Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:836

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
29-01-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
SGR 17/301
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ambtshalve aanpassing vergunningvoorschriften; PGS 29

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/301

uitspraak van de meervoudige kamer van 29 januari 2018 in de zaak tussen

Team Terminal B.V., te Rotterdam, eiseres

(gemachtigden: mr. M.G.J. Maas-Cooymans en mr. B. Ebben),

tegen

het college van gedeputeerde staten van Zuid-Holland, verweerder

(gemachtigden: mr. S. Eekhout en ing. J. van Houten).

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2016 (het bestreden besluit) heeft verweerder een aantal voorschriften gewijzigd, die verbonden waren aan de op 15 september 1970, 8 juni 1972, 7 september 1972, 7 september 1972, 14 december 1973, 21 november 1974, 17 april 1975 (Hinderwetvergunningen) en 20 maart 2003 (vergunning krachtens de Wet milieubeheer) aan eiseres verleende vergunningen voor de inrichting aan [adres] te Rotterdam-Europoort.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) als deskundige benoemd. De StAB heeft op 13 juli 2017 een deskundigenbericht uitgebracht.

Eiseres heeft bij brief van 21 augustus 2017 gereageerd. Verweerder heeft bij brief van 15 september 2017 gereageerd.

De StAB heeft op 13 oktober 2017 een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiseres heeft bij brief van 16 oktober 2017 gereageerd op de reactie van verweerder op het deskundigenbericht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 november 2017. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigden. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden, werkzaam bij de DCMR Milieudienst Rijnmond. Namens de StAB zijn verschenen [persoon 1] en [persoon 2]. De zaak is ter zitting gevoegd behandeld met de zaken met kenmerk SGR 17/299 en SGR 17/335. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

1. Eiseres drijft een inrichting ten behoeve van het opslaan en overslaan van aardolie.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder op grond van de artikelen 2.30 en 2.31 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) ambtshalve diverse vergunningvoorschriften aangepast. Verweerder heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu veroorzaakt, gezien de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu, verder moeten worden beperkt. Verweerder heeft bij de bepaling van de beste beschikbare technieken (BBT) rekening gehouden met de Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen 29 “Richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks” uit 2008 (PGS 29:2008). Deze richtlijn is ingevolge artikel 5.4, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor), in samenhang gelezen met de bijlage bij artikel 9.2 van de Ministeriële regeling omgevingsrecht (Mor) in 2010 aangewezen als BBT-document. Omdat PGS 29:2008 niet meer actueel is, heeft verweerder de BBT nader bepaald aan de hand van de Tabel van erkende maatregelen (hierna: de Tabel) behorend bij de brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 15 februari 2016.

3. De rechtbank merkt op dat PGS 29 inmiddels is herzien. In juli 2016 is de eerste herziening gepubliceerd (PGS 29:2016, versie 1.0). In december 2016 (PGS 29:2016, versie 1.1) is daarop een aantal wijzigingen aangebracht. PGS 29:2016, versie 1.1 is per 1 oktober 2017 in het Mor opgenomen als BBT-document (Stcrt. 2017, 53562).

Grondslag bestreden besluit

4.1

Eiseres betoogt dat verweerder niet bevoegd is de vergunning ambtshalve te actualiseren met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, gelezen in samenhang met artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo, omdat wijziging van de PGS 29 dan wel de Tabel niet is aan te merken als de ontwikkeling van technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu. PGS 29:2008 was bovendien al voor de verlening van de vergunning van 27 april 2010 als BBT-document in het Mor aangewezen. Voor zover de vergunningvoorschriften in het bestreden besluit zijn gebaseerd op PGS 29:2008, had verweerder deze voorschriften dus bij de vergunning van 27 april 2010 moeten opnemen. Dit kan niet alsnog bij de onderhavige vergunning. Eiseres verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 17 augustus 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:2245). Eiseres stelt zich subsidiair op het standpunt dat verweerder per vergunningvoorschrift had moeten motiveren of sprake is van een nieuwe technische ontwikkeling. Verder heeft verweerder ten onrechte geen maatwerk geleverd.

