Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8344

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2018
Datum publicatie
17-07-2018
Zaaknummer
C/09/540192 / HA ZA 17-1015
Rechtsgebieden
Intellectueel-eigendomsrecht
Bijzondere kenmerken
Bodemzaak
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Gestelde auteursrechtinbreuk - Afbeeldingen gebruikt op website - Gedaagde is niet betrokken bij en kan niet verantwoordelijk worden gehouden voor het gebruik van de afbeeldingen op de website - Afwijzen vorderingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK DEN HAAG

Team handel

Zittingsplaats Den Haag

zaaknummer / rolnummer: C/09/540192 / HA ZA 17-1015

Vonnis van 11 juli 2018

in de zaak van

[eiser] , h.o.d.n. ‘Making a Difference’ en ‘The Patient Education Institute’,

wonende te [woonplaats] ,

eiser,

advocaat mr. B. Sujecki te Amsterdam,

tegen

de stichting

STICHTING HAGAZIEKENHUIS,

gevestigd te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. T. Fokkens te Arnhem.

Partijen zullen hierna [eiser] en Haga genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 19 september 2017 met producties 1 tot en met 20,

- de conclusie van antwoord van 8 november 2017, met producties 1 tot en met 7;

- de op 9 april 2018 ingekomen akte houdende overlegging producties tevens wijziging eis van [eiser] , met producties 21 tot en met 33;

- de op 9 april 2018 ingekomen akte overlegging producties van Haga, met producties 8 en 9;

- de op 23 april 2018 ingekomen actuele proceskostenoverzichten van [eiser] en Haga als producties 34 respectievelijk 15;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 24 april 2018;

- de brief van de zijde van Haga van 14 mei 2018, waarin zij opmerkingen plaatst bij het met toestemming van partijen buiten hun aanwezigheid opgemaakte proces-verbaal van de comparitie van partijen.

1.2.

De rechtbank heeft het door [eiser] bij gelegenheid van de comparitie van partijen opgeworpen bezwaar tegen de op 20 april 2018 ingekomen akte overlegging aanvullende producties van Haga, met producties 10 tot en met 14, ter zitting gegrond geacht, nu die producties te laat en daarmee in strijd met een goede procesorde zijn ingediend.

1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1.

[eiser] houdt zich bezig met het ontwikkelen en uitgeven van patiëntenvoorlichtingsmaterialen in gedrukte en elektronische vorm. Hiertoe neemt [eiser] contact op met verschillende illustratoren om de rechten met betrekking tot de door hen gemaakte illustraties te verkrijgen, teneinde deze wereldwijd in patiëntenvoorlichting te (laten) gebruiken.

2.2.

Eén van de illustratoren waar [eiser] mee samenwerkt, is de heer [X] (hierna: ‘ [X] ’). De door [X] gemaakte illustraties zijn onder meer gebruikt in de door het uitgeversconcern Mardeno uitgegeven patiëntenatlassen, waarin ziektebeelden door middel van illustraties op een eenvoudige wijze in kaart worden gebracht. Artsen, brancheorganisaties en ziekenhuizen gebruiken de illustraties in deze atlassen om uitleg en informatie aan patiënten te geven.

2.3.

Een viertal illustraties uit de hiervoor bedoelde Mardeno-patiëntenatlassen (hierna: ‘de afbeeldingen’) is gebruikt op een website onder de domeinnaam ‘gyn-care.nl’ met de URL ‘https://www.gyn-care.nl/4557/eerste-bezoek-gynaecoloog.html’ (hierna: ‘de website’).

2.4.

Het register van de Stichting Internet Domeinregistratie Nederland (hierna: ‘het SIDN-register’) vermeldt over de domeinnaam ‘gyn-care.nl’ dat deze op 11 september 2008 is geregistreerd door ‘Maatschap Gynaecologie Haga Ziekenhuis’ (hierna: ‘de maatschap’) en dat die registratie is geüpdatet op 1 juni 2017.

2.5.

De maatschap stond per 1 januari 2003 ingeschreven in het handelsregister, met als activiteit – voor zover van belang – ‘praktijk van medische specialisten’, en is op 17 maart 2016 met ingang van 1 januari 2016 (“datum ontbinding”) daaruit uitgeschreven.

2.6.

Haga is een algemeen ziekenhuis in de Haagse regio. Zij beheert een website onder de domeinnaam ‘hagaziekenhuis.nl’. Aan Haga verbonden is de vakgroep Gynaecologie & Verloskunde, bestaande uit vrijgevestigde medisch specialisten (hierna: ‘de vakgroep’).

2.7.

