Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8289

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
AWB 16 _ 7553 en AWB 17_2832
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ordemaatregel en overplaatsing in het dienstbelang naar ander dienstonderdeel. Rapport van onderzoek van klachten over eiser. Geen onzorgvuldig onderzoek. Eiser is niet in zijn belangen geschaad door aan hem verstrekken van een geanonimiseerde versie van het onderzoeksrapport. Eiser had inzage in de niet-geanonimiseerd rapport en daarbij behorende bijlagen. Eiser is voldoende gelegenheid tot hoor- en wederhoor geboden, maar hij heeft om hem moverende redenen daarvan beperkt gebruik gemaakt. Verweerder heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de ordemaatregel en de overplaatsing van eiser nodig zijn om te voorkomen dat de aanwezigheid op de werkvloer tot ongewenste situaties kan leiden, nu de betrokken medewerkers daar werkzaam zijn en eiser blijkens het rapport niet in zijn of een andere functie bij dat dienstonderdeel kan worden gehandhaafd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 16/7553 en SGR 17/2832

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2018 in de zaken tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. V.L.J. Schöyer),

en

de Staatssecretaris van Financiën, verweerder,

(gemachtigde: mr.drs. A.A.W.M. van Gerwen).

Procesverloop

Bij besluit van 20 mei 2016 is aan eiser op grond van artikel 77 van het Algemeen ambtenarenreglement (ARAR) een ordemaatregel opgelegd, inhoudende dat aan eiser de toegang tot dienstlokalen, dienstgebouwen of het werk, dan wel het verblijf aldaar, wordt geweigerd, zodat het bevoegd gezag zich kan beraden op mogelijk te nemen vervolgstappen.

Bij besluit van 5 augustus 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder het tegen het besluit van 20 mei 2016 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit I beroep ingesteld (SGR 16/7553).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 25 oktober 2016 is eiser met ingang van 1 november 2016 ontheven uit zijn functie van [functie] en is eiser per gelijke datum op grond van artikel 57, tweede lid, van het ARAR geplaatst in een passende functie bij een ander dienstonderdeel.

Bij besluit van 10 november 2016 is ten aanzien van eiser bepaald dat het besluit van

25 oktober 2016 uit zijn P-dossier zal worden verwijderd twee jaar na de plaatsing op de nieuwe functie.

Bij besluit van 10 maart 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder de bezwaren van eiser tegen het besluit van 25 oktober 2016 en het besluit van 10 november 2016 ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit II beroep ingesteld (SGR 17/2832).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Verweerder heeft een deel van de in geding zijnde stukken met toepassing van artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) overgelegd.

Bij beslissing van 21 juni 2017 heeft de rechtbank (in een andere samenstelling) geoordeeld dat de verzochte beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

Eiser heeft de rechtbank toestemming gegeven om mede op grond van die informatie uitspraak te doen.

Het onderzoek ter zitting in beide beroepen heeft plaatsgevonden op 30 mei 2018.

Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens waren namens verweerder ter zitting aanwezig [persoon 1] en [persoon 2].

Overwegingen

1. De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken die verweerder met een beroep op artikel 8:29 van de Awb heeft ingediend, zijnde een rapport van onderzoek van het bureau Bezemer Kuiper & Schubad (BKS) van 13 mei 2016 en de bij dat rapport behorende bijlagen. Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting gaat de rechtbank voor haar oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1

Eiser was werkzaam in de functie van [functie] bij de Belastingdienst/Douane Schiphol Passagiers (DSP). Met ingang van 1 februari 2015 is eiser vanwege zijn werkzaamheden in de onderdeelcommissie DSP en de ondernemingsraad Douane vrijgesteld van de taken die uit deze functie voortvloeien.

1.2

Nadat begin 2016 vier klachten over eiser werden ontvangen, heeft verweerder aan het bureau BKS de opdracht gegeven om een onderzoek te doen naar de aan eiser verweten feiten.

Op 8 februari 2016 is eiser hierover geïnformeerd en is aan hem per direct buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor de duur van het feitenonderzoek. Met eiser is afgesproken dat hij gedurende het feitenonderzoek niet in een Douane/Belastingdienstgebouw, waaronder inbegrepen het werkgebied van DSP, komt, zijn toegangspas en zijn Schipholpas dient in te leveren, en dat hij op geen enkel manier met anderen dan zijn raadsman zal praten over de klachten en het feitenonderzoek. Eiser is erop gewezen dat indien hij zich niet houdt aan deze afspraken, het buitengewoon verlof zal worden omgezet in een schorsing voor de resterende duur van het onderzoek.