4.2.1

In 2013 is gestart met het actualiseren van PGS 29:2008, omdat deze richtlijn niet meer direct toepasbaar was en een aantal onjuistheden en onduidelijkheden bevatte. In het kader van die procedure hebben deskundigen van het bedrijfsleven en de overheid onder de verantwoordelijkheid van de PGS Programmaraad met inbreng van een onder het Brzo+ functionerende stuurgroep op basis van nieuwe inzichten overeenstemming bereikt over een aantal te wijzigen voorschriften. Deze zijn opgenomen in de Tabel. Daarin zijn voorschriften geactualiseerd, verduidelijkt en specifieker gemaakt en wordt verwezen naar de juiste en geactualiseerde normen. Voorts is een aantal voorschriften uit PGS 29:2008 niet meer opgenomen.

4.2.2

De rechtbank is op grond van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat de voorschriften die zijn opgenomen in de Tabel de meest recente ontwikkelingen weergeven op het gebied van de bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks en zijn aan te merken als de meest recente technische ontwikkelingen tot bescherming van het milieu. De Tabel biedt daarmee voldoende grondslag voor ambtshalve wijziging van de vergunningvoorschriften op grond van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo. Dat blijkens de lijst van non‑consensus maatregelen behorende bij de brief van de staatssecretaris van 15 februari 2016 niet over alle voorschriften uit de Tabel overeenstemming tussen het bedrijfsleven en de overheid is bereikt, brengt als zodanig niet met zich dat deze voorschriften niet als BBT kunnen worden beschouwd. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat om BBT te kunnen vaststellen, niet is vereist dat daarover algehele overeenstemming bestaat. Voorts is niet gebleken dat de maatregelen in hun algemeenheid onuitvoerbaar zijn of een onuitvoerbare last voor de bedrijfstak met zich brengen.

4.3

De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet is gehouden bij een dergelijke grootschalige actualisering per vergunningvoorschrift te motiveren dat sprake is van een technische ontwikkeling. De maatregelen in de Tabel vormen het resultaat van voortschrijdend inzicht in het treffen van de noodzakelijke maatregelen om een zogenoemd Buncefieldscenario te voorkomen en veiligheidsrisico’s te beheersen en dienen meer in het algemeen de bescherming van het milieu. Deze maatregelen vormen een samenhangend geheel, dat vertaald is naar de bij het bestreden besluit aan de vergunning verbonden voorschriften. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder bij de motivering of een voorschrift, gelet op de ontwikkeling van de technische mogelijkheden tot bescherming van het milieu is geïndiceerd, heeft kunnen volstaan met de algemene verwijzing naar de Tabel. Voorts heeft eiseres niet toegelicht welke maatregelen in de Tabel identiek zijn aan de in PGS 29:2008 opgenomen voorbeeldvoorschriften. Reeds daarom gaat de rechtbank voorbij aan haar betoog dat verweerder de bestreden voorschriften reeds bij de vergunning van 27 april 2010 had moeten voorschrijven en thans niet bevoegd is de vergunning ambtshalve te actualiseren.

4.4

Het betoog van eiseres dat de vergunning onvoldoende is toegespitst op de voor haar van toepassing zijnde situatie slaagt evenmin. Niet is gebleken dat verweerder ten onrechte de PGS 29 op de inrichting van eiseres van toepassing heeft geacht. Indien eiseres van mening is dat een bepaald voorschrift niet (onverkort) op haar inrichting dan wel een bepaalde tank van toepassing zou moeten zijn, staat het haar vrij daartoe argumenten naar voren te brengen, zoals zij dat in deze procedure ook heeft gedaan, dan wel gelijkwaardigheid aan te tonen van de in haar inrichting aanwezige afwijkende voorzieningen.

4.5

Gelet op het bovenstaande, is de rechtbank van oordeel dat verweerder bevoegd was de vergunning ambtshalve te wijzigen met toepassing van artikel 2.31, eerste lid, aanhef en onder b, in samenhang gelezen met artikel 2.30, eerste lid, van de Wabo.

Verwijzingen naar de NFPA-normen

5.1

Eiseres betoogt dat diverse vergunningvoorschriften tot rechtsonzekerheid leiden omdat wordt verwezen naar normen van de National Fire Protection Association (NFPA), zonder nadere concretisering welke delen van deze norm van toepassing zijn. Zij verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 september 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN7026) waaruit volgt dat alleen met een verwijzing naar een ander document kan worden volstaan als voldoende duidelijk is welke verplichtingen in het concrete geval daaruit voortvloeien. Als dit onduidelijk is, zijn de voorschriften in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel dat eist dat de verplichtingen die voortkomen uit vergunningvoorschriften duidelijk en niet voor meerderlei uitleg vatbaar zijn. Vanwege de omvang, keuzemogelijkheden en mogelijke tegenstrijdigheden van de NFPA-normen met het bestreden besluit, had het op de weg van verweerder gelegen in de vergunningvoorschriften te specificeren welke elementen van de NFPA-normen concreet van toepassing zijn. Eiseres stelt dat de uitvoeringspraktijk van de normen voor haar helder is en dat verweerder heeft erkend dat bedrijven zelf het beste weten hoe met de normen moet worden omgegaan. Zij kan er echter niet op vertrouwen dat verweerder in het kader van toezicht en handhaving ook afgaat op de uitvoeringspraktijk van eiseres. Omdat de NFPA-normen zeer omvangrijk zijn, is het voor eiseres niet mogelijk alle mogelijke problemen vooraf te signaleren.