Op 4 oktober 2016 heeft de advocaat van [eiser] - voor zover inhoudelijk van belang – de volgende schriftelijke sommatie aan de directie van Haga gestuurd:

“ [eiser] heeft de wereldwijde exclusieve licentie op de illustraties en het layout afkomstig van de illustrator [X] , die in de MARDENO Patiënten Atlas opgenomen zijn [...]. Het recht van [eiser] omvat de wereldwijde exclusieve licentie om de illustraties zowel in printformaat alsook elektronisch te exploiteren en in sub-licentie te geven zodat het beeldmateriaal in elke vorm gekopieerd en geproduceerd kan worden.

Cliënt heeft onlangs moeten constateren dat u inbreuk maakt op zijn intellectuele eigendomsrechten. U gebruikt immers in totaal vier illustraties zonder toestemming op uw website […]. Uit onderzoek is gebleken dat u de illustraties in ieder geval vanaf april 2009 op uw website gebruikt.

Door het gebruiken van de illustraties zonder toestemming van cliënt maakt u inbreuk op de rechten van [eiser] en handelt u onrechtmatig jegens cliënt. […] Deze schade bestaat onder meer uit gederfde licentievergoedingen. […] Indien wij ervan uitgaan dat u uw website sinds 2009 heeft gebruikt, bedraagt de gederfde licentievergoeding EUR 10.080,- ex BTW.

De daadwerkelijke schade is echter vele malen hoger. […] Door het zeer algemene gebruik van de illustraties verliezen deze ernstig aan exclusiviteitswaarde, waardoor [eiser] de illustraties in de toekomst minder goed dan wel tegen een veel lagere prijs kan verkopen. Daarnaast vindt ook geen bronvermelding plaats waardoor de indruk ontstaat dat u zelf de exclusieve rechten ten aanzien van de inbreukmakende afbeeldingen heeft. […]

Namens cliënt stel ik u in de gelegenheid om deze kwestie te regelen zonder een gerechtelijke procedure, dus zonder tussenkomst van de rechter. Om deze zaak minnelijk te schikken wil mijn cliënt u het volgende aanbod maken: u betaalt aan mijn cliënt een bedrag van EUR 3.360,- ex BTW als vergoeding voor reeds geleden schade. Daarnaast betaalt u aan mijn cliënt een bedrag van EUR 1.680,- ex BTW als licentievergoeding, zodat u de afbeeldingen de volgende twee jaar mag gebruiken. Tot slot betaalt u aan mijn cliënt een bedrag van EUR 500,- ex BTW als vergoeding van de juridische kosten. Indien u bereid bent een bedrag van EUR 5.540,- ex BTW aan mijn cliënt te betalen, zal [eiser] afzien om verdere maatregelen te nemen […].”

2.8.

In reactie hierop is aan de advocaat van [eiser] bij brief van 18 oktober 2016, op briefpapier van Haga, alsmede via e-mail vanuit het adres [Y] @hagaziekenhuis.nl, het volgende medegedeeld:

“Uw brief […] hebben wij met verbijstering ontvangen. Wij kennen de heer [eiser] niet en kunnen de rechten die hij pretendeert te hebben op de in uw brief genoemde afbeelding(en) ook niet plaatsen.

De afbeeldingen zijn naar wij hebben begrepen eigendom van Mardeno. Zij zijn opgenomen in de door Mardeno in Nederland uitgegeven patiëntenatlassen.

In uw brief geeft u geen nadere uitleg, noch onderbouwing over de relatie tussen uw cliënt en Mardeno. Alvorens uw claim op waarde te kunnen schatten, zouden wij dan ook graag aanvullende informatie van u ontvangen waaruit blijkt dat uw cliënt daadwerkelijk rechten kan doen gelden. In de tussentijd zullen wij voorlopig, geheel vrijwillig, het gebruik van de in uw brief genoemde afbeelding(en) per 20 oktober 2016 staken. Wij vertrouwen er op dat u in de tussentijd zult afzien van het uitbrengen van een dagvaarding.

Ten overvloede merken wij tot slot op dat wij de vijandige toon waarop wij worden benaderd, als zeer onvriendelijk en onplezierig ervaren. Wij zijn ons van geen kwaad bewust. Deze brief doen wij u per aangetekende post en per e-mail toekomen.

Met vriendelijke groet,

[Y] , gynaecoloog

Voorzitter DB vakgroep obstetrie & gynaecologie”

2.9.

