwist LSI dat, als al sprake is van een auteursrechtelijk beschermd werk, Stertil de auteursrechthebbende is. Voorts is volgens LSI geen sprake van inbreuk nu de Powerlock dusdanige verschillen vertoont ten opzichte van de Combilok, dat geen sprake kan zijn van dezelfde totaalindruk.

4.2.

Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest Stokke/H33:

( a) Om voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking te komen, is vereist dat het desbetreffende werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt (vgl. HR 30 mei 2008, LJN BC2153, NJ 2008/556 (Endstra)). Het HvJEU heeft de maatstaf aldus geformuleerd dat het moet gaan om "een eigen intellectuele schepping van de auteur van het werk" (HvJEU 16 juli 2009, nr. C-5/08, LJN BJ3749, NJ 2011/288 (Infopaq I)).

( b) Deze maatstaf geldt evenzeer indien het een gebruiksvoorwerp betreft (vgl. BenGH 22 mei 1987, nr. A 85/3, LJN AK1803, NJ 1987/881 en HR 15 januari 1988, LJN AG5738, NJ 1988/376 (Screenoprints)). Aanleiding voor de veronderstelling dat zulks naar Europees recht anders zou zijn, is er niet.

( c) Dit werkbegrip vindt haar begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect. Elementen van het werk die louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze, zijn van bescherming uitgesloten (vgl. HvJEU 22 december 2010, nr. C-393/09, LJN BP0405, NJ 2011/289 (BSA) en HR 16 juni 2006, LJN AU8940, NJ 2006/585 (Kecofa/Lancôme)).

Daarbij verdient opmerking dat deze uitsluiting van auteursrechtelijke bescherming zich niet uitstrekt tot alle elementen die een technische functie bezitten: daarmee zou de industriële vormgeving ten onrechte buiten het bereik van het auteursrecht geplaatst worden.

( d) Het feit dat het werk voldoet aan technische en functionele eisen laat onverlet dat de ontwerpmarges of keuzemogelijkheden zodanig kunnen zijn dat voldoende ruimte bestaat voor creatieve keuzes van de maker die een werk in auteursrechtelijke zin kunnen opleveren (vgl. HR 8 september 2006, LJN AX3171, NJ 2006/493 (Slotermeervilla's)).

( e) Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van inbreuk op een auteursrecht op een gebruiksvoorwerp dient beoordeeld te worden in welke mate de totaalindrukken van het beweerdelijk inbreuk makende werk en het beweerdelijk bewerkte of nagebootste werk overeenstemmen. De auteursrechtelijk beschermde trekken of elementen van laatstbedoeld werk zijn daarbij bepalend, met dien verstande dat ook een verzameling of bepaalde selectie van op zichzelf niet beschermde elementen, een (oorspronkelijk) werk kan zijn in de zin van de Auteurswet, mits die selectie het persoonlijk stempel van de maker draagt. Bij de vergelijking van de totaalindrukken dienen dus ook onbeschermde elementen in aanmerking te worden genomen, voor zover de combinatie van al deze elementen in het beweerdelijk nagebootste werk aan de "werktoets" beantwoordt. Voorts geldt dat de enkele omstandigheid dat het werk of bepaalde elementen daarvan, passen binnen een bepaalde mode, stijl of trend niet betekent dat het werk of deze elementen zonder meer onbeschermd zijn. Onderzocht moet worden of de vormgeving van de (combinatie van de) verschillende elementen zodanig is dat aangenomen kan worden dat met het ontwerp door de maker op een voldoende eigen wijze uiting is gegeven aan de vigerende stijl, trend of mode (HR 29 december 1995, LJN ZC1942, NJ 1996/546 (Decaux/Mediamax)).

4.3.

