Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8309

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
16-04-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
AWB 17/14421
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft de aanvraag van eisers tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “uitoefening van familie- of gezinsleven op grond van artikel 8 EVRM” bij hun zoon afgewezen omdat niet is gebleken van ‘more than the normal emotional ties’ tussen eisers en hun zoon en zijn gezin. Verweerder heeft ten onrechte niet gehoord, nu geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. In het kader van de finale geschillenbeslechting, heeft de rechtbank beoordeeld of de rechtsgevolgen in stand kunnen blijven. Dit is niet het geval. Verweerder heeft in het primaire en bestreden besluit beleid toegepast dat niet in overeenstemming is met de jurisprudentie van het EHRM (A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606). Vervolgens heeft verweerder een onjuiste, te strikte, toetsingsmaatstaf gehanteerd bij zijn beoordeling van de vraag of sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder gaat in zijn besluitvorming namelijk uit van een exclusieve afhankelijkheid, terwijl uit de jurisprudentie van het EHRM (het arrest van 17 april 2012, Kopf en Liberda tegen Oostenrijk (ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806) niet valt af te leiden dat de afhankelijkheid exclusief moet zijn, wil sprake zijn van beschermenswaardig gezinsleven.

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 72
Algemene wet bestuursrecht 7:2
Algemene wet bestuursrecht 7:12
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/14421

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 16 april 2018 in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

geboren op [geboortedatum] ,

[eiser] , eiser,

geboren op [geboortedag] ,

beide van Chinese nationaliteit,

tezamen te noemen eisers,

(gemachtigde: mr. I.G. Eggen-te Pas, advocaat te Amsterdam),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

(gemachtigde: mr. J.P. Guérain, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst).

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “uitoefening van familie- of gezinsleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)” afgewezen.

Bij besluit van 18 augustus 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 16 maart 2018 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. De heer [referent] (referent) en zijn echtgenote zijn verschenen.

Overwegingen

  1. Ingevolge artikel 72, tweede lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw) wordt een beschikking omtrent de afgifte van een visum, waaronder begrepen een mvv, voor de toepassing van hoofdstuk 7 “Rechtsmiddelen” van de Vw gelijkgesteld met een beschikking omtrent een verblijfsvergunning regulier gegeven krachtens deze wet.

  2. De rechtbank betrekt bij de beoordeling de volgende feiten. Eisers willen gezinsleven uitoefenen in Nederland met referent, hun enige zoon. Referent is in het bezit van een verblijfsvergunning regulier met als verblijfsdoel “Arbeid als kennismigrant”. Referent is getrouwd en heeft twee dochters. Zowel zijn echtgenote als zijn dochters bezitten de Nederlandse nationaliteit.

  3. Verweerder heeft de aanvraag van eisers afgewezen op de volgende gronden. Tussen eisers en referent is sprake van gezinsleven ex artikel 8 EVRM. Echter, bij de afweging tussen enerzijds het persoonlijke belang van eisers om het gezinsleven met referent in Nederland uit te oefenen en anderzijds het algemene belang van de Nederlandse staat om een restrictief toelatingsbeleid te voeren, is meer gewicht toegekend aan het feit dat niet is gebleken van ‘more than the normal emotional ties’ (meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid) tussen referent en eisers en dat niet is gebleken van een objectieve belemmering om het gezinsleven in China uit te oefenen.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder erkend dat hij zowel in het primaire als het bestreden besluit een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd bij de beoordeling van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. De beoordeling van de vraag of sprake is van meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid had moeten plaatsvinden in het kader van de vaststelling of al dan niet sprake is van beschermenswaardig gezinsleven, niet in het kader van de belangenafweging. Echter, nu alle aangevoerde feiten en omstandigheden zijn meegewogen, zijn eisers hierdoor niet in hun belangen geschaad, aldus verweerder.

Verweerder stelt dat de weigering van de verblijfsvergunning niet in strijd is met artikel 8 EVRM.

4. Eisers voeren onder meer aan dat de hoorplicht is geschonden, omdat geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar.