Bij e-mail van 24 oktober 2016 heeft de advocaat van [eiser] als volgt hierop gereageerd:

“In de bijlage ontvangt u alle stukken waaruit blijkt dat de rechten om de illustraties te kunnen gebruiken en te kunnen exploiteren bij mijn cliënt liggen en niet bij Mardeno. Mardeno mocht in het verleden deze illustraties publiceren, maar mocht geen licentie verlenen aan derden om deze illustraties te gebruiken.

Ten eerste ontvangt u de overeenkomst die mijn cliënt met de heer [X] heeft gesloten. Daarnaast ontvangt u de illustraties die u op uw website heeft gebruikt.”

2.10.

Partijen hebben nadien geen overeenstemming kunnen bereiken.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, kort gezegd, Haga te veroordelen tot betaling van schadevergoeding wegens inbreuk op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van [X] , en de exclusieve gebruiks- en exploitatierechten van [eiser] , te vermeerderen met de wettelijke rente, althans tot het doen van opgave van informatie over (het gebruik van) de website, op straffe van verbeurte van een dwangsom, één en ander met veroordeling van Haga in de volledige proceskosten van de procedure conform art. 1019h Rv1, daaronder begrepen de (wettelijke rente over de) nakosten.

3.2.

[eiser] heeft hieraan ten grondslag gelegd dat hij het exclusieve, onbeperkte en overdraagbare gebruiks- en exploitatierecht op de afbeeldingen van [X] heeft verkregen en door laatstgenoemde is gevolmachtigd om hem in rechte te vertegenwoordigen, alsmede dat Haga door het openbaar maken van de afbeeldingen op de website inbreuk heeft gemaakt op de rechten van zowel [eiser] als [X] en aansprakelijk is voor vergoeding van de als gevolg daarvan ontstane schade.

3.3.

Haga heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Inbreuk door Haga?

4.1.

Haga heeft tegen de vorderingen van [eiser] aangevoerd dat zij geen inbreuk maakt op de door [eiser] gestelde rechten, omdat de website niet van Haga is en ook niet door haar wordt gecontroleerd of van enige content wordt voorzien. Het is de vakgroep die de website heeft gecreëerd en onderhouden en de inhoud ervan bepaalt. Haga verwijst in dit verband naar productie 3 bij conclusie van antwoord, waarin de volgende (ingezoomde) screenshots van de header, footer en disclaimer van de website zijn opgenomen:

De vakgroep is een afzonderlijke, van Haga te onderscheiden entiteit, die aanvankelijk was georganiseerd in een maatschap, maar tegen de achtergrond van landelijke nieuwe fiscale wetgeving in verband met de bekostiging van de zorg van rechtsvorm heeft moeten veranderen, aldus Haga. Daarom zijn sinds 2016 alle vrijgevestigde specialisten binnen Haga – waaronder de gynaecologen in de vakgroep – verenigd in een coöperatie. Haga erkent dat zij binnen het ziekenhuis eindverantwoordelijk is voor de kwaliteit van zorg en voor een gedeelte van de zogeheten ‘resultaat verantwoordelijke eenheid’, zoals voor de assistentes die bij Haga in dienst zijn en binnen de vakgroep werken, maar daaronder valt niet de voorlichtingsuitingen die door de vakgroep op de website zijn gedaan.

4.2.

[eiser] heeft op zijn beurt aangevoerd dat ervan uit is te gaan dat de website door Haga wordt beheerd, in weerwil van wie als houd(st)er in het SIDN-register is vermeld. Uit het handelsregister blijkt dat de maatschap na 1 januari 2016 niet meer bestond. Hoewel volgens het SIDN-register de maatschap vanaf 2009 domeinnaamhoudster is geweest, valt gelet op de ‘update’ van de registratie op 1 juni 2017 niet uit te sluiten dat de niet meer bestaande maatschap houdster van de domeinnaam is gemaakt naar aanleiding van de door Haga van [eiser] ontvangen sommatie. In reactie op die sommatie is het gebruik van de afbeeldingen op de website ook gestaakt, waaruit blijkt dat Haga weldegelijk toegang heeft tot de website. Verder moet volgens [eiser] Haga verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van de website, omdat (a) zij daaruit inkomsten genereert, (b) zij verantwoordelijk is voor de kwaliteit van de geboden zorg en deze mede van de voorlichting afhankelijk is, (c) op Haga’s eigen website de afdeling gynaecologie een ‘resultaat verantwoordelijke eenheid’ wordt genoemd die onderdeel uitmaakt van het Haga-ziekenhuis, en (d) de website wordt gepresenteerd als onderdeel van het Haga-ziekenhuis: klachten dienen te worden gericht tot een e-mailadres met een domeinnaam van het Haga-ziekenhuis en de op de website genoemde contactgegevens zijn eveneens van het Haga-ziekenhuis. Aan het einde van de comparitie van partijen heeft [eiser] bovendien de stelling geponeerd dat Haga (ook) verantwoordelijk is voor de afbeeldingen op de website omdat zij op haar eigen website een link naar de website heeft geplaatst en daarmee in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 februari 2014, zaaknr. C-466/12, EU:C:2014:76 (Svensson) een mededeling aan het publiek heeft gedaan.