De Combilok bestaat uit de sub 2.3 getoonde elementen: de geïntegreerde wielgeleiding, de cilinder, de geleidebuis, het geleideprofiel, de blokkeerarm en de noodstopknop. De blokkeerarm schuift in en uit een huis (waarop de noodstopknop is gemonteerd), dat als apart element kan worden beschouwd. De sub 2.5 genoemde onderdelen maken geen deel uit van het werk waarvoor Stertil auteursrechtelijke bescherming inroept.

4.4.

De rechtbank laat de vraag of de Combilok een auteursrechtelijk beschermd werk is in het midden en zal eerst beoordelen of, indien daarvan wordt uitgegaan en bovendien wordt aangenomen dat Stertil de auteursrechthebbende is, sprake is van inbreuk. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

4.5.

Zowel de cilinder als de noodstopknop wordt kant en klaar elders ingekocht en ook de geleidebuis bestaat uit een elders ingekochte buis waarvan de enige zichtbare bewerking inhoudt het op maat zagen ervan. De buisvorm van de cilinder en de geleidebuis hebben, net als de langwerpige stripvorm van het geleideprofiel, op zich zo’n gangbare vorm dat geen auteursrechtelijke bescherming bestaat. Niet betwist is dat de uitvoering van de noodstopknop grotendeels wordt gedicteerd door veiligheidsnormen en dat de door Stertil (sinds enkele jaren) gebruikte knop een standaardknop is die bij de gemiddelde technische groothandel gekocht kan worden. Daarbij komt dat de afmetingen van het geleideprofiel volledig technisch zijn bepaald, nu het geleideprofiel zorgt voor stabilisatie van de blokkerarm en deze in haar afmetingen daarop moet worden afgestemd (hetgeen volgens de eigen stellingen van Stertil bij de Powerlock is nagelaten). Niet in geschil is dat de blokkeerarm zelf geschikt moet zijn voor verschillende soorten vrachtwagens en vrachtwagenwielen en dat de mogelijke variaties in vormgeving daarmee sterk zijn beperkt. Reeds in het eigen voorbeeld van Stertil, namelijk dat de huidige materialen een licht gebogen blokkeerarm mogelijk maken, ligt besloten dat de vormgeving daarvan technisch is bepaald. Uit het vorengaande vloeit voort dat naar het oordeel van de rechtbank slechts de geïntegreerde wielgeleiding en het huis van de blokkeerarm mogelijk zelfstandig auteursrechtelijk beschermde trekken zijn.

4.6.

Beoordeeld dient dan te worden of de Powerlock een geïntegreerde wielgeleiding en blokkeerarmhuis vertoont, zodanig dat de totaalindrukken van beide systemen overeenstemmen. In dat kader zijn de volgende detail-foto’s4 van belang waarbij steeds links de betreffende onderdelen van de Combilok worden getoond en rechts die van de Powerlock. Foto’s 1 en 2 betreffen de geïntegreerde wielgeleiding en de foto’s 3-6 het blokkeerarmhuis met de noodstopknop.

1 2

3 4

5 6

4.7.

De geïntegreerde wielgeleiding van de Combilok heeft een soort slurfvorm, gevormd door een buis die aansluit op de geleidebuis en vervolgens met een lichte buiging afloopt naar de grond. De geïntegreerde wielgeleiding van de Powerlock wijkt daar volledig van af. Dat is namelijk een afgerond vormgegeven lage stootpaal met daarop aangebracht een rondlopende reflectieband. Daardoor ontstaat het effect van een macaron waarbij de reflectieband de vulling is en de onderste koeklaag dikker is dan de bovenste, die bovendien niet geheel plat is maar licht opbolt. Die macaron-vorm komt terug in het huis van de blokkeerarm, door de vormgeving van de noodstopknop die in het huis is geïntegreerd: de onderste koeklaag loopt langs de schuine zijde van het huis en gaat daar uiteindelijk in over. Als vervolgens de twee systemen als geheel worden bezien, oogt de Powerlock door de vergelijkbare vormgeving van de geïntegreerde wielgeleiding aan de voorkant en het huis van de blokkeerarm met noodstopknop aan de achterkant, als één geheel terwijl bij de Combilok de voor- en achterkant verschillend zijn vormgegeven.

