Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:839

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
26-01-2018
Datum publicatie
01-02-2018
Zaaknummer
NL17.6609
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Opvolgende aanvraag, Tamil, werkwijze Sri Lankaanse ambassade, risicofactoren, beroep gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6609

uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [datum] 1979,

v-nummer [nummer] ,

van Sri Lankaanse nationaliteit,

eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid

verweerder,

(gemachtigde: mr. P. Boelhouwer).


Procesverloop

Bij besluit van 5 juli 2016 heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000).

Bij uitspraak van 28 juli 2016 van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, is het beroep gegrond verklaard en het besluit van 5 juli 2016 vernietigd (AWB 16/14769).


Bij besluit van 8 augustus 2017 (hierna: het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 1 juli 2016 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.

Op 8 augustus 2017 heeft eiser beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 1 september 2017. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. E. Izaks.

In de tussenuitspraak van 1 september 2017 (hierna: de tussenuitspraak) heeft de rechtbank het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld om het in die uitspraak vermelde gebrek te herstellen.

Verweerder heeft bij brief van 21 september 2017 van de door de rechtbank geboden gelegenheid gebruik gemaakt.

De rechtbank heeft eiser in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze hierop kenbaar te maken. Eiser heeft dit bij brief van 23 oktober 2017 gedaan.

Op 27 oktober 2017 heeft de rechtbank het voornemen kenbaar gemaakt om een nadere zitting achterwege te laten. Op 24 november 2017 heeft eiser verzocht om een nadere zitting.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 10 januari 2018. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft aan zijn huidige opvolgende aanvraag van 1 juli 2016 - samengevat - ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka gegronde vrees heeft voor vervolging dan wel voor een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

Eiser stelt dat sprake is van negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten voor afgewezen asielzoekers, onder wie Tamils. De Sri Lankaanse ambassade heeft in het kader van het verstrekken van laissez-passers gedurende een langere tijd als eis gesteld dat Tamils een kopie van hun asieldossier overhandigen en doet dat nog steeds. De autoriteiten weten dat eiser asiel heeft aangevraagd. Zij hebben hem namelijk gevraagd om zijn asieldossier. Eiser wijst er op dat hij Sri Lanka destijds illegaal is uitgereisd, de Sri Lankaanse autoriteiten betrokkenheid van eiser bij de Liberation Tigers of Tamil Eelam (hierna: LTTE) aannemen en dat hij in Nederland heeft deelgenomen aan demonstraties en Heldendagen. Gelet hierop moet verweerder de risicofactoren en de positie van eiser als terugkerende afgewezen asielzoeker opnieuw onderzoeken. Eiser dient als refugié sur place te worden aangemerkt.

Eiser heeft verklaard dat hij ter onderbouwing van zijn opvolgende aanvraag de volgende documenten en/of informatie heeft overgelegd:

  1. een brief van [werknemer] gericht aan eiser, gedateerd op 10 februari 2016;

  2. een brief van een persoon met de naam [werknemer] ;

  3. een kopie van de identiteitskaart van [werknemer] ;

  4. een verklaring van verlenging van detentie en overplaatsing van [werknemer] ;

  5. een document van het ministerie van Defensie, gedeeltelijk vertaald;

  6. een 16-tal foto’s;

  7. een enveloppe;

  8. geluidsopnames en transcripties van telefoongesprekken met de Sri Lankaanse ambassade.

De documenten van [werknemer] zien volgens eiser op het oppakken, vasthouden en voorwaardelijk vrijlaten van [werknemer] , een werknemer van eiser in Sri Lanka. [werknemer] is opgepakt, omdat hij een werknemer van eiser was. [werknemer] is tijdens zijn detentie gevraagd naar de verblijfplaats van eiser. Dit blijkt uit de brief van [werknemer] aan eiser.

Verder heeft eiser verklaard dat het verkeersongeluk van zijn broer in 2015 (die na een lang ziekbed in 2017 is overleden) en de dood van zijn neef verband houden met het feit dat de Sri Lankaanse autoriteiten op zoek zijn naar eiser.

Uit de door eiser overgelegde geluidsopnamen en transcripties blijkt volgens hem dat de Sri Lankaanse vertegenwoordiging in Nederland hem heeft gevraagd om zijn asieldossier. Ze weten dus dat hij asiel heeft aangevraagd. Uit geluidsopnamen en transcripties blijkt verder dat de vertegenwoordiging andere Tamil asielzoekers hetzelfde vraagt en dat dit nog altijd een vaste werkwijze van de ambassade is.