1.3

Het bureau BKS heeft in het kader van het onderzoek de vier klaagsters en eiser, alsmede getuigen en derden, afzonderlijk gehoord. De klaagsters en eiser zijn in de gelegenheid gesteld om de afgelegde verklaringen in te zien en een reactie daarop te geven.

Vervolgens is eiser door het bureau BKS uitgenodigd om het rapport van onderzoek in te zien en een slotreactie te geven.

Eiser heeft op 5 april 2016 de niet-geanonimiseerde versie van het rapport van het bureau BKS ingezien. Hij heeft echter geen gebruik gemaakt van de uitnodiging om een slotreactie op het rapport te geven.

Het bureau BKS heeft vervolgens het eindrapport van het onderzoek opgemaakt. In de conclusies van dit rapport is te lezen dat de onderzoekscommissie de klachten aannemelijk en gegrond acht. Uit het onderzoek is gebleken dat eiser klaagsters heeft geïntimideerd. Verder blijkt uit het rapport dat eiser zijn positie als teamleider, mentor en voorzitter van de onderdeelcommissie heeft misbruikt. In elk geval is het functioneren van alle klaagsters bemoeilijkt of onmogelijk gemaakt. In het rapport wordt geadviseerd om eiser niet meer in een hiërarchisch hogere positie te latente plaatsen ten opzichte van medewerkers – bijvoorbeeld als teamleider – en meer in het algemeen medewerkers niet in een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van eiser te positioneren en hem bijvoorbeeld geen mentorrol meer te laten vervullen. Op basis van de bevindingen adviseert het bureau BKS eiser niet te handhaven bij DSP, omdat de gevolgen voor klaagsters door het gedrag van eiser ingrijpend zijn geweest. Klaagsters ondervinden tot op heden de negatieve gevolgen. Het is van belang dat klaagsters in de toekomst niet het risico lopen om geconfronteerd te worden met eiser. Het bureau BKS adviseert verweerder hier actief op toe te zien.

1.4

Verweerder heeft eiser bij brief van 13 mei 2016 uitgenodigd om het volledige, niet-geanonimiseerde, rapport van het bureau BKS in te zien.

Eiser heeft aan verweerder medegedeeld dat hij van deze gelegenheid geen gebruik zal maken, omdat hij het niet eens is met de gang van zaken en met de aan de inzagemogelijkheid verbonden voorwaarden, namelijk dat eiser van het rapport geen kopieën mag maken en dat de inzage slechts in de aanwezigheid van een derde persoon mag plaatsvinden.

1.5

Hierna heeft verweerder het besluit tot het opleggen van een ordemaatregel van

20 mei 2016 genomen.

1.6

Bij brief van 23 mei 2016 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat hij, gelet op de conclusies in het rapport van het bureau BKS, de tegen eiser ingediende vier klachten aannemelijk en gegrond acht.

1.7

Bij brief (en e-mail) van 30 juni 2016 heeft verweerder het geanonimiseerde rapport van het bureau BKS aan eiser doen toekomen.

1.8

Op 6 juli 2016, voorafgaande aan het horen in bezwaar, is eiser zijdens verweerder telefonisch aangeboden om het niet-geanonimiseerde rapport van het bureau BKS in te zien.

Eiser heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt.

1.9

Bij besluit van 5 augustus 2016 (het bestreden besluit I) heeft verweerder, na eiser te hebben gehoord, het bezwaar tegen het besluit van 20 mei 2016 ongegrond verklaard.

1.10

Op 31 oktober 2016 is aan eiser het besluit van 25 oktober 2016 uitgereikt. Bij dit besluit is eiser ontheven uit zijn functie met ingang van 1 november 2016 en is eiser per gelijke datum geplaatst in een passende functie bij het dienstonderdeel [dienstonderdeel] op grond van artikel 57, tweede lid, van het ARAR.

1.11

Bij besluit van 10 november 2016 is op verzoek van eiser bepaald dat het besluit van 25 oktober 2016 uit zijn P-dossier zal worden verwijderd. Dit zal plaatsvinden twee jaar na de plaatsing van eiser bij het dienstonderdeel [dienstonderdeel]. Daarbij is tevens bepaald dat het besluit van 10 november 2016 blijvend in het P-dossier van eiser wordt opgenomen.