4.8.

Stertil heeft niet heeft betwist dat ook de vormgeving van de geïntegreerde wielgeleiding en het huis van de blokkeerarm in zekere mate technisch bepaald zijn. Dat geldt ook voor de verzameling van de andere sub 4.3 genoemde elementen. Daarmee is de vormgeving van de Combilok als zodanig grotendeels bepaald door de aard van het systeem (functioneel bepaald). Dat brengt mee dat sprake is van een beperkte auteursrechtelijke beschermingsomvang5.

4.9.

De rechtbank is van oordeel dat door de hiervoor sub 4.7 besproken verschillen een zodanig andere totaalindruk ontstaat van de Powerlock ten opzichte van de Combilok, dat LSI – mede gelet op de beperkte beschermingsomvang – met de andere geïntegreerde wielgeleiding en het afwijkende huis van de blokkeerarm voldoende afstand heeft genomen tot de vormgeving van de Combilok. Het beroep van Stertil op auteursrechtelijke bescherming faalt derhalve.

slaafse nabootsing

4.10.

Stertil stelt dat LSI niet voldoende heeft gedaan om verwarringsgevaar te voorkomen. Volgens Stertil had LSI meer mogelijkheden om af te wijken van de Combilok, bijvoorbeeld door het huis anders vorm te geven of de blokkeerarm anders te ontwerpen, het geleideprofiel breder of smaller te maken en te kiezen voor een andere wijze van bevestiging aan de ondergrond of een andere maatvoering. Ook heeft Stertil in het kader van haar beroep op slaafse nabootsing aangevoerd dat de Powerlock werkt op het besturingssysteem van de Combilok en dat de besturingskast van de Powerlock enkele pictogrammen toont die lijken op de pictogrammen die zichtbaar zijn op de besturingskast van de Combilok (zie hiervoor sub 2.8).

4.11.

LSI betwist dat de Combilok een eigen gezicht op de markt heeft en heeft in dat kader op systemen van Hörmann en Securidoc gewezen, alsmede op de omstandigheid dat Stertil verschillende versies van de Combilok verkoopt en varieert in de geïntegreerde wielgeleiding. Voorts betwist LSI dat de Powerlock nodeloos verwarringwekkend is omdat zij voor zover dat technisch mogelijk was, van de Combilok heeft afgeweken, welke verschillen door het publiek zullen worden opgemerkt. Zij doelt dan op de afwijkende geïntegreerde wielgeleiding, het afwijkende huis van de blokkeerarm en de omkasting van de cilinder (bij de Combilok is de cilinder zichtbaar; bij de Powerlock is dat niet zo doordat een omkasting is aangebracht). Zij betwist hetgeen is aangevoerd met betrekking tot de besturingssystemen en de pictogrammen op de besturingskast.

4.12.

De rechtbank stelt voorop hetgeen de Hoge Raad heeft overwogen in het arrest All Round/Simstars (Mi Moneda)6:

3.4.1

Ten aanzien van nabootsing van een stoffelijk product dat niet (langer) wordt beschermd door een absoluut recht van intellectuele eigendom geldt dat nabootsing van dit product in beginsel vrijstaat, zij het dat dit beginsel uitzondering lijdt wanneer door die nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat (HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ6999, NJ 2011/302 (Lego)). Nabootsing op een wijze die nodeloos verwarring veroorzaakt, is een vorm van oneerlijke mededinging, waartegen met een vordering uit onrechtmatige daad kan worden opgekomen. Dit strookt met de in art. 10bis lid 1 en lid 3, onder 1, van het Verdrag van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom (Trb. 1980, 31, hierna: VvP) opgenomen verplichting voor de verdragslanden om bescherming te verlenen tegen oneerlijke mededinging, en uit dien hoofde te verbieden “alle daden, welke ook, die verwarring zouden kunnen verwekken door onverschillig welk middel ten opzichte van de inrichting, de waren of de werkzaamheid op het gebied van nijverheid of handel van een concurrent”.