5.2

Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verwijzen naar NFPA-normen in vergunningvoorschriften een internationaal aanvaarde werkwijze is. Reeds in de voorbeeldvoorschriften van PGS 29:2005 werd in zijn algemeenheid naar NFPA-normen verwezen. Voorts bestrijdt verweerder dat in het bestreden besluit integraal wordt verwezen naar NFPA-normen. In de vergunningvoorschriften is bepaald welk NFPA-normblad gebruikt moet worden en voor welk doel. Een dergelijke verwijzing is voldoende duidelijk voor de bij eiseres werkzame deskundigen op het gebied van brandveiligheid. Omdat de inrichting van eiseres over diverse brandveiligheidsvoorzieningen beschikt, is ervoor gekozen om niet voor elke voorziening naar specifieke onderdelen van NFPA-normbladen te verwijzen, maar algemene doelen te formuleren (bijvoorbeeld de benodigde hoeveelheid koelwater of schuimvormend middel) en van daaruit naar de NFPA-normen te verwijzen.

5.3

De StAB stelt in het deskundigenbericht vast dat de door eiseres bestreden vergunningvoorschriften zijn gebaseerd op de Tabel en PGS 29. In alle versies van deze richtlijn wordt verwezen naar integrale normen en richtlijnen als de NFPA, hoewel de verwijzing in sommige gevallen is verbijzonderd. De normen waarnaar in de vergunningvoorschriften is verwezen, voorzien veelal in een breed palet aan keuzemogelijkheden, toepassingsgebieden of scenario’s. Daardoor kunnen bij de handhaving discussies ontstaan over de interpretatie of over welk onderdeel van toepassing is.

5.4

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in zijn algemeenheid heeft kunnen volstaan met de verwijzingen naar de NFPA-normen. In de door eiseres bestreden vergunningvoorschriften, waarin wordt verwezen naar deze normen, wordt aangegeven op welke specifieke installaties binnen de inrichting zij van toepassing zijn en wordt het te bereiken doel geconcretiseerd. Hierdoor wordt voldoende duidelijk welke verplichtingen uit het vergunningvoorschrift voortvloeien. Het voert te ver om van verweerder te eisen in elk vergunningvoorschrift en per (onderdeel van de) installatie in de inrichting nader te concretiseren aan welke (sub)onderdelen van de NFPA-normen moet worden voldaan. Dat de handhaving sinds enige jaren is verscherpt, zoals eiseres betoogt, maakt dit niet anders. Door eiseres zijn ook geen concrete voorbeelden genoemd van situaties waarin handhavend is opgetreden door verweerder en sprake was van een dergelijke verwijzing naar een NFPA-norm.

Vergunningvoorschriften

6.1

Eiseres kan zich niet verenigen met de vergunningvoorschriften 2.4.1, 2.12.2, 2.14.1, 4.2.1 en 4.8.1 omdat deze (deels) zien op tanks met een vast dak. Binnen de inrichting is één tank (nummer [nummer]) met een vast dak aanwezig. Deze tank heeft evenwel een maximale inhoud van 60 m3, terwijl PGS 29 in beginsel niet van toepassing is op tanks met een opslagcapaciteit van minder dan 150 m3. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom deze tank toch onder het toepassingsbereik van de richtlijn is gebracht.

6.2

Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij er op basis van de gap-analyse van eiseres van is uitgegaan dat PGS 29 ook op tank [nummer] van toepassing is. De vergunningvoorschriften waarop eiseres doelt, kunnen niet zonder meer vervallen of worden aangepast, omdat niet kan worden uitgesloten dat voor deze vaste tank alsnog bepaalde voorschriften moeten gelden.