Dat er voor naar Sri Lanka terugkerende voormalige asielzoekers een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling bestaat, wordt ook bevestigd door het algemeen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Sri Lanka van oktober 2014 en het rapport van de Schweizerische Flüchtlingshilfe (hierna: SFH) van 22 april 2016, aldus nog steeds eiser.

2. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft in haar uitspraak van 28 juli 2016 (AWB 16/14769) in rechtsoverweging 12 het volgende overwogen:

“(…) Verweerder [heeft] de authenticiteit van de aan eisers herhaalde aanvraag ten grondslag gelegde geluidsopnames in twijfel getrokken omdat deze niet zijn opgenomen door objectief verifieerbare en controleerbare bronnen. De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van eiser ligt om de authenticiteit van de geluidsopnames aannemelijk te maken. Onder verwijzing naar rechtsoverweging 11 van de uitspraak van deze rechtbank van

26 juli 2016 (ECLI:NL:RBDHA:2016:8644), is de rechtbank van oordeel dat eiser er in is geslaagd zowel een begin van bewijs van authenticiteit als een begin van bewijs over de gang van zaken bij, en gestelde eisen door de vertegenwoordiging van Sri Lanka in Nederland te leveren. Vervolgens is het op de weg van verweerder gelegen om nader onderzoek naar de authenticiteit van de opnames en de gang van zaken bij de vertegenwoordiging te doen.” Verweerder heeft, zo overweegt de rechtbank in die uitspraak, op basis van de in het bestreden besluit gebezigde motivering ten onrechte geconcludeerd dat eiser geen nova naar voren heeft gebracht.

3. In het nieuw genomen bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser inhoudelijk beoordeeld en afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder g, van de Vw 2000.

4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank vastgesteld dat het bestreden besluit van 8 augustus 2017 een gebrek bevat, nu verweerder de stellingen en documenten onder punten 1 tot en met 7, zoals weergegeven onder rechtsoverweging 1, niet kenbaar bij zijn beoordeling heeft betrokken.

5. De rechtbank blijft bij al hetgeen zij heeft overwogen en beslist in de tussenuitspraak.

6. De rechtbank zal thans beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM.

algemene werkwijze Sri Lankaanse ambassade

7. Ten aanzien van hetgeen eiser heeft aangevoerd over de algemene werkwijze van de Sri Lankaanse ambassade overweegt de rechtbank als volgt.

8. In het arrest van 17 juli 2008, nr. 25904/07, NA. tegen het Verenigd Koninkrijk (hierna: het arrest NA) heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) overwogen dat er specifieke, onderscheidende factoren dienen te zijn die voor aanvrager een reëel risico opleveren op behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Het EHRM somt in het arrest NA een aantal risicofactoren op, die niet op zichzelf maar cumulatief moeten worden beoordeeld. Verweerder heeft in lijn met dit arrest beleid geformuleerd dat asielaanvragen van Tamils uit Sri Lanka worden beoordeeld aan de hand van deze risicofactoren. Een combinatie van twee of meer risicofactoren kan aanleiding zijn om een reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM aan te nemen. Eén van de risicofactoren is dat de Sri Lankaanse autoriteiten ervan op de hoogte zijn geraakt dat de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd in het buitenland.

9. Eiser betoogt dat verweerders beleid inzake de risicofactoren en de positie van terugkerende Tamils opnieuw onderzocht moet worden, omdat bekend is dat de Sri Lankaanse ambassade in het verleden om inzage in asieldossiers van Tamils heeft gevraagd. Eiser stelt dat deze praktijk ongewijzigd is, zij het dat de ambassade tegenwoordig in gesprekken aan Tamils vraagt om te vertellen wat er in hun asieldossier staat. Hieruit blijkt volgens eiser de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten voor afgewezen Tamil-asielzoekers.

10. Dit betoog kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Immers, de omstandigheid dat de Sri Lankaanse autoriteiten ervan op de hoogte zijn geraakt dat een vreemdeling een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft aangevraagd in het buitenland, is in verweerders beleid al als risicofactor opgenomen.

