Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8366

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
NL18.11139
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afwijzing asielaanvraag van lhbt’er uit Oekraïne. Verhoogde aandacht voor lhbt’ers uit Oekraïne. De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Oekraïne ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en daarom in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Verweerder heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11139


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Paffen),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).


Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandelingAsiel van de zaak NL18.11140, plaatsgevonden op 27 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen L. Anissimoya. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1999 en de Oekraïense nationaliteit te hebben. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij homoseksueel is. Sinds 23 maart 2016 heeft hij een relatie met [persoon X]. De broers van eiser konden niet accepteren dat hij homoseksueel is. [broer 1], één van de broers van eiser, is werkzaam bij de politie en heeft tegen eiser gezegd dat hij alles zal doen zodat eiser bij het leger terecht komt. Eiser heeft meerdere oproepkaarten voor militaire dienst gekregen. Verder heeft eiser verklaard dat hij gedwongen werd om zich uit te schrijven bij de universiteit. Een week later kwamen mensen van het militaire commissariaat langs bij [persoon X] om eiser te zoeken. Eiser heeft zich daarna schuil gehouden in het kunstatelier van [persoon X] en heeft aangifte gedaan bij de politie. Vervolgens heeft eiser met [persoon X] Oekraïne verlaten.

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Eiser verklaart [eiser] te heten, geboren op [geboortedatum] 1999 te [plaats], Burger van Oekraïne te zijn en de Oekraïense nationaliteit te bezitten;

  • -

    Eiser heeft verklaard homoseksueel te zijn en een relatie te hebben met [persoon X];

  • -

    Eiser heeft verklaard dat de reden van zijn vertrek gelegen is in zijn homoseksualiteit in samenhang met het geen gehoor willen geven aan de oproep voor militaire dienst.

3. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: Vw 2000), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder acht de nationaliteit, identiteit, etniciteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Ook acht verweerder de verklaringen van eiser over zijn homoseksuele geaardheid en relatie met [persoon X] geloofwaardig. Verder acht verweerder de verklaringen dat de broers van eiser zijn seksuele geaardheid niet accepteren, dat eiser aangifte heeft gedaan op het politiebureau, dat hij een oproep voor militaire dienst heeft ontvangen en hij niet in militaire dienst wil geloofwaardig. Verweerder stelt zich echter op het standpunt dat Oekraïne aangemerkt dient te worden als veilig land van herkomst, met uitzondering van de gebieden die niet onder de effectieve controle van de centrale autoriteiten staan. Er wordt daarom van uitgegaan dat Oekraïne in de praktijk de verplichtingen uit de relevante mensenrechtenverdragen naleeft. Verweerder meent dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat er aanleiding is om aan te nemen dat Oekraïne ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en daarom niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Er bestaat daarom volgens verweerder geen rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel als genoemd in artikel 29, eerste lid, onder a of b, van de Vw 2000.

4. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser verwijst allereerst naar het nieuwe beleid van verweerder, waarin staat dat verweerder verhoogde aandacht schenkt aan de mogelijkheid dat Oekraïne voor LHBTI’s wellicht geen veilig land van herkomst is. Eiser stelt zich op het standpunt dat het niet duidelijk is op welke wijze deze verhoogde aandacht terugkomt in de individuele beoordeling. Uit de beschikking volgt niet dat de staatssecretaris dit nieuwe beleid heeft toegepast. Ook komt de verhoogde aandacht niet tot uiting in het proces dat tot de beslissing heeft geleid nu eisers aanvraag in spoor 2 is behandeld. Het beleid van verweerder is dan ook niet in lijn met de Procedurerichtlijn en eiser verzoekt daarom de rechtbank om het beleid onverbindend te verklaren. Daarnaast stelt eiser zich op het standpunt dat Oekraïne niet kan worden gezien als een veilig land van herkomst voor burgers die behoren tot de LHBTI-gemeenschap. Eiser stelt dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij terecht geen bescherming heeft gevraagd nu dit bij voorbaat zinloos was. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar enkele algemene stukken, naar zijn individuele situatie en naar het beleid van verweerder zelf, waarin staat dat geweldsincidenten niet worden onderzocht, daders niet worden vervolgd en lokale autoriteiten geen bescherming bieden. Ook meent eiser dat hij voldoende redenen heeft gegeven waarom hij niet in militaire dienst wil en dat dit gerespecteerd dient te worden. Daarnaast voert hij aan dat hij in dienst te maken zal krijgen met discriminatie en mishandelingen. Gelet op het voorgaande stelt eiser dat de beschikking in strijd is met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids- en het motiveringsbeginsel.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