6.3

De rechtbank overweegt dat PGS 29:2016 blijkens de toelichting op het toepassingsbereik in paragraaf 1.3 in beginsel niet van toepassing is op installaties voor vloeistoffen met een tankopslagcapaciteit kleiner dan 150m3. Daarbij is vermeld dat de richtlijn kan worden toegepast op tanks met een inhoud van minder dan 150m3 die zijn geconstrueerd conform PGS 29 en die bestemd zijn voor de opslag van vloeistoffen binnen het gedefinieerde toepassingsgebied. Hieruit leidt de rechtbank af dat PGS 29 mogelijk van toepassing is op tank [nummer], afhankelijk van de constructie en van de vloeistof(fen) die daarin wordt of worden opgeslagen. Nu de vergunningvoorschriften zijn opgesteld op basis van informatie van eiseres ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep op dit punt gegrond te verklaren en het bestreden besluit, wat de genoemde voorschriften betreft, gedeeltelijk te vernietigen. Overigens merkt de rechtbank op dat eiseres ter zitting heeft verklaard dat zij bereid is om nadere informatie te verstrekken over tank [nummer]. Aan de hand daarvan kan verweerder te zijner tijd beoordelen of de vergunningvoorschriften 2.4.1, 2.12.2, 2.14.1, 4.2.1 en 4.8.1 kunnen worden aangepast of (deels) geschrapt.

7. Eiseres heeft ter zitting haar beroepsgronden tegen vergunningvoorschrift 1.1.1 en 2.15.2 ingetrokken. Voorts stelt de rechtbank op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting vast dat eiseres en verweerder ten aanzien van de hierna te bespreken vergunningvoorschriften overeenstemming hebben bereikt over aanpassingen aan de tekst. Wat betreft deze voorschriften ziet de rechtbank aanleiding het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf in de zaak te voorzien, op de wijze zoals in het dictum van deze uitspraak is weergegeven.

8. Vergunningvoorschrift 1.1.2 wordt vervangen door de in het dictum opgenomen tekst. Vergunningvoorschrift 2.7.2 wordt vervangen door de tekst van voorbeeldvoorschrift 2.3.13 van PGS 29:2016, versie 1.1. Vergunningvoorschrift 2.10.1 wordt vervangen door de tekst van voorbeeldvoorschrift 3.5.6 van PGS 29:2016, versie 1.1. In vergunningvoorschrift 2.18.2 wordt een asterisk geplaatst achter “afmetingen en nominale capaciteit van tankfundering en tankput”. Vergunningvoorschrift 2.19.4 wordt vervangen door de tekst van voorbeeldvoorschrift 3.8.3 van PGS 29:2016, versie 1.1 en vergunningvoorschrift 2.19.5 vervalt. Vergunningvoorschrift 3.1.1 wordt vervangen door de tekst van voorbeeldvoorschrift 3.5.7 van PGS 29:2016, versie 1.1. Vergunningvoorschrift 3.2.3 wordt vervangen door de tekst van voorbeeldvoorschrift 3.5.12 van PGS 29:2016, versie 1.1. Vergunningvoorschrift 3.2.5 wordt vervangen door de in het dictum opgenomen tekst. De toelichting bij het voorschrift vervalt. Vergunningvoorschrift 4.2.3 wordt vervangen door de in het dictum opgenomen tekst. Vergunningvoorschrift 4.11.2 wordt vervangen door de in het dictum opgenomen tekst.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 0,5 punt voor het geven van een schriftelijke zienswijze naar aanleiding van het deskundigenbericht van de StAB en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover het betreft de vergunningvoorschriften 1.1.2, 2.7.2, 2.10.1, 2.18.2, 2.19.4, 2.19.5, 3.1.1, 3.2.3, 3.2.5, 4.2.3, en 4.11.2;

- bepaalt dat deze vergunningvoorschriften overeenkomstig onderstaande teksten komen te luiden, met uitzondering van vergunningvoorschrift 2.19.5 en de toelichting op vergunningvoorschrift 3.2.5, die zijn vervallen;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 333,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.252,50.