Verder heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank op het standpunt kunnen stellen dat, voor zover uitgegaan zou mogen worden van authenticiteit van de door eiser overgelegde opnames en transcripties, eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het recent of vaststaand beleid is van de ambassade om van terugkerende Tamils inzage in het asieldossier te eisen. De rechtbank ziet geen reden om te twijfelen aan de stelling van verweerder dat zowel de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) als de Internationale Organisatie voor Migratie (hierna: IOM) heeft bevestigd dat deze eis niet meer wordt gesteld door de Sri Lankaanse vertegenwoordiging sinds zij daar met de Sri Lankaanse autoriteiten over hebben gesproken.

11. Zelfs als de door eiser gestelde omstandigheid juist is dat de Sri Lankaanse ambassade nog altijd onderzoek zou verrichten naar in Nederland verblijvende Tamils door hen in gesprekken op de ambassade te vragen of zij asiel hebben aangevraagd, betekent dat niet dat die autoriteiten dan dus per definitie weten dat alle leden van deze groep asiel hebben aangevraagd. Die gestelde wetenschap hangt immers af van de overige feiten en omstandigheden van het individuele geval, meer in het bijzonder het (verdere) verloop van dergelijke gesprekken. Het zou wel een indicatie zijn dat zij geïnteresseerd zijn in de vraag of de betreffende Tamil in het verleden asiel heeft aangevraagd. Dat op zichzelf vormt echter geen risicofactor.

12. Indien in een individueel geval aannemelijk is gemaakt dat de autoriteiten op de hoogte zijn van een eerder ingediende asielaanvraag, is sprake van een risicofactor, die verweerder bij de beoordeling van de asielaanvraag zal moeten betrekken. Het bestaan van deze ene risicofactor maakt echter nog niet dat reeds daaruit kan worden afgeleid dat de Sri Lankaanse autoriteiten de betreffende Tamil zien als activist die een gevaar vormt voor de staat. Daarvoor verwijst de rechtbank naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 20 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2351) en van 23 juli 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2438), waaruit volgt dat uit algemene informatie blijkt dat de Sri Lankaanse autoriteiten inmiddels in staat zijn gewone Sri Lankaanse remigranten, waaronder voormalig asielzoekers, te onderscheiden van activisten die een risico vormen voor de eenheid van Sri Lanka. Met name activisten die een risico vormen voor de eenheid van Sri Lanka staan bij terugkeer in de negatieve aandacht van de autoriteiten.

13. Het beroep van eiser op de door hem gestelde gang van zaken bij de vreemdeling [naam] waaruit volgens eiser de door hem beschreven werkwijze van de Sri Lankaanse ambassade zou blijken, baat hem niet. De rechtbank heeft in de uitspraak van

16 januari 2018 (ECLI:NL:RBDHA:2018:473) geoordeeld - kort samengevat - dat [naam] een begin van bewijs heeft geleverd van de authenticiteit van het door hem op [datum] 2017 in de aanwezigheid van IOM-medewerkers op de ambassade gevoerde gesprek. Het ligt naar het oordeel van de rechtbank op de weg van verweerder om in die zaak (van [naam] ), desgewenst, nader onderzoek te doen naar de authenticiteit van de door [naam] overgelegde gespreksopname, reden waarom de rechtbank het beroep in die zaak gegrond heeft verklaard. De authenticiteit van het betreffende gesprek staat nog niet vast. En zelfs als de inhoud vast komt te staan, kan daaruit, in ieder geval op dit moment, niet uit worden afgeleid dat eisers stelling juist is dat de algemene werkwijze van de Sri Lankaanse ambassade in essentie onveranderd is en reeds daaruit valt af te leiden dat alle naar Sri Lanka terugkerende Tamils als activisten worden beschouwd.

14. Ter onderbouwing van het standpunt van eiser dat Tamils bij terugkeer in de negatieve aandacht van de Sri Lankaanse autoriteiten zullen komen te staan, heeft eiser nog verwezen naar een rapport van UK Home Office van 15 juni 2017, waaruit zou blijken dat Tamils die verdacht worden van betrokkenheid bij de LTTE bij aankomst in Sri Lanka gearresteerd worden. Daarnaast heeft eiser in dit kader verwezen naar een uitspraak van het EHRM van 26 januari 2017 (16744/14, Sri Lanka, X tegen Zwitserland), waarin is geoordeeld dat de Zwitserse autoriteiten onvoldoende hadden onderkend dat een risico op mishandeling aanwezig was bij terugkeer van een vreemdeling naar Sri Lanka.