1.12

Bij besluit van 10 maart 2017 (het bestreden besluit II) heeft verweerder, na eiser te hebben gehoord, zijn bezwaren tegen het besluit van 25 oktober 2016 en het besluit van

10 november 2016 ongegrond verklaard.

2. De rechtbank overweegt als volgt.

2.1

De rechtbank stelt op grond van de verklaringen van eiser ter zitting vast, dat eiser met de onderhavige beroepen geen terugkeer in zijn, of een andere, functie bij

Douane Schiphol beoogt. Eiser heeft verklaard dat hij thans een leuke baan heeft en zich niet langer op het standpunt stelt dat zijn overplaatsing niet in een passende functie is. Eiser heeft verklaard dat hij de beroepen wel handhaaft omdat hij zich door de besluiten van verweerder zich in zijn eer en integriteit voelt aangetast. Ook mag eiser vanuit zijn huidige functie geen project op Schiphol doen vanwege de voornoemde besluiten. Eiser verzoekt daarom de rechtbank de rechtmatigheid van de bestreden besluiten te beoordelen. Eiser stelt dat verweerder de ordemaatregel en het besluit tot overplaatsing niet op het rapport van het bureau BKS mocht baseren, omdat dat rapport onzorgvuldig tot stand is gekomen. Eiser heeft in het kader van het onderzoek onvoldoende inzagemogelijkheid gehad en heeft geen slotreactie op het rapport gegeven. Eiser is in zijn verdediging geschaad, omdat aan hem slechts een geanonimiseerde versie van het rapport is verstrekt. Zonder de namen van de klagers en de getuigen is volgens eiser de achtergrond van de bestaande verhoudingen niet na te gaan en is het voor hem onmogelijk om verweer te voeren tegen de inhoud van de klachten. Eiser herkent zich niet in de klachten en meent dat het onderzoek is aangegrepen om hem van de functie van leidinggevende te verwijderen.

2.2

De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat aan de totstandkoming van het rapport zodanige gebreken kleven dat dit rapport om die reden niet als grondslag kan dienen voor de daarop ten aanzien van eiser genomen rechtspositionele besluiten. De rechtbank is gezien de met een beroep op artikel 8:29 van de Awb overgelegde stukken van oordeel dat het rapport op voldoende feitelijke basis berust. In het kader van het onderzoek is aan eiser gelegenheid tot hoor- en wederhoor geboden, en heeft eiser de niet-geanonimiseerde verklaringen van de klaagsters en de getuigen ingezien. Eiser heeft gesteld dat ten aanzien van de duur van de inzage een onredelijke tijdsbeperking was opgelegd en dat hij met zijn gemachtigde tijdens de inzage niet vrij kon overleggen. In de brief van verweerder van 13 mei 2015 is vermeld dat er twee dagen zijn gereserveerd voor eiser om het niet-geanonimiseerde rapport in te zien, omdat eiser eerder te kennen had gegeven te weinig tijd te hebben gehad om goed kennis te kunnen nemen van de stukken. Verder was het eiser tijdens de inzage toegestaan notities te maken en heeft verweerder hem vervolgens nog tot twee maal toe – bij brief van 13 mei 2016 en telefonisch op 6 april 2016 – de gelegenheid aangeboden om de niet-geanonimiseerde versie van het volledige rapport in te zien. Dat eiser van dit aanbod geen gebruik heeft gemaakt, komt in redelijkheid voor zijn rekening en risico.

Het betoog van eiser dat hem onvoldoende inzagegelegenheid werd geboden, slaagt gezien het vorenstaande niet. Een medewerker van verweerder was aanwezig bij de inzage, zodat het maken van kopieën van het rapport niet mogelijk was. Dit neemt niet weg dat het wel mogelijk was voor eiser om aan verweerder te vragen om in een andere ruimte met zijn raadsman te overleggen.

De omstandigheid dat het rapport tot stand is gekomen zonder een slotreactie van eiser, maakt ook niet dat het rapport op onzorgvuldig onderzoek is gebaseerd, nu eiser zelf van het geven van een slotreactie heeft afgezien.

De rechtbank is voorts niet gebleken dat de geanonimiseerde versie van het rapport niet leesbaar is, of dat de achtergrond van de bestaande verhoudingen niet na te gaan is doordat in het rapport namen zijn weggelakt. Eiser heeft getuigen kunnen aanvoeren en bezwaren tegen de conclusies van het rapport kunnen formuleