Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8350

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
03-08-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 15521
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

beëindiging verblijfsrecht EU burger en ongewenstverklaring, geen duurzaam verblijfsrecht vanwege de perioden die hij in detentie heeft gezeten, actuele & werkelijke & ernstige bedreiging voor de openbare orde, ISD-maatregel opgelegd gekregen

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 67
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/15521

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , eiser, V-nummer [V-nummer]

(gemachtigde: mr. I.M. Hagg),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. H. El Hajoui)

Procesverloop

Bij besluit van 28 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder het verblijfsrecht van eiser beëindigd en bepaald dat eiser Nederland meteen moet verlaten. Voorts is eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ongewenst verklaard.

Bij besluit van 26 oktober 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 juni 2018.

Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1985 en heeft de Estlandse nationaliteit.

2. Verweerder heeft het EU-verblijfsrecht van eiser beëindigd en een ongewenstverklaring opgelegd, omdat eiser een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Zo blijkt uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 10 juli 2017 dat eiser in zeven jaar 24 keer met justitie in aanraking is gekomen en hem wegens misdrijven, voornamelijk winkeldiefstallen, ruim elf maanden gevangenisstraf en een ISD-maatregel (maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders) voor de duur van twee jaar is opgelegd. Vanwege de veelvuldige detenties zijn de artikelen 8.17 en 8.18 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) niet op eiser van toepassing. De persoonlijke omstandigheden staan niet aan de verblijfsbeëindiging in de weg en ook volgens de vergelijkende toets aan artikel 3.86 van het Vb 2000 kan eisers verblijf worden beëindigd.

3. Eiser kan zich niet verenigen met het bestreden besluit. Op hetgeen eiser in dit verband heeft aangevoerd, wordt in het navolgende ingegaan.

4. Verweerder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Op grond van artikel 8.7, eerste lid, van het Vb 2000 is paragraaf 2 van hoofdstuk 8 van het Vb 2000 van toepassing op vreemdelingen die de nationaliteit bezitten van een staat die partij is bij het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie of bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, dan wel van Zwitserland, en die zich naar Nederland begeven of in Nederland verblijven.

Ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vb 2000 kan onze Minister het rechtmatig verblijf ontzeggen of beëindigen, om redenen van openbare orde of openbare veiligheid, indien het persoonlijke gedrag van de vreemdeling een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Alvorens hierover een besluit te nemen, houdt Onze Minister in het bijzonder rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en met de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst.

Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Vw 2000 kan Onze minister de vreemdeling ongewenst verklaren:

c. indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l.

6. De rechtbank overweegt omtrent het verzoek tot vrijstelling van het griffierecht als volgt.

6.1.

Eiser heeft een beroep gedaan op betalingsonmacht ten aanzien van de verplichting tot het betalen van griffierecht en heeft daartoe een eigen verklaring bij vrijheidsontneming van de Raad voor Rechtsbijstand van 5 oktober 2017 overgelegd. Gelet op deze verklaring is de rechtbank van oordeel dat het beroep op betalingsonmacht dient te worden gehonoreerd, zodat eiser vrijgesteld is van de verplichting tot het betalen van griffierecht.

7. De rechtbank overweegt als volgt.

7.1.

Hoewel eiser stelt in 2008 naar Nederland te zijn gekomen, heeft hij dit niet met stukken onderbouwd. Verweerder is er dan ook terecht van uitgegaan dat eiser zich sinds 9 september 2009 in Nederland bevindt, nu hij toen voor het eerst is geregistreerd door de vreemdelingenpolitie.

7.2.

Hoewel eiser langer dan vijf jaar in Nederland verblijft, heeft hij geen duurzaam verblijfsrecht in de zin van artikel 8.17, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000 verkregen. Daartoe is van belang dat in het arrest van 16 januari 2014 in de zaak C‑378/12, Nnamdi Onuekwere tegen Secretary of State for the Home Department, (ECLI:EU:C:2014:13) het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) heeft bepaald dat het ononderbroken karakter van het verblijf wordt doorbroken door perioden die in het gastland in de gevangenis worden doorgebracht. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 10 juli 2017 heeft eiser vanaf 2010 bijna jaarlijks één of meerdere keren per jaar vanwege veroordelingen voor misdrijven gedetineerd gezeten. Dit betekent dat eiser niet gedurende vijf jaar ononderbroken rechtmatig verblijf in Nederland heeft gehad en is geen sprake van duurzaam verblijfsrecht in vorenbedoelde zin. De verwijzing op zitting naar het arrest van het HvJ EU van 17 april 2018 in de gevoegde zaken C-316/16 en C-424/16, B tegen Land Baden-Württemberg en Secretary of State for the Home Department tegen Franco Vomero, (ECLI:EU:C:2018:256) maakt het voorgaande niet anders, aangezien dit arrest niet op een vergelijkbare situatie ziet. In dit arrest ging het om de vraag wanneer een Unieburger in aanmerking komt voor het aanzienlijk verhoogde niveau van bescherming tegen verwijdering (dwingende redenen van openbare orde), wat volgens het HvJ EU het geval is als een Unieburger beschikt over duurzaam verblijfsrecht en de laatste tien jaar in het gastland heeft verbleven. In onderhavige zaak beschikt eiser echter niet over een duurzaam verblijfsrecht van tien jaar in Nederland. Ook de verwijzing op zitting naar het arrest van het HvJ EU van 11 juni 2015 in de zaak C-554/13, Z. Zh. en I.O., (ECLI:EU:C:2015:377) gaat niet op. Dit arrest heeft betrekking op illegaal op het grondgebied verblijvende derdelanders en is als zodanig niet van toepassing op Unieburgers.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het geval van eiser dan ook terecht de maatstaf van artikel 8.22, eerste lid van het Vb 2000 dat ziet op het beëindigen van rechtmatig verblijf toegepast en niet de maatstaf van artikel 8.18 van het Vb 2000 dat ziet op het beëindigen van duurzaam verblijfsrecht.

7.3.

Met de invoering van artikel 8.22, eerste lid, van het Vb 2000 is artikel 27 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden in de Nederlandse rechtsorde geïmplementeerd. In de nationale bepaling is opgenomen dat het moet gaan om het persoonlijke gedrag van de vreemdeling die een actuele, werkelijke en ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt en dat in het bijzonder rekening wordt gehouden met de duur van het verblijf van de betrokkene in Nederland, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezins- en economische situatie en sociale en culturele integratie in Nederland en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst. Op deze wijze heeft de regering de beoordeling van het daadwerkelijke gedrag van de vreemdeling en de toets aan het evenredigheidsbeginsel in de nationale regelgeving opgenomen. De rechtbank ziet dan geen grond voor het oordeel dat de implementatie onjuist dan wel onvolledig zou zijn geweest.

7.4.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ingevolge artikel 8.22, eerste lid, van het Vb 2000 kunnen concluderen dat eiser vanwege zijn persoonlijke gedrag een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. Blijkens het uittreksel Justitiële Documentatie van 10 juli 2017 is eiser in de periode van 2009 tot heden 24 keer met justitie in aanraking gekomen. Weliswaar is hoofdzakelijk sprake van lichtere feiten, zoals winkeldiefstal, maar doordat deze vergrijpen veelvuldig en stelselmatig gedurende een periode van meerdere jaren zijn gepleegd, is de bedreiging als voldoende ernstig aan te merken. Met het stelselmatig plegen van winkeldiefstal toont eiser geen respect voor de eigendommen van anderen en zorgt eiser voor materiële schade, overlast en ergernis voor winkeliers. Eiser benadeelt daarmee de Nederlandse samenleving. De financiële schade wordt immers doorberekend in de prijzen van artikelen en verzekeringen. Naast winkeldiefstallen heeft eiser zich ook schuldig gemaakt aan onder meer straatroof. Op grond van vorenstaande is de bedreiging die eiser voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt, gegeven.

7.5.

Ten aanzien van de actualiteit van de bedreiging die eiser voor de samenleving vormt, overweegt de rechtbank dat eiser bij vonnis van 15 september 2016 door de strafrechter een ISD-maatregel is opgelegd. Uit dit vonnis blijkt dat de primaire doelstelling van het opleggen van deze maatregel het beveiligen van de maatschappij en het beëindigen van recidive was. Dit is niet onverenigbaar met het doel van een maatregel die naar zijn aard gericht is op preventie en niet op vergelding zoals het geval is bij het opleggen van een straf. Zoals de strafrechter in zijn vonnis heeft overwogen kan het opleggen van een ISD-maatregel ook tot de mogelijkheden behoren indien deze geen of onvoldoende bijdrage levert aan het oplossen van de (verslavings)problematiek van eiser. In tegenstelling tot hetgeen eiser heeft betoogd, is de ISD-maatregel dan ook niet slechts of in overwegende mate opgelegd om een gedragsverandering bij hem teweeg te brengen. Bij de oplegging van de ISD-maatregel heeft de strafrechter in aanmerking genomen dat uit het strafblad van eiser en het reclasseringsadvies van 27 juli 2016 is gebleken dat er een zeer reëel gevaar is voor herhaling, nu delictpleging in het verleden een nauwe samenhang met onder meer zijn verslavingsproblematiek kende en het eiser ontbrak aan een stabiele leefomgeving en aan een vast inkomen. Dit vonnis staat in rechte vast, zodat verweerder in de onderhavige zaak bij het oordeel van de strafrechter heeft kunnen aansluiten en het reclasseringsadvies van 27 juli 2016 in zijn beoordeling heeft kunnen betrekken.

7.6.