4.1

De rechtbank is met eisers van oordeel dat de hoorplicht is geschonden. Van een kennelijk ongegrond bezwaar is slechts sprake als uit het bezwaarschrift reeds aanstonds blijkt dat de bezwaren ongegrond zijn en redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is over die conclusie. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan in dit geval geen sprake. De rechtbank wijst er in dit verband op dat verweerder in het verweerschrift en ter zitting heeft onderkend dat hij zowel in het primaire als in het bestreden besluit een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd. Dat dit het geval was, is (al) in bezwaar aangevoerd. Voorts blijkt uit de Werkinstructie 2016/10 dat horen in een zaak als deze in de rede ligt, nu sprake is van toetsing aan artikel 8 EVRM en, gelet op de beoordelingsvrijheid die verweerder in dat verband heeft, horen in beginsel deel uitmaakt van een zorgvuldige besluitvorming. Eisers hebben bovendien zowel in de aanvraagfase als in bezwaar vele stukken overgelegd ter staving van hun gemotiveerde stellingen dat volgens hen wel sprake is van strijd met artikel 8 EVRM.

Verweerder heeft dan ook ten onrechte niet gehoord. Hieruit volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit.

5. In het kader van de finale beslechting van het geschil beoordeelt de rechtbank vervolgens of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Zij overweegt daarover het volgende.

5.1

Eisers voeren aan dat de beoordelingswijze van verweerder in de besluitvorming in strijd is met de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM). Dat deze beoordelingswijze in strijd is met de jurisprudentie van het EHRM is bevestigd in de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1417).

5.2

De rechtbank overweegt dat het al gedurende geruime tijd vaste jurisprudentie is van het EHRM dat pas sprake is van (beschermenswaardig) gezinsleven tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid (additional elements of dependency). Het EHRM heeft dat bijvoorbeeld overwogen in rechtsoverweging 32 van het arrest van 12 juni 2010 in de zaak A.W. Khan tegen het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606). Als geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid en dus niet van beschermenswaardig gezinsleven, hoeft ook geen belangenafweging te worden gemaakt, omdat dan per definitie geen sprake kan zijn van schending van artikel 8 EVRM.

5.3

De rechtbank overweegt dat het beleid zoals verweerder dit hanteerde tot 8 september 2016 niet in overeenstemming was met de bovengenoemde jurisprudentie van het EHRM, hetgeen ook volgt uit de door eisers aangehaalde Afdelingsuitspraak van 29 mei 2017. Verweerder heeft zijn beleid, weergegeven in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en Werkinstructie 2015/4, aangepast, zodat dit in lijn is met de jurisprudentie van het EHRM. De rechtbank stelt echter vast dat verweerder het nieuwe toetsingskader niet heeft toegepast, hoewel de wijziging dateert van voor zowel het primaire als het bestreden besluit. Pas in het verweerschrift stelt verweerder dat geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven, vanwege het ontbreken van meer dan de gebruikelijke afhankelijkheid. In zowel het bestreden besluit als het primaire besluit heeft verweerder dat, ten onrechte, beoordeeld in het kader van de belangenafweging.

Ook deze beroepsgrond slaagt.

6. In het kader van de finale geschilbeslechting ligt vervolgens ter beoordeling voor de vraag of verweerder (niettemin) voldoende heeft gemotiveerd dat tussen eisers en referent geen sprake is van beschermenswaardig gezinsleven. In dat kader moet de vraag worden beantwoord of verweerder zich al dan niet terecht op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. De rechtbank komt tot deze toets omdat dit in overeenstemming is met het toetsingskader van het EHRM, zoals dit ook al gold ten tijde van het bestreden besluit. De rechtbank acht hierbij van belang dat eisers niet in hun belangen worden geschaad door deze benadering. Als de vraag naar het bestaan van bijkomende elementen van afhankelijkheid in de belangenafweging zou worden beoordeeld en er is geen sprake van bijkomende elementen van afhankelijkheid, kan deze belangenafweging nooit in hun voordeel uitvallen.

6.1

Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eisers en referent. Immers, een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid houdt in dat eisers meer dan normaal van één enkele persoon afhankelijk zijn en zonder deze specifieke persoon niet kunnen functioneren. Referent verblijft reeds een aantal jaren in Nederland. Het is gebleken dat eisers, ondanks de afwezigheid van referent, zich staande hebben weten te houden en hebben kunnen functioneren. Desalniettemin wordt niet betwist dat eisers medische klachten hebben die ertoe leiden dat zij zorg en hulp nodig hebben. Echter, niet aannemelijk wordt geacht dat referent de enige is die deze zorg c.q. hulp aan eisers kan verlenen. Voorts weegt verweerder mee dat de financiële ondersteuning door referent vanuit Nederland evenmin kan leiden tot de vaststelling van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid.

