Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8364

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
NL18.11133
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asielaanvraag van een vreemdeling aan wie de Griekse autoriteiten internationale bescherming hebben verleend. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht in de zogenaamde spoor 2-procedure heeft behandeld. De rechtbank is verder van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Griekenland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank overweegt voorts dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de door hem aangedragen individuele feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht zal komen. Het beroep is ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11133


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. A.H. Noordeloos).


Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11134, plaatsgevonden op 27 juni 2018. Eiser is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1985 en de Palestijnse nationaliteit te hebben. Op 4 juni 2018 heeft eiser onderhavige asielaanvraag ingediend.

2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat eiser op 22 juni 2017 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend in Griekenland en dat de autoriteiten van Griekenland op 23 januari 2018 internationale bescherming hebben verleend aan eiser. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Griekenland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan en dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie terecht zal komen die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag betreffende de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn asielaanvraag niet in spoor 2 maar in de Dublinprocedure behandeld had moeten worden. De keuze voor afdoening in spoor 2 is in strijd met het verbod van willekeur. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar een soortgelijke casus waarin wel is gekozen voor behandeling in de Dublinprocedure. Ook wijst eiser erop dat het in zijn belang is dat door verweerder nader onderzoek wordt verricht en dat de Dublinprocedure meer rechtsbescherming, voorzieningen en waarborgen biedt voor eiser. Daarnaast voert eiser aan dat niet is vastgesteld of eiser wederom tot Griekenland zal worden toegelaten. Verder stelt eiser dat de informatie uit het bestreden besluit haaks staat op de informatie uit het AIDA country report over Griekenland van 2017. Uit dit rapport blijkt dat er geen mogelijkheden zijn voor vreemdelingen om hun bijzondere omstandigheden aan de orde te stellen en dat de situatie van statushouders in Griekenland in de praktijk niet vergelijkbaar is met de Griekse onderdanen. Eiser wijst erop dat er bij hem sprake is van een bijzondere situatie gelet op de gebeurtenissen in Griekenland, de omstandigheid dat hij door een bende is mishandeld en het uitblijven van hulp van de Griekse autoriteiten, zoals de slechte toegang tot medische hulp. Eiser stelt dat er niet naar behoren een toetsing heeft plaatsgevonden van de individuele feiten en omstandigheden die door eiser zijn aangedragen. Ook meent eiser dat hij voldoende inspanningen heeft verricht om te trachten zijn leven in Griekenland op te kunnen bouwen, maar dat dit zonder resultaat was. Gelet op het voorgaande is eiser van mening dat het op de weg van verweerder had gelegen om zijn aanvraag inhoudelijk te behandelen. Tot slot wijst eiser erop dat verweerder ook uit humanitair oogpunt zou kunnen overgaan tot de behandeling van zijn asielaanvraag.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

4.1

De rechtbank is van oordeel dat verweerder de asielaanvraag van eiser terecht in de zogenaamde spoor 2-procedure heeft behandeld. Hiertoe verwijst de rechtbank naar de brief aan de Tweede Kamer van de staatssecretaris van 27 november 2015 (Kamerstukken II, 2015/16, 19 637, 2086), waarin de staatssecretaris het zogenaamde sporenbeleid uiteenzet. In deze brief staat dat spoor 2 is bedoeld voor evident kansarme asielaanvragen, waaronder aanvragen van asielzoekers die reeds elders in de Europese Unie bescherming hebben. Uit het Eurodacresultaat is reeds gebleken dat de Griekse autoriteiten aan eiser internationale bescherming hebben verleend. Deze statusverlening staat eraan in de weg dat eisers asielaanvraag behandeld had moeten worden in de Dublinprocedure. Immers, in de Dublinprocedure wordt vastgesteld welk land het verzoek om internationale bescherming dient te behandelen. Nu Griekenland al op het verzoek van eiser heeft beslist en tot vergunningverlening is overgegaan, is de Dublinverordening niet meer op eiser van toepassing. De enkele stelling dat de Dublinprocedure meer rechtsbescherming, voorzieningen en waarborgen biedt voor eiser, vormt evenmin aanleiding voor een ander oordeel. Dat verweerder nader onderzoek had moeten verrichten volgt de rechtbank niet nu niet gesteld of gebleken is dat eiser onvoldoende heeft kunnen verklaren over de problemen die hij in Griekenland heeft ondervonden. Verder is de rechtbank niet gebleken dat sprake is van strijd met het verbod van willekeur. Uit het document dat eiser ter onderbouwing van dit standpunt bij de zienswijze heeft overgelegd, blijkt onvoldoende dat de zaak waarnaar hij verwijst daadwerkelijk een gelijk geval betrof. Verweerder heeft terecht opgemerkt dat uit het overgelegde document blijkt dat de andere zaak gaat over een persoon die in Italië een verblijfsvergunning op humanitaire gronden heeft. Dit betrof derhalve niet een persoon die reeds in een lidstaat internationale bescherming genoot. De beroepsgrond slaagt niet.

4.2

De rechtbank is verder van oordeel dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van Griekenland niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Verweerder heeft terecht verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1795. In deze uitspraak heeft de Afdeling, kort samengevat, geconcludeerd dat de situatie voor statushouders in Griekenland op onderdelen weliswaar moeilijk is, maar dat de situatie voor statushouders ook weer niet zo slecht is dat sprake is van extreme armoede of ontberingen van eerste levensbehoeften en rechteloosheid waartegenover de Griekse autoriteiten onverschillig zouden staan. De verwijzing naar het AIDA-rapport kan niet tot een ander oordeel leiden nu de Afdeling dit rapport in de uitspraak van 30 mei 2018 heeft betrokken. De niet onderbouwde stelling dat niet vastgesteld is of eiser wederom tot Griekenland kan worden toegelaten treft eveneens geen doel. Immers, nu er vanuit gegaan mag worden dat Griekenland zijn internationale verplichtingen jegens eiser naleeft, impliceert dit dat Griekenland eiser gelet op zijn status opnieuw toegang zal verschaffen.

4.3

De rechtbank overweegt voorts dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser met de door hem aangedragen individuele feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Griekenland in een situatie in strijd met artikel 3 van het EVRM terecht zal komen. Zo heeft eiser verklaard onderdak te hebben gehad en toegang tot de medische voorzieningen. Ook heeft hij na de mishandeling door een bende aangifte kunnen doen bij de Griekse politie. Het betoog dat de hulp van Griekse autoriteiten is uitgebleven en dat de Griekse autoriteiten eiser niet konden of wilden helpen, volgt de rechtbank gelet op het voorgaande niet. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat het voor hem in Griekenland niet mogelijk is om gezinshereniging aan te vragen. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder heeft mogen overwogen dat van eiser verwacht mag worden dat hij meer inspanningen verricht om zijn situatie te verbeteren en om de rechten die voortvloeien uit zijn status te effectueren. Niet gesteld of gebleken is dat eiser zich tot de hogere autoriteiten in Griekenland heeft gewend. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser zich bij voorkomende problemen dient te wenden tot de Griekse autoriteiten. Niet gebleken is dat voor hem deze mogelijkheid niet bestaat.

4.4

Gelet op het voorgaande heeft verweerder geen aanleiding hoeven zien om eisers asielaanvraag inhoudelijk te behandelen of om uit humanitair oogpunt tot behandeling van zijn aanvraag over te gaan.

5. De aanvraag is terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Binnendijk, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.