4.3.

De rechtbank is van oordeel dat Haga niet verantwoordelijk kan worden gehouden voor het gebruik van de afbeeldingen op de website en daarmee door haar geen inbreuk is gemaakt op enig recht van [eiser] en/of [X] . Daartoe is het volgende redengevend.

4.4.

Dat de website feitelijk wordt beheerd en van content wordt voorzien door de gynaecologen van de vakgroep, wordt niet zozeer door [eiser] betwist. Evenmin staat ter discussie dat die gynaecologen tot 1 januari 2016 een maatschap vormden en nadien – vanwege landelijk nieuwe fiscale wetgeving – als vrijgevestigde specialisten in een andere rechtsvorm, namelijk een coöperatie, verder zijn gegaan. Het is ook de maatschap die volgens het SIDN-register domeinnaamhoudster is geweest vanaf 11 september 2008 (datum registratie) tot – in ieder geval – 1 januari 2016. Gesteld noch gebleken is dat de wijzing van de rechtsvorm van de vakgroep in 2016 verandering heeft gebracht in de (formele of feitelijke) situatie rondom het domeinnaamhouderschap. Voor de insinuatie van [eiser] dat de maatschap in reactie op zijn sommatiebrief op 1 juni 2017 alsnog als houdster van de domeinnaam is geregistreerd, bestaat geen enkele aanwijzing. De rechtbank neemt daarom aan dat de vakgroep – en niet (mede) een andere partij/entiteit – eerst als maatschap en daarna binnen de coöperatie steeds domeinnaamhoudster van de website is geweest. Het feitelijke beheer van de website en het domeinnaamhouderschap biedt dus geen aanknopingspunt om Haga verantwoordelijk te achten voor het gebruik van de afbeeldingen op de website.

4.5.

De inhoud van de website wijst evenmin in de richting van enige betrokkenheid of verantwoordelijkheid van Haga bij/voor de inhoud van de website. Zoals blijkt uit de door Haga overgelegde en door [eiser] niet weersproken (ingezoomde) screenshots van de website, staat in de banner en footer van de website: “Gynaecologie & Verloskunde HagaZiekenhuis, Den Haag”, respectievelijk “© Gynaecologie & Verloskunde HagaZiekenhuis, Thirdwave Webdesign. Alle rechten voorbehouden”. De disclaimer op de website vermeldt onder meer: “De afdeling Gynaecologie en Verloskunde van het HagaZiekenhuis aanvaardt geen enkele aansprakelijkheid voor enige schade die direct of indirect ontstaat als gevolg van het gebruik of als gevolg van de onmogelijkheid van het gebruik van op deze website gepubliceerde informatie en/of verstrekte of verkregen informatie via het Internet”. Hieruit volgt dat alléén de vakgroep (samen met de webdesigner) het auteursrecht op de inhoud van de website claimt, en dat het in de disclaimer opgenomen exoneratiebeding alléén ten gunste van de vakgroep strekt. De vermelding op de website van Haga-contactgegevens en e-mailadressen met een Haga-domeinnaam voor het indienen van klachten, wijst niet op betrokkenheid van Haga bij de inhoud van de website, maar hooguit daarop dat het klantencontact en de klachtenafhandeling binnen het ziekenhuis centraal georganiseerd is.

4.6.

Uit het gegeven dat het gebruik van de afbeeldingen naar aanleiding van zijn sommatie is gestaakt, kan ook niet worden afgeleid dat Haga zich zelfstandig toegang tot de website kan verschaffen en de inhoud ervan kan wijzigen. Vast staat immers dat de reactie op de sommatie is ondertekend door (de voorzitter van het dagelijks bestuur van) de vakgroep, een van Haga te onderscheiden entiteit en [eiser] heeft ook niet bestreden de naderen toelichting van Haga dat zij de sommatie aan de vakgroep heeft doorgezonden omdat deze volgens Haga zou weten waar de sommatie over ging. Gegeven deze omstandigheden is er naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond om het staken van het bedoelde gebruik te kunnen koppelen aan enig handelen of nalaten aan de zijde van Haga.

4.7.

Aan de voor het eerst aan het einde van de zitting door [eiser] (bloot) geponeerde en betwiste stelling, dat Haga (ook) verantwoordelijk is voor de afbeeldingen op de website omdat zij op haar eigen website een link naar de website heeft geplaatst en daarmee in het licht van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 februari 2014, zaaknr. C-466/12, EU:C:2014:76 (Svensson) een mededeling aan het publiek heeft gedaan, gaat de rechtbank reeds voorbij omdat die stelling niet is onderbouwd en [eiser] daarmee niet heeft voldaan aan zijn stelplicht.

4.8.

De overige stellingen van [eiser] leiden niet tot een ander inzicht. Zelfs indien Haga inkomsten uit de website genereert en de afdeling gynaecologie in organisatorisch opzicht als onderdeel van het Haga-ziekenhuis beschouwt, is daarmee niet gezegd dat Haga zich feitelijk met de inhoud van de website heeft bemoeid. Voorts geldt dat, hoezeer Haga geacht kan worden verantwoordelijk te zijn voor de – mede van de voorlichting afhankelijke – kwaliteit van de binnen het ziekenhuis geboden zorg, dit niet maakt dat zij ook verantwoordelijk kan worden gehouden voor uitingen die zijn gedaan door een weliswaar aan haar verbonden, maar niettemin van haar te onderscheiden (rechts)persoon/vrijgevestigde gynaecologen.

4.9.

De slotsom is dat de vorderingen van [eiser] jegens Haga zullen worden afgewezen.

Proceskosten

4.10.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] in de proceskosten worden veroordeeld. Haga heeft aanspraak gemaakt op een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv, vermeerderd met de wettelijke rente. De door Haga overgelegde specificatie van haar kosten bedraagt € 15.915,76 (inclusief BTW omdat Haga deze niet kan verrekenen; exclusief griffierechten ten bedrage van € 1.924,00).

4.11.

[eiser] heeft zich in dit verband op het standpunt gesteld dat het bezwaarlijk is dat Haga niet eerder dan bij conclusie van antwoord het verweer heeft gevoerd dat hij een andere partij dan Haga op inbreuk moet aanspreken. Volgens [eiser] had Haga ook eerder kunnen melden dat niet zij maar een andere partij moest worden gedagvaard. [eiser] meent dat hij op het verkeerde been is gezet over de aansprakelijke partij en daardoor tevergeefs kosten heeft moeten maken. De rechtbank begrijpt deze stellingen aldus, dat [eiser] bezwaar maakt tegen de redelijkheid en evenredigheid van de door Haga gevorderde kosten, althans van mening is dat de billijkheid zich tegen toewijzing van die kosten verzet. Daaromtrent overweegt de rechtbank als volgt.

4.12.

Vast staat dat [eiser] naar aanleiding van de door hem aan de directie van Haga verstuurde sommatie een reactie heeft ontvangen op briefpapier van Haga en via een e-mailadres met een Haga-domeinnaam. Hoewel daardoor mogelijk bij [eiser] de indruk is ontstaan dat hij bij Haga aan het juiste adres was, kan dit niet tot afwijzing of matiging van de door Haga gevorderde kosten leiden. [eiser] heeft een proceskostenrisico genomen toen hij de onderhavige procedure entameerde. Uit de door hem geraadpleegde gegevens in het SIDN-register had hij redelijkerwijs kunnen afleiden dat mogelijk niet Haga maar (een) andere (rechts)perso(o)n(en) gedagvaard moest(en) worden. Dat Haga haar verweer dienaangaande pas bij conclusie van antwoord heeft gevoerd, kan haar niet worden verweten, nu dat na dagvaarding de eerste daarvoor bestemde gelegenheid was.

4.13.

Wat betreft de hoogte van de door Haga gevorderde kosten neemt de rechtbank in aanmerking dat partijen ter zitting hebben aangegeven dat zij van mening zijn dat deze zaak moet worden aangemerkt als een normale bodemzaak t/m CNA als bedoeld in de op deze zaak toepasselijke Indicatietarieven in IE-zaken (versie 1 april 2017), en dat het daaraan verbonden maximumbedrag (€ 17.500,-) hoger is dan de thans door Haga gevorderde proceskosten.

4.14.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank het bezwaar van [eiser] tegen toewijzing van de gevorderde proceskosten ongegrond. De rechtbank zal de proceskosten aan de zijde van Haga begroten op een bedrag van € 17.839,76 (€ 15.915,76 + € 1.924,00).

5 De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van Haga tot op heden begroot op € 17.839,76, te betalen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en indien voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt te vermeerderen met de wettelijke rente, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van het vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Knijff en in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2018.

1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.