De rechtbank stelt voorop dat door partijen niet is betwist dat Oekraïne, met uitzondering van de gebieden die niet onder de effectieve controle van de centrale autoriteiten staan, door verweerder terecht is aangemerkt als veilig land van herkomst. Partijen verschillen van mening over de vraag of Oekraïne ten aanzien van LHBTI’s als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De rechtbank beantwoord deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.2

Eiser verwijst naar de kamerbrief van de staatssecretaris van 11 juni 2018 (Kamerstukken II, 2017/18, 19637, 2392) en de bijlage bij deze brief, waarbij verweerder het beleid ten aanzien van LHBTI’s in Oekraïne heeft gewijzigd. In deze brief staat dat de staatssecretaris aanleiding ziet om voortaan verhoogde aandacht te schenken aan LHBTI’s in Oekraïne. De rechtbank overweegt dat de omstandigheid dat de staatssecretaris bij de beoordeling van asielaanvragen van vreemdelingen uit Oekraïne verhoogde aandacht vraagt voor LHBTI’s, niet betekent dat voor die groep Oekraïne niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De aanwijzing van een groep die verhoogde aandacht vraagt, heeft slechts tot doel de beslismedewerker erop te wijzen dat bij deze personen de aanwijzing van een veilig land van herkomst in individuele gevallen mogelijk niet kan worden tegengeworpen (zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3605).

5.3

Eiser stelt zich op het standpunt dat Oekraïne niet kan worden gezien als een veilig land van herkomst voor burgers die behoren tot de LHBTI-gemeenschap. De rechtbank overweegt dat voor verweerder de mogelijkheid bestaat om voor één of meer specifieke groepen een uitzondering te maken bij de aanwijzing van een veilig land van herkomst (zie de uitspraak van de Afdeling van 1 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:210). De rechtbank is van oordeel dat verweerder geen aanleiding heeft hoeven zien om voor LHBTI’s in Oekraïne een uitzondering te maken bij de aanwijzing van Oekraïne als veilig land van herkomst. In het voornemen en het bestreden besluit heeft verweerder onder verwijzing naar diverse bronnen uiteengezet dat sinds het aftreden van de regering Janoekovitsj in 2014 er sprake is van voorzichtig positieve ontwikkelingen ten aanzien van de LHBTI-gemeenschap. Verder erkent verweerder dat er volgens objectieve bronnen ontegenzeggelijk nog steeds sprake is van sociale discriminatie van LHBTI’s en dat homofobie nog steeds wijdverspreid is. Deze informatie heeft verweerder onvoldoende kunnen achten om voor LHBTI’s Oekraïne niet langer aan te merken als veilig land van herkomst, hetgeen ook volgt uit de kamerbrief van de staatssecretaris van 11 juni 2018. Eiser heeft geen informatie overgelegd die afwijkt van het beeld dat verweerder in de besluitvorming heeft geschetst en waaruit derhalve zou blijken dat voor LHBTI’s Oekraïne niet langer als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. De documenten die eiser bij brief van 27 juni 2018 heeft overgelegd leiden evenmin tot een ander oordeel nu de gemachtigde van eiser ter zitting uiteen heeft gezet dat deze documenten geen nieuwe informatie bevatten, maar enkel informatie die eerder gebruikt is in de procedure. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de verhoogde aandacht die verweerder aan LHBTI’s in Oekraïne besteedt onvoldoende zou zijn.

5.4

De rechtbank overweegt verder dat het betoog dat uit het bestreden besluit niet volgt dat verweerder het nieuwe beleid heeft toegepast geen doel treft. Verweerder is op alle persoonlijke omstandigheden van eiser ingegaan en heeft deze omstandigheden bij de besluitvorming betrokken. Dat er geen verschil zit tussen het voornemen en het bestreden besluit, maakt het besluit nog niet zorgvuldig. Verweerder heeft namelijk aandacht besteed aan de individuele aspecten van de onderhavige zaak en heeft daarmee overeenkomstig het nieuwe beleid gehandeld. Voor zover eiser heeft willen betogen dat zijn aanvraag gelet op de beleidswijziging van verweerder niet in spoor 2 behandeld had mogen worden, overweegt de rechtbank dat niet gebleken is dat het besluit onzorgvuldig is voorbereid of onvoldoende is gemotiveerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende aandacht besteed aan zowel de algemene situatie voor LHBTI’s in Oekraïne als aan de specifieke omstandigheden van de onderhavige zaak. Niet gebleken is dat eiser onvoldoende gelegenheid heeft gehad om te verklaren en onderbouwen waarom Oekraïne in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden aangemerkt. Eiser heeft evenmin onderbouwd dat in spoor 2 onvoldoende ruimte zou bestaan om (verhoogde) aandacht te besteden aan de individuele omstandigheden van de zaak. De stelling dat het beleid van verweerder in strijd zou zijn met de Procedurerichtlijn, volgt de rechtbank derhalve niet. Gelet op hetgeen onder 5.2, 5.3 en 5.4 is overwogen, acht de rechtbank het beleid van verweerder redelijk.

5.5

De rechtbank overweegt voorts dat het aan eiser is om aannemelijk te maken dat Oekraïne in zijn geval toch niet veilig is (zie de uitspraak van de Afdeling van 14 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2474). De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser hier niet in is geslaagd. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat uit de aangevoerde omstandigheden niet kan worden afgeleid dat het voor eiser gevaarlijk of bij voorbaat zinloos is om bescherming te vragen bij de Oekraïense autoriteiten of andere geëigende instanties. In de bijlage bij de brief van de staatssecretaris van 11 juni 2018 staat dat autoriteiten vaak geen geweldsincidenten tegen LHBTI’s onderzoeken of daders vervolgen en dat de lokale autoriteiten soms faalden in het beschermen van LHBTI’s. Hieruit volgt echter niet dat het in alle gevallen bij voorbaat kansloos zou zijn om de hulp van de Oekraïense autoriteiten in te roepen. In dit geval heeft eiser eenmaal aangifte gedaan bij de politie vanwege de problemen met zijn broer, maar heeft politie niet opgetreden omdat de dreiging niet concreet was. Eiser is niet naar de hogere autoriteiten gestapt en heeft zich evenmin gewend tot een organisatie die opkomt voor de rechten van homoseksuelen. Uit het voorgaande blijkt niet dat het voor eiser niet mogelijk zou zijn om bij voorkomende problemen zich te wenden tot de Oekraïense autoriteiten. Het betoog dat het geen zin heeft om naar de autoriteiten te stappen omdat zijn broer bij de politie werkt en ook andere familieleden hoge rangen hebben binnen de overheid kan niet tot een ander oordeel leiden nu eiser dit betoog niet heeft geconcretiseerd. Wat betreft de dienstplicht overweegt de rechtbank dat zij de stelling dat eiser voldoende redenen heeft gegeven waarom hij niet in militaire dienst wil en dat dit gerespecteerd dient te worden niet volgt. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat iedereen die zich min of meer in dezelfde leeftijdscategorie als eiser bevindt opgeroepen wordt voor militaire dienst. Eiser bevindt zich dan ook niet in een uitzonderingspositie. Dat eiser pacifist is en de dienstplicht tegen zijn principes indruist, is dan ook onvoldoende voor de conclusie dat Oekraïne vanwege de omstandigheid dat hij bij terugkeer wellicht in dienst zal moeten treden geen veilig land is voor eiser. De stelling dat eiser in militaire dienst gediscrimineerd en mishandeld zal worden heeft eiser niet nader onderbouwd, waardoor dit evenmin tot een ander oordeel kan leiden.

6. De rechtbank concludeert dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat Oekraïne ten aanzien van hem zijn verdragsverplichtingen niet nakomt en daarom in zijn geval niet als veilig land van herkomst kan worden beschouwd. Verweerder heeft de aanvraag dan ook terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

7. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.