Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8332

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
12-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
NL17/6149
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Asiel Pakistan. Eiser heeft vonnis overgelegd, Bdoc niet kunnen onderzoeken vanwege ontbreken vergelijkingsmat. Onvoldoende gemotiveerd waarom overgelegde doc zonder nader onderzoek terzijde zijn geschoven. Beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: NL17.6149


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, thans de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder


Procesverloop
Bij besluit van 13 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Khanna. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Pakistaanse nationaliteit. Op 8 oktober 2015 heeft eiser een aanvraag tot verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een ghali sjiiet is, een minderheid onder de sjiieten die gediscrimineerd wordt door de andere sjiieten en soennieten. De religieus leider van eiser was [religieus leider]. [religieus leider] is vanwege zijn uitspraken vermoord door een soennitische politieagent en de agent is niet vervolgd voor de moord. Voor zijn dood had [religieus leider] aangegeven dat hij van plan was om een boek te schrijven over Ali, de centrale figuur in het geloof van het ghali sjiisme. De dood van [religieus leider] was aanleiding voor eiser om samen met anderen alsnog het betreffende boek te schrijven. De titel van het boek is ‘[titel boek]’. Eiser was betrokken bij het schrijven, financieren en verspreiden van het boek over Ali. Vanwege zijn betrokkenheid bij het voornoemde boek, is eiser door de rechtbank bij verstek veroordeeld tot de doodstraf. Eiser is vervolgens gevlucht nu hij zijn leven niet meer zeker is in Pakistan.

3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

  • -

    Identiteit, nationaliteit en herkomst;

  • -

    Aanhanger van het ghali sjiisme;

  • -

    Betrokkenheid bij het boek over Ali;

  • -

    Veroordeling wegens godslastering.

4. Ter onderbouwing van het relaas zijn de volgende documenten overgelegd:

  • -

    Een email van de [council] met als bijlage een inschrijvingsbewijs in het tableau van eisers Pakistaanse advocaat;

  • -

    Foto’s van het kantoor van de Pakistaanse advocaat;

  • -

    Een (doods)vonnis voor eiser van de Additional Session Judge, Lahore;

  • -

    Een uitdraai van maplandia.com waaruit blijkt dat distt. de gebruikelijke afkorting is van district;

  • -

    Een lijst van rechters van de website van de Pakistaanse rechtbank;

  • -

    Nieuwsberichten waarin de naam van de rechter die het doodsvonnis van eiser heeft uitgesproken, wordt genoemd;

  • -

    Een artikel waaruit blijkt dat de digitalisering van politie en rechtspraak in Pakistan nog in de kinderschoenen staat;

  • -

    Een formulier waaruit blijkt dat vonnissen goedgekeurd moeten worden voor publicatie;

  • -

    Een artikel waaruit blijkt dat dossiers zijn kwijtgeraakt.

5. Verweerder heeft de aanvraag bij het bestreden besluit afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De verklaringen van eiser aangaande het ghali sjiisme, de betrokkenheid bij het boek over Ali en de veroordeling wegens godslastering acht verweerder niet geloofwaardig.

5.1

Over het ghali sjiisme merkt verweerder op dat eiser vaag en summier heeft verklaard omtrent de wijze van uitoefening van het geloof. Daarnaast antwoordt eiser ontwijkend en vaag op vragen over het ghali sjiisme, zijn de verklaringen over zijn doop inconsistent en verklaart betrokkene vaag en summier over het aannemen van [religieus leider] als religieus leider. Verweerder volgt voorts niet dat eiser betrokken was bij het schrijven, financieren en verspreiden van het boek over Ali, nu niet met zekerheid valt vast te stellen dat eiser daadwerkelijk de introductie heeft geschreven. De naam van eiser staat niet vermeld op de namenlijst van degenen die het boek hebben gefinancierd en eiser verklaart vaag omtrent de reden daarvoor. Inzake de veroordeling wegens godslastering meent verweerder dat eiser enkel kopieën van de aangifte en arrestatiebevelen heeft overgelegd, waarvan de authenticiteit niet is vast te stellen. Bovendien acht verweerder het bevreemdingwekkend dat de advocaat van eiser wel kopieën van genoemde documenten heeft overhandigd, maar zijn advocaat hem geen vonnis van de rechtbank waaruit blijkt dat eiser is veroordeeld, heeft doen toekomen.

5.2

Voorts zijn de door eiser overgelegde documenten beoordeeld door Bureau Documenten van de IND. De brief van eisers advocaat kan vanwege het ontbreken van voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal niet beoordeeld worden door Bureau Documenten. Verder geeft verweerder aan dat zowel de betreffende advocaat als zijn kantoor niet op internet te vinden zijn, dat op het opgegeven adres via Google Maps het kantoor van de advocaat niet waar te nemen is en dat het document op inhoud niet overtuigt nu het bijvoorbeeld is opgesteld in matig Engels. Bureau Documenten kon ook over de echtheid van het vonnis geen uitspraak doen. Verder merkt verweerder naar aanleiding van eigen onderzoek op dat het vonnis opgesteld is in matig Engels, dat het bevreemding wekt dat de laatste regels van het document van de pagina ‘afgevallen’ lijken en dat het opmerkelijk is dat op het document enkel wat vage stempels en handtekeningen staan. Ook op de inhoud overtuigt het vonnis niet, nu nauwelijks wordt vermeld waarvan eiser beschuldigd zou zijn. Verder is zowel de uitspraak als de betrokken rechter niet te vinden op de website van de District Courts Lahore.