6.2

Eisers voeren daarentegen aan dat wel sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid. Daarbij gaat het om de vraag of sprake is van een mate van afhankelijkheid die de gebruikelijke afhankelijkheid tussen ouders en kinderen overstijgt. Eisers verwijzen hiertoe naar de uitspraak van deze rechtbank van 24 juli 2017 (ECLI:NL:RBDHA:2017:10630). Verweerder hanteert een te strikt criterium, dat bovendien geen grondslag vindt in de jurisprudentie van het EHRM, aldus eisers.

Referent heeft tot aan zijn vertrek naar Europa met zijn ouders gewoond. In 2014 is eiser ernstig ziek geworden en eiseres kan de zorg voor eiser niet meer in haar eentje dragen. Referent is enig kind en er is geen ander familielid dat de zorg voor eisers op zich kan nemen. Hij is hiertoe ook verplicht, gelet op het Chinese (één-kind) beleid. Dit alles is door verweerder niet bestreden. Dat eisers in theorie hulp zouden kunnen krijgen van een professionele partij in China laat onverlet dat er een sterke emotionele afhankelijkheid tussen eisers en referent bestaat en een sterke behoefte van eisers aan zorg en nabijheid van referent en zijn gezin. Eisers zijn voor hun geluk en gezondheid sterk afhankelijkheid geworden van de zorg en nabijheid van referent, zijn vrouw en hun kleinkind. Voorts is ook sprake van financiële afhankelijkheid. In dit verband zijn diverse financiële overzichten en specificaties overgelegd, waaruit volgt dat referent in de afgelopen vijf jaren ruim € 45.000,- aan eisers heeft gegeven om hen te helpen in hun levensonderhoud te voorzien. Sinds begin 2017 draagt referent maandelijks € 500,- bij.

6.3

De rechtbank overweegt als volgt. Uit vaste rechtspraak van het EHRM, waaronder het arrest van 17 april 2012, Kopf en Liberda tegen Oostenrijk (ECLI:CE:ECHR:2012:0117JUD000159806), volgt dat de vraag of sprake is van ‘more than the normal emotional ties’ een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Zie in dit verband ook de uitspraak van de Afdeling van 19 januari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:176). Voor de beoordeling daarvan kunnen relevant zijn: eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.

6.4

De rechtbank is, gelet op voornoemde jurisprudentie, met eisers van oordeel dat verweerder een onjuiste, te strikte, toetsingsmaatstaf heeft gehanteerd bij zijn beoordeling van de vraag of sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM. Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende gemotiveerd of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Verweerder gaat in zijn besluitvorming namelijk uit van een exclusieve afhankelijkheid, terwijl uit de jurisprudentie van het EHRM niet valt af te leiden dat de afhankelijkheid exclusief moet zijn, wil sprake zijn van beschermenswaardig gezinsleven. Ook de door verweerder in het verweerschrift aangehaalde uitspraken van het EHRM van 18 november 2014 en 12 januari 2010 in de zaken Senchisak tegen Finland (ECLI:NL:XX:2014:679) en Khan tegen het Verenigd Koninkrijk (ECLI:CE:ECHR:2010:0112JUD004748606) bieden hiervoor geen grondslag. Nu verweerder de door eisers geschetste omstandigheden, zoals weergegeven onder 6.2, enkel heeft getoetst aan het criterium van de exclusieve afhankelijkheid en niet in lijn met de onder 6.3 genoemde jurisprudentie, is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom in dit geval geen sprake is van ‘more than the normal emotional ties’ en dus beschermenswaardig gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.

Ook deze beroepsgrond slaagt.

7. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet alleen is genomen in strijd met artikel 7:2 Awb, maar ook met artikel 7:12 Awb, zodat de rechtbank geen aanleiding ziet om de rechtsgevolgen in stand te houden.

8. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer. Het bestreden besluit zal wegens strijd met de artikelen 7:2 en 7:12 Awb worden vernietigd. Verweerder zal daarom opnieuw op het bezwaar van eisers moeten beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen en krijgt hiervoor een termijn van zes weken.

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht zal vergoeden. Daarnaast zal de rechtbank verweerder veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 168,- aan eisers te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I. de Greef, rechter, in aanwezigheid van mr. C.W. van der Hoek, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 april 2018.

griffier rechter

afschrift verzonden aan partijen op:

Coll:

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.