Vergunningvoorschrift 1.1.2:

“In verband met de bereikbaarheid van de installaties voor hulpdiensten, moet de inrichting via ten minste twee zo ver mogelijk uit elkaar gelegen ingangen toegankelijk zijn. Afhankelijk van de plaatselijke situatie en de mogelijkheden hiervan kan worden afgeweken na goedkeuring van het bevoegd gezag. Het verzoek tot goedkeuring moet zijn voorzien van een rapport waarin wordt aangetoond dat de installaties bereikbaar zijn voor de hulpdiensten. Dit rapport moet tevens voorzien zijn van:

  • -

    Een omschrijving van de plaatselijke situatie en de mogelijkheden hiervan in relatie tot het bereikbaar zijn van de installaties voor de hulpdiensten;

  • -

    Een beschrijving en onderbouwing van de uitgangspunten voor het opstellen van het rapport. Voor de uitgangspunten moet aangesloten worden bij de vergunning van 20 maart 2003 en deze vergunning, waaronder de voorschriften voor de Industriële brandbestrijdingspool (IBP) uit deze vergunning. De uitgangspunten moeten toegepast worden op onderstaande twee punten;

  • -

    Een beschrijving en onderbouwing van alle voorzienbare ongewenste gebeurtenissen die de bereikbaarheid van de installaties door de hulpdiensten kunnen hinderen, waarbij ook de voorzienbare ongewenste gebeurtenissen buiten de inrichting worden meegenomen die de bereikbaarheid van de installaties binnen de inrichting door de hulpdiensten kunnen hinderen. De beschrijving en onderbouwing van een voorzienbare ongewenste gebeurtenis moet ingaan op de kans dat deze gebeurtenis kan optreden en de gevolgen van deze gebeurtenis.

  • -

    Een beschrijving en onderbouwing van de toe te passen maatregelen voor alle voorzienbare ongewenste gebeurtenissen en het effect hiervan op de bereikbaarheid van de installaties door de hulpdiensten. Waarbij tevens wordt beschreven en onderbouwd wat het effect van de maatregel is op de kans dat de gebeurtenis kan optreden en wat het effect van de maatregel is op de gevolgen van de gebeurtenis. Hierbij moet een relatie worden gelegd met de kans en de gevolgen zoals deze in het vorige punt zijn beschreven.

De externe toegangen in de omheining moeten in open toestand onder toezicht staan.

Het oostelijk terreindeel van de inrichting moet binnen één jaar na inwerkingtreding van dit

voorschrift voldoen aan dit voorschrift.”

Vergunningvoorschrift 2.7.2:

“Een overgang over de putdijk moet van voldoende stevigheid zijn voor het te verwachten transport en de primaire functie van de putdijk intact laten. De overgang moet zijn afgesloten voor verkeer, tenzij het gebruik is beschreven in een procedure of is beschreven in een werkvergunning.”

Vergunningvoorschrift 2.10.1:

“Het gebruik van slangen voor producttransport in de tankput is niet toegelaten als er geen procedure of werkinstructie voor handen is.”

Vergunningvoorschrift 2.18.2:

“Het systeem moet ten minste de volgende data bevatten:

- tanknummer en locatie;

- bouwjaar;

- afmetingen en nominale capaciteit;

- bouwspecificaties en opsomming van materiaal soorten, dikte en kwaliteit*;

- afmetingen en nominale capaciteit van tankfundering en tankput*;

- bouwspecificaties en opsomming van materiaalsoorten van tankfundering en tankput*;

- uitgangspunten voor het onderhoudssysteem;

- gegevens van eventuele reparaties;

- gegevens van eventuele wijzigingen;

- gegevens van keuringen;

- data van keuring en herkeuring;

- specificatie van keuring en keuringsresultaten (meetresultaten, foto’s);

- specificatie van de instantie, die de metingen en keuringen heeft verricht.

* indien deze gegevens ontbreken, worden hiermee de gegevens uit de ‘Fit-for-purpose’ analyse/berekening bedoeld.”

Vergunningvoorschrift 2.19.4:

“Voor het slopen van een tank (of een serie tanks) moeten de richtlijnen worden

gevolgd zoals die omschreven zijn in EEMUA 154.

De gebruiker stelt de aannemer op de hoogte van de huidige conditie van de tank(s)

om de sloopwerkzaamheden veilig te kunnen uitvoeren.”

Vergunningvoorschrift 3.1.1:

“Pijpleidingen met een werkdruk kleiner of gelijk aan 0,5 bar, waarin giftige en/of brandgevaarlijke stoffen voorkomen, alsmede het toebehoren, moeten vóór ingebruikname een drukweerstandsproef hebben ondergaan zoals bedoeld in de oorspronkelijke ontwerpcode.”

Vergunningvoorschrift 3.2.3:

“Leidingen en leidingondersteuningen die aan een weg zijn gelegen en waarbij een risico bestaat op een aanrijding (vb. ter plaatse van een bocht of een kruising) moeten zijn beschermd door vangrails of een gelijkwaardige constructie.”

Vergunningvoorschrift 3.2.5:

“Ondergrondse pijpleidingen met toebehoren waardoor bodembedreigende stoffen worden

vervoerd, moeten tegen corrosie zijn beschermd. Indien door bodemonderzoek is vastgesteld

dat:

  • -

    de specifieke elektrische bodemweerstand kleiner is dan 50 ohm.meter (in waterwingebieden 100 ohm.meter), of;

  • -

    de zuurgraad (pH) kleiner is dan 6, of;

  • -

    de beïnvloeding door zwerfstromen groter is dan met de toegestane interferentiecriteria overeenkomt of;

  • -

    verbindingen voorkomen tussen ongelijksoortige metalen, die galvanische corrosie kunnen veroorzaken, of;

  • -

    het milieu anaëroob is;

dan moeten, tenzij erom andere technische redenen bezwaren bestaan, ondergrondse pijpleidingen met toebehoren waardoor bodemverontreinigende stoffen worden vervoerd, uitwendig tegen corrosie zijn beschermd door middel van een kathodische bescherming volgens de NEN 6912. Indien relevant moet ook NEN-EN 50162 “bescherming tegen corrosie door zwerfstromen uit gelijkspanningssystemen” toegepast worden. Protocol 6801 van de AS SIKB 6800, “kathodische bescherming” kan toegepast worden bij het onderzoek.

Aanvullend hierop moet in plaats van de hierin genoemde grenswaarde van de metaal elektrolytpotentiaal steeds de polarisatiepotentiaal worden gehanteerd. De kathodische bescherming moet door een deskundige op ontwerp, uitvoering en goede werking zijn gecontroleerd en goedgekeurd in overeenstemming met de handleiding NEN-EN 13509 “Meettechnieken van kathodische bescherming”.

Bij bestaande installaties is het in sommige gevallen niet mogelijk om achteraf een kathodische bescherming aan te brengen, zoals bijvoorbeeld elektrisch geleidende verbindingen met bovengrondse installatiedelen die niet opgeheven kunnen worden, leidingen die dicht naast elkaar liggen of leidingen die onder staalconstructies doorlopen. In deze gevallen moet op basis van een risicobeoordeling een periodieke inspectie plaatsvinden van de integriteit van de uitwendige coating.”

Vergunningvoorschrift 4.2.3:

“Tanks met een extern drijvend dak moeten zijn voorzien van een stationaire blusinstallatie voor een brand in de rimseal die voldoet aan de NFPA 11. De brandweer moet een primaire bluspoging van een rimsealbrand kunnen uitvoeren zonder de tanks te betreden. Voor een secundaire poging en morsingen op het dak moeten de tanks binnen 2 jaar na inwerkingtreding van deze vergunning zijn voorzien van een droge stijgleiding die voldoet aan NEN 1594 of een aansluitmogelijkheid (storz 75 mm, nokafstand 81 mm) op de primaire blusleiding en een veilig te betreden top- en omloopbordes of een gelijkwaardige voorziening en/of maatregel die ter goedkeuring aan het bevoegd gezag wordt voorgelegd inclusief een planning voor de implementatie van die voorziening en/of maatregel.”

Vergunningvoorschrift 4.11.2:

“Op locaties waar verhoogde brandrisico’s met stoffen van klasse 1 en/of 2 aanwezig zijn (zoals o.a. pompputten of -plaatsen en verladingsplaatsen) moeten stationaire voorzieningen aanwezig zijn om brandoverslag te voorkomen. Voorzieningen die bestemd zijn voor schuimsuppletie moeten voldoende capaciteit hebben om de gehele oppervlakte (of compartiment geschikt voor de opvang van het scenario) te voorzien van een schuimlaag, conform NFPA 11.

In afwijking van bovenstaande moet pompmanifold 1 uiterlijk 6 maanden na inwerkingtreding van het voorschrift zijn voorzien van 1 of meerdere stationaire voorzieningen met schuimsuppletie om brandoverslag te voorkomen. In de interimperiode dat deze voorzieningen niet aanwezig zijn moet ter plaatse van pompmanifold 1 een mobiele voorziening aanwezig en aangesloten zijn die voldoet aan bovenstaande eisen.

Toelichting

De betreffende brandscenario’s dienen onderdeel uit te maken van het brandveiligheidsplan.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, voorzitter, en mr. D.A.J. Overdijk en mr. A.L. Frenkel, leden, in aanwezigheid van mr. J.V. Veldwijk en mr. E.L. Denters, griffiers. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.