Verweerder heeft van belang geacht dat de ISD-maatregel nog niet is afgerond en dat eiser zich nog in de penitentiaire inrichting bevindt. Hoewel eiser in zijn gehoor van 25 juli 2017 bij de politie heeft verklaard dat hij geen drugs meer gebruikt, een diploma tot lasser heeft behaald en opleidingen volgt omdat hij een nieuw leven wil beginnen en graag wil werken, is eiser nog niet teruggekeerd in de samenleving. Eiser heeft derhalve nog niet aangetoond dat hij na afloop zijn detentie niet zal vervallen in zijn oude gedrag alsook zijn verslaving het hoofd zal kunnen bieden. Gelet op het strafblad van eiser, de omstandigheid dat de in het verleden geboden hulpverlening niet heeft geleid tot het uitblijven van recidive en het door de reclassering in het advies van 27 juli 2016 zeer reëel geachte gevaar voor herhaling, heeft verweerder terecht overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedreiging voor de samenleving tot het verleden behoort. De door eiser overgelegde e-mail van 1 oktober 2017 van [casemanager], de casemanager bij de Dienst Justitiële Inrichtingen die eiser begeleidt, is onvoldoende om te concluderen dat dit gevaar is weggenomen. Hoewel het positief is dat eiser zich in detentie goed gedraagt en geen alcohol en drugs stelt te gebruiken, zegt dit onvoldoende over het gedrag dat van eiser te verwachten is op het moment dat hij weer in de samenleving terugkomt. Dat [casemanager] de kans op recidive bij eiser in vergelijking met andere ISD-ers die in dezelfde penitentiaire inrichting verblijven minder hoog inschat, is een subjectieve inschatting die gebaseerd is op het gedrag van eiser in een gecontroleerde omgeving waarin factoren die buiten deze inrichting aan de orde zijn niet spelen. Nu eiser over een langere periode negatief gedrag heeft vertoond en zich eerder niet heeft gehouden aan de voorwaarden van de reclassering, is een e-mail dat hij op dit moment positief gedrag vertoont te mager.

8. Nu verweerder heeft kunnen concluderen dat eiser een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt en aanleiding heeft gezien om het rechtmatig verblijf van eiser te beëindigen, is daarmee ook de bevoegdheid gegeven om eiser op grond van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 ongewenst te verklaren. Verweerder heeft eiser dan ook ongewenst kunnen verklaren.

9. De verblijfsbeëindiging en de ongewenstverklaring zijn naar het oordeel van de rechtbank in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel. Niet is gebleken dat verweerder de evenredigheidstoets niet naar behoren heeft uitgevoerd. Zo heeft verweerder in de afweging betrokken dat eiser sinds 2009 in Nederland verblijft en hier geen familieleden maar wel vrienden/kennissen heeft. Met Estland heeft eiser nog voldoende banden, nu hij daar geboren en opgegroeid is, hij pas op volwassen leeftijd naar Nederland is gekomen en zijn ouders en broer daar nog wonen. In de duur van het verblijf van eiser in Nederland en eisers – niet onderbouwde – stelling dat hij hier een leven wil opbouwen en in Estland op financieel gebied en met het vinden van werk en huisvesting problemen zal ondervinden, heeft verweerder redelijkerwijs geen reden hoeven zien om niet tot verblijfsbeëindiging en ongewenstverklaring over te gaan.

10. Gelet op het bepaalde in artikel 8.24, derde lid, van het Vb 2000 kan verweerder in naar behoren aangetoonde dringende gevallen de vertrektermijn verkorten tot minder dan vier weken. Volgens het beleid in paragraaf B10/2.3. van de Vreemdelingencirculaire 2000 is van een dringend geval in ieder geval sprake als het persoonlijk gedrag van de burger van de Unie een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt. In zijn verweerschrift verwijst verweerder naar jurisprudentie waarin eenzelfde lijn wordt gehanteerd. In deze uitspraken is geoordeeld dat het alleen mogelijk is om de vertrektermijn van een EU-onderdaan te verkorten of te onthouden in naar behoren aantoonbare dringende gevallen, waarvan slechts sprake is bij een actuele, werkelijke en genoegzaam ernstige bedreiging van de openbare orde. Nu verweerder eiser als een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving heeft kunnen aanmerken, heeft verweerder ook aanleiding kunnen zien om te bepalen dat eiser Nederland direct moet verlaten omdat sprake is van een dringend geval.

11. De beroepsgrond dat verweerder er ten onrechte van heeft afgezien eiser in bezwaar te horen, faalt. Uitgangspunt is dat er een hoorplicht bestaat, tenzij een van de uitzonderingen van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht zich voordoet. Er is sprake van een kennelijk ongegrond bezwaar wanneer uit het bezwaarschrift zelf reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren van de indiener ongegrond zijn en er redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Daarbij moet de inhoud van het bezwaarschrift worden beoordeeld in samenhang met hetgeen in eerste instantie door betrokkene is aangevoerd en met de motivering van het primaire besluit. In de Werkinstructie 2016/10 (WI 2016/10) Horen in bezwaar worden een aantal situaties genoemd waaraan kan worden gedacht bij een kennelijk ongegrond bezwaar. Dit betekent echter niet dat er geen andere situaties bestaan waarin van horen kan worden afgezien. Gelet op de inhoud van het bezwaarschrift van eiser bezien in samenhang met hetgeen eiser heeft aangevoerd, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar en dat daarom van het horen van eiser kon worden afgezien. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder in strijd met de WI 2016/10 heeft gehandeld door eiser niet te horen.

12. Het beroep is ongegrond.

13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meijers, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.C. de Grauw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.