Eigen gezicht op de markt

3.4.2

Van verwarring ten aanzien van een nagebootst product kan eerst sprake zijn indien dat product een ‘eigen gezicht’ heeft op de relevante markt, dat wil zeggen: zich in uiterlijke verschijningsvorm onderscheidt van andere, gelijksoortige producten op die markt (ook wel ‘het Umfeld’ genoemd). De mate waarin dat product zich dient te onderscheiden van die gelijksoortige producten om bij het verschijnen van nabootsingen ervan een gevaar voor verwarring te kunnen doen ontstaan, hangt onder meer af van de aard en de hoeveelheid gelijksoortige producten die zich op dat moment op de desbetreffende markt bevinden.

(…)

(Nodeloze) verwarring

3.4.4.

Aangezien het verbod op slaafse nabootsing ertoe strekt marktdeelnemers te beschermen tegen oneerlijke concurrentie, gaat het bij de beoordeling van de vraag of de consument een nabootsing zal kunnen verwarren met het nagebootste product, om de invloed van de gelijkenis op diens aankoopbeslissing. Daarbij is bepalend de totaalindruk van elk product en de beschouwing daarvan door een weinig oplettend kopend publiek dat de beide producten meestal niet naast elkaar ziet (HR 7 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0273, NJ 1992/392 (Rummikub)). De rechter die heeft te beoordelen of in een concreet geval, gelet op de totaalindrukken van vergelijkbare producten, sprake is van een (gevaar voor) nodeloze verwarring bij het desbetreffende publiek, dient daarbij alle relevante omstandigheden van dat geval te betrekken. Daarbij behoeft hij niet als regel ervan uit te gaan dat voor de verwarringsvraag aan punten van overeenstemming meer gewicht toekomt dan aan punten van verschil. Eveneens afhankelijk van de omstandigheden van het geval is of en in hoeverre het publiek zich in het kader van een aankoopbeslissing zal laten leiden door de wijze waarop de producten na aankoop (‘post sale’) zijn of worden waargenomen, of (ook) zal letten op onderdelen die bij gebruik niet zichtbaar zijn, en op de verpakking van de diverse producten.

4.13.

Voor zover al moet worden aangenomen dat de Combilok een eigen gezicht op de markt heeft, is de rechtbank van oordeel dat LSI redelijkerwijze alles heeft gedaan wat mogelijk en nodig is om verwarringsgevaar te voorkomen, ook als LSI niet wordt gevolgd in haar betoog dat het relevante publiek weliswaar weinig oplettend doch in ieder geval redelijk geïnformeerd is met betrekking tot op de markt beschikbare vrachtwagen-blokkeringssystemen.

4.14.

Als de reeds in het kader van het auteursrecht genoemde verschillende vormgeving van de geïntegreerde wielgeleiding en het huis van de blokkeerarm al niet aan verwarringsgevaar in de weg zouden staan, dan heeft LSI met het aanbrengen van de omkasting om de cilinder al hetgeen gedaan dat redelijkerwijs van haar verwacht kon worden om verwarring te voorkomen. Het anders vormgeven van de blokkeerarm of het geleideprofiel hebben evenals het aanpassen van de maatvoering technische implicaties waardoor de functionaliteit van het systeem in het geding komt. De rechtbank ziet voorts zonder nadere toelichting niet in hoe aanpassing van de wijze van bevestiging van het systeem aan de ondergrond een aanpassing van de vormgeving betreft. Het huis van de blokkeerarm van de Powerlock is met de hiervoor besproken aanpassingen al zodanig afwijkend van het huis van de Combilok, dat het aanbrengen van nog meer afwijkingen niet nodig is om verwarringsgevaar bij een weinig oplettend publiek, ook als het beide producten niet naast elkaar ziet, te voorkomen.

4.15.

Dit oordeel wordt niet anders door hetgeen Stertil heeft aangevoerd met betrekking tot de besturingssystemen en de drie van zes op de (overigens afwijkende) besturingskast van Stertil aangebrachte pictogrammen, wat overigens door LSI gemotiveerd is weersproken. Nu het besturingssysteem en de besturingskast als zodanig geen onderdeel uitmaken van de Combilok, is zonder nadere toelichting niet duidelijk op welke wijze dit bij zou dragen aan het verwarringsgevaar.

4.16.

Uit het vorengaande vloeit voort dat het beroep op slaafse nabootsing wordt afgewezen.

in het incident

4.17.

Met een verwijzing naar hetgeen in de hoofdzaak is overwogen, wordt de vordering in het incident afgewezen.

in de hoofdzaak en het incident voorts

proceskosten

4.18.

Stertil zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten gemaakt in het kader van de gestelde auteursrechtinbreuk komen in aanmerking voor vergoeding op grond van artikel 1019h Rv. De kosten gemaakt in het kader van het onrechtmatig handelen worden begroot aan de hand van het liquidatietarief.

4.19.

De rechtbank volgt LSI in haar betoog dat het redelijk is om 75% van de bestede tijd toe te rekenen aan het auteursrechtelijke deel, mede omdat de dagvaarding onduidelijk was omtrent de vraag of ook op auteursrechtelijke bescherming van een aantal van de hiervoor sub 2.5 genoemde onderdelen een beroep werd gedaan en daarop in de conclusie van antwoord is ingegaan.

4.20.

LSI heeft een specificatie overgelegd van € 34.652,65 exclusief griffierecht. Nu dat bedrag ook de tijd omvat die is besteed aan het deel van de procedure dat ziet op de gestelde slaafse nabootsing, gaat de rechtbank er vanuit dat de door LSI gemaakte kosten als bedoeld in artikel 1019h 75% daarvan bedragen, derhalve € 25.989,49. De hoogte van die kosten wordt echter in beginsel gemaximeerd door de Indicatietarieven in IE-zaken7 en nu deze zaak moet worden aangemerkt als een daarin bedoelde normale bodemprocedure, wordt in beginsel een bedrag van € 17.500,- exclusief griffierecht als redelijk en evenredig beschouwd. De rechtbank is echter met LSI van oordeel dat zij redelijkerwijze uitvoeriger verweer heeft moeten voeren dan uiteindelijk nodig bleek te zijn, nu eerst ter zitting duidelijk werd hetgeen hiervoor sub 4.19 is overwogen. Daarmee heeft LSI meer tijd aan de zaak moeten besteden dan is verdisconteerd in het toepasselijke indicatietarief, zodat de rechtbank de redelijk en evenredige vergoeding vaststelt op € 20.000.

4.21.

De rechtbank begroot de kosten gemaakt in het kader van het gesteld onrechtmatig handelen op 25% van het toepasselijke liquidatietarief, vast te stellen op 25% van € 904 (tarief II, 2 punten), derhalve € 226.

4.22.

Het vorenstaande leidt ertoe dat Stertil wordt veroordeeld tot het betalen van een proceskostenvergoeding van € 20.844 inclusief griffierecht.

5 De beslissing

De rechtbank

in de hoofdzaak en in het incident

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt Stertil in de proceskosten, aan de zijde van LSI tot op heden begroot op € 20.844;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.

1 Productie 15 bij dagvaarding

2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering

3 HR 22 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY1529, rov. 3.4

4 Foto 2 en 4 zijn afkomstig uit productie 13 zijdens LSI; de andere foto’s zijn afkomstig uit productie 10 bij dagvaarding.

5 Conclusie A-G Verkade vóór Stokke/H3, ECLI:NL:PHR:2013:BY1529, onder 4.15.2; Hof Den Haag 20 februari 2018 (Tafelgashaarden), ECLI:NL:GHDHA:2018:272, onder 37

6 Hoge Raad 19 mei 2017, ECLI:NLHR:2017:938

7 Versie 1 april 2017