15. De rechtbank is van oordeel dat uit het rapport van SFH van 22 april 2016 en het rapport van de UK Home Office van 15 juni 2017 niet blijkt dat de situatie voor terugkerende Tamils nu anders zou zijn dan waarvan de Afdeling in de uitspraken van

20 juni 2014 en 23 juli 2015 is uitgegaan, zodat eisers beroep daarop faalt.

16. Eisers beroep op de uitspraak van het EHRM van 26 januari 2017 kan hem evenmin baten. Immers, niet is gebleken dat de situatie van eiser gelijk is aan die van de vreemdeling uit het arrest, die eerder in Sri Lanka zou zijn vastgezet en mishandeld voordat zijn asielaanvraag in Zwitserland werd afgewezen.

17. Anders dan eiser heeft gesteld, doet de uitspraak van het Upper Tribunal van 15 juni 2017 (UKUT00164 IAC) niet af aan de uitspraken van de Afdeling van 20 juni 2014 en 23 juli 2015. De uitspraak van de Upper Tribunal ziet immers op de beoordeling van de risicofactoren gelet op de geloofwaardig geachte banden van die vreemdeling met de LTTE, en ziet niet op het onderscheid dat de Sri Lankaanse autoriteiten kunnen maken tussen terugkerende Tamils naar Sri Lanka.

18. Conclusie van de rechtbank is dat er geen aanleiding bestaat om verweerder op te dragen zijn beleid inzake de risicofactoren en de positie van terugkerende Tamils opnieuw te laten onderzoeken. Eisers betoog faalt.

individuele risicofactoren?

19. Dan is aan de orde hoe verweerder zijn beleid in dit concrete geval heeft toegepast: is er sprake van een combinatie van twee of meer risicofactoren die aanleiding kan zijn om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen?

20. Eiser stelt dat uit de inhoud van een drietal gesprekken tussen eiser en een medewerker van de Sri Lankaanse ambassade, en uit de inhoud van een telefoongesprek van 12 april 2016 tussen een medewerker van de IOM en een medewerker van de Sri Lankaanse ambassade blijkt dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn asielaanvragen in Nederland. Dit levert volgens eiser de eerste risicofactor op. Eiser heeft geluidsopnames en transcripties van deze gesprekken overgelegd.

21. Ter zitting van 10 januari 2018 heeft eiser erkend dat de inhoud van het door verweerder authentiek bevonden telefoongesprek op 12 april 2016 zijn stelling niet onderbouwt, zodat de inhoud ervan geen beoordeling behoeft.

22. De rechtbank stelt vast dat verweerder eiser naar aanleiding van de uitspraak van 28 juli 2016 aanvullend heeft gehoord op 29 mei 2017. In dat gehoor heeft verweerder vragen gesteld over de door eiser gestelde gesprekken met een medewerker van de ambassade waar eiser zich in deze procedure op beroept. Verweerder heeft mede onder verwijzing naar de inhoud van dit gehoor niet ten onrechte overwogen dat eiser zijn stelling dat hij drie keer persoonlijk bij de Sri Lankaanse ambassade is geweest niet heeft onderbouwd met objectieve bronnen. Eiser kan van deze bezoeken namelijk geen schriftelijk of ander bewijs overleggen. Wanneer deze gesprekken zouden hebben plaatsgevonden blijft onduidelijk. Eiser kan zich bovendien niet de naam herinneren van de persoon met wie hij heeft gesproken. Omdat eiser stelt dat hij niet in het bijzijn van een medewerker van de IOM of DT&V naar de ambassade is geweest, heeft verweerder terecht gesteld dat verweerder de gestelde bezoeken aan de ambassade niet bij één van voorgenoemde organisaties kan verifiëren. Verweerder werpt eiser evenmin ten onrechte tegen dat hij om dezelfde reden (het ontbreken van een objectieve derde bij de gesprekken) geen nader onderzoek kan instellen naar de authenticiteit van de gestelde gesprekken en dus niet van de door eiser gestelde inhoud uit kan gaan. Bij deze stand van zaken heeft verweerder eiser in het bestreden besluit niet ten onrechte (opnieuw) tegengeworpen dat hij de authenticiteit van door hem overgelegde gespreksopnames en de gestelde transcripties ervan niet aannemelijk heeft gemaakt.

23. De omstandigheid dat tegen eiser een inreisverbod is uitgevaardigd en dat het verbod is gepubliceerd, leidt niet tot een ander oordeel. Immers, niet aannemelijk is dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn van het inreisverbod en dat, als zij dat wel zijn, zij eiser hierdoor beschouwen als activist.

24. De omstandigheid dat verweerder heeft erkend dat de Sri Lankaanse autoriteiten in het verleden om een kopie van het asieldossier verzochten alvorens een laissez-passer af te geven en de stelling van eiser dat deze praktijk nog steeds gaande is, leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Immers, in de vorige procedures is niet aannemelijk geworden dat eisers asielaanvragen en/of asieldossier bij de Sri Lankaanse autoriteiten bekend is. Zoals hierboven reeds is geoordeeld, heeft eiser dit in de onderhavige procedure evenmin aannemelijk gemaakt.

25. Verweerder heeft zich kortom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten op de hoogte zijn van zijn asielaanvragen in Nederland en van deze door eiser gestelde risicofactor geen sprake is.

26. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank een motiveringsgebrek vastgesteld. Naar aanleiding daarvan heeft verweerder alsnog een inhoudelijk standpunt ingenomen ten aanzien van de punten 1 tot en met 7, zoals weergegeven in rechtsoverweging 1.

27. Ten aanzien van de brieven van [werknemer] , punten 1 en 2, heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat daaraan niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan hecht, nu zij geen echtheidskenmerken bevatten en zij daarnaast niet afkomstig zijn uit objectieve, verifieerbare bron.

28. De documenten genoemd onder punten 3, 4, 5 en 7 van rechtsoverweging 1 heeft eiser enkel in kopie overgelegd, waardoor verweerder heeft mogen overwegen dat zij niet op authenticiteit kunnen worden onderzocht. Daarnaast heeft verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat uit deze stukken geen causaal verband blijkt tussen de gestelde detentie van [werknemer] en eisers gestelde problemen met de Sri Lankaanse autoriteiten. Zo blijkt uit de verklaring van de verlenging van de detentie en overplaatsing dat [werknemer] is gearresteerd wegens betrokkenheid bij het plaatsen van een bom, terwijl eiser heeft verklaard dat hij is gearresteerd omdat hij bij eiser in de winkel heeft gewerkt.

29. Ten aanzien van de overgelegde foto’s onder punt 6 waarop te zien zou zijn dat eiser deelneemt aan demonstraties, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser hiermee nog immer niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Sri Lankaanse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn (geraakt).

30. Ten aanzien van eisers verklaring dat het verkeersongeluk van zijn broer in 2015, die na een lang ziekbed in 2017 is overleden, en de dood van zijn neef verband houden met het feit dat de Sri Lankaanse autoriteiten op zoek zijn naar eiser, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiser voorgaande niet heeft onderbouwd. Eiser heeft eerst ter zitting een originele overlijdensakte van zijn broer getoond. Echter, met verweerder is de rechtbank van oordeel dat, indien al van de echtheid van de overlijdensakte uit moet worden gegaan, eiser hiermee nog immer geen causaal verband heeft aangetoond tussen het overlijden van eisers broer en eisers problemen.

31. De enkele omstandigheid dat eiser op een vals paspoort zou zijn uitgereisd en niet over geldige identiteitsdocumenten beschikt, is onvoldoende voor de conclusie dat eiser hierdoor in de negatieve aandacht van de autoriteiten zal komen te staan. Verweerder heeft in dit kader niet ten onrechte verwezen naar wat is geoordeeld ten tijde van eisers eerste asielaanvraag, hetgeen in rechte vast is komen te staan. Verder verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 26 oktober 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2935).

32. Voor zover eiser heeft willen stellen dat er bij hem sprake is van (nog) meer risicofactoren heeft verweerder terecht geconcludeerd dat eiser geen feiten en omstandigheden aan deze opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd die aanleiding geven om tot een andere conclusie dan in de vijf eerdere asielprocedures te komen.

conclusie

33. Slotsom is dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er bij hem sprake is van een combinatie van twee of meer risicofactoren zoals genoemd in verweerders beleid. Eiser heeft dus niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Sri Lanka een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit van 8 augustus 2017, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb, in stand te laten.

34. De rechtbank acht termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb en verweerder te veroordelen in de door eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1.503 (1 punt voor het beroepschrift, 1,5 punten voor het verschijnen op de zittingen, en 0,5 punt voor het indienen van een schriftelijke zienswijze, met een waarde van € 501 en wegingsfactor 1).

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit van 8 augustus 2017;

  • -

    bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser ten bedrage van € 1.503.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Raat, rechter, in aanwezigheid van mr. T.N.H. Tran, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen één week na de dag van verzending daarvan of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.