6. Eiser voert onder verwijzing naar de uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM van 2 oktober 2012 (Singh e.a. t. België, nr. 33210/11) aan dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de brief van eisers advocaat en het vonnis van de Additional Session Judge, Lahore. Ook bepleit eiser dat verweerder ten onrechte onderzoek aan de hand van een (individueel) ambtsbericht achterwege heeft gelaten en dat verweerder in strijd met de Werkinstructie 2014/10 heeft gehandeld. Eiser overlegt voorts enkele producties om de kritische kanttekeningen die verweerder in het bestreden besluit bij het vonnis en de brief van de advocaat heeft geplaatst, te weerleggen.

Eiser wijst er verder op dat zijn gegronde vrees ook onderbouwd wordt door het originele boek en kopieën van het FIR (First Information Report) en arrestatiebevelen. Van eiser kan niet verwacht worden dat hij de originele justitiële documenten overlegt. Over het boek merkt eiser op dat op pagina 22 en 23 van het boek onmiskenbaar volgt dat eiser is vermeld als één van de financiers van het boek. Verweerder heeft hier dan ook onvoldoende onderzoek naar gedaan. Gemachtigde voert aan dat de gelegenheid tot een aanvullend voornemen geboden had moeten worden ingevolge artikel 3.119 Vb.

Oordeel van de rechtbank

7. De rechtbank stelt vast dat eiser zijn identiteit heeft onderbouwd met een originele id-kaart, welk echt is bevonden. Eisers identiteit, nationaliteit en herkomst heeft verweerder geloofwaardig geacht. Voorts heeft eiser bij de zienswijze van 27 februari 2017 ter ondersteuning van zijn asielrelaas een (doods)vonnis en brief van zijn advocaat in Pakistan overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat aan deze documenten, en vooral het vonnis, bijzondere waarde dient te worden gehecht. Eiser beoogt hiermee immers de hoofdreden van zijn aanvraag om internationale bescherming te bewijzen, te weten dat hij in Pakistan ter dood is veroordeeld vanwege godslastering. Blijkens de verklaring van Bureau Documenten van 31 mei 2017 heeft Bureau Documenten de echtheid van de documenten niet kunnen beoordelen omdat het ontbreekt aan voldoende betrouwbaar vergelijkingsmateriaal. In het verslag staat daarbij vermeld dat ook deze documenten volledig zijn onderzocht.

Verweerder heeft desondanks ten aanzien van het door eiser overgelegde vonnis overwogen dat de inhoud en de echtheid ervan niet zonder meer gevolgd kunnen worden. Daartoe heeft verweerder opgemerkt dat het bevreemding wekt dat het vonnis is opgesteld in matig Engels, de laatste regels van het document van de pagina ‘afgevallen’ lijken, dat het opmerkelijk is dat op het document enkel wat vage stempels en handtekeningen staan en een stempel een spelfout bevat. Ook op de inhoud overtuigt het vonnis niet, nu nauwelijks wordt vermeld waarvan eiser beschuldigd zou zijn, aldus verweerder. Verweerder heeft zowel de uitspraak als de betrokken rechter niet kunnen vinden op de website van de District Courts Lahore.

7.1

De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder gegeven motivering om niet van de echtheid van het door eiser overgelegde vonnis uit te gaan onvoldoende is. Daartoe wordt allereerst overwogen dat Bureau Documenten de door verweerder geconstateerde bevreemdingwekkende aspecten niet heeft gerelateerd terwijl wel is vermeld dat de documenten volledig zijn onderzocht. Nu verweerder zijn conclusie niet heeft onderbouwd met verwijzing naar openbare bronnen waaruit de inhoud en opmaak van Pakistaanse vonnissen blijkt, heeft verweerder zonder nader onderzoek niet kunnen twijfelen aan de echtheid van het vonnis omdat het in gebrekkig Engels is opgesteld en de opmaak vragen oproept.

7.2

Aan het feit dat verweerder de betrokken rechter niet heeft kunnen vinden op de website van District Courts Lahore, kan niet de waarde gehecht worden die verweerder eraan hecht nu eiser een lijst heeft overgelegd van “Additional Judges” waarop de betrokken rechter wel staat vermeld alsmede een link waarop de betrokken rechter is te vinden onder nummer 95. Voorts heeft eiser ter zitting onweersproken gesteld dat de betrokken rechter onlangs is benoemd tot rechter bij een hogere gerechtsinstantie.

7.3

Ook het gegeven dat verweerder het vonnis niet heeft teruggevonden in de gedigitaliseerde bestanden van Pakistaanse uitspraken, rechtvaardigt niet de conclusie dat het vonnis niet authentiek is. Immers, verweerder heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze bestanden een volledige opsomming bevatten van alle in Pakistan gewezen vonnissen.

7.4

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het op de weg van verweerder had gelegen nader onderzoek te verrichten naar het door eiser overgelegde vonnis, eventueel door middel van het opvragen van een individueel ambtsbericht. Nu verweerder dit heeft nagelaten is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd.

7.5

Nu eiser documenten heeft overgelegd waaruit, indien deze echt zijn, gegronde vrees voor vervolging kan blijken, kan verweerder geen doorslaggevende betekenis toekennen aan de door verweerder geconstateerde bevreemdingwekkende en inconsistente aspecten in eisers asielrelaas.

8. Het beroep is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met het bepaalde in artikel 3:46 van de Awb. Hetgeen verder nog naar voren is gebracht kan aan het voorgaande niet afdoen en behoeft daarom geen verdere bespreking.

9. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

  • -

    Verklaart het beroep gegrond;

  • -

    Vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    Draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    Veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.002,

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Soffers, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Kroon, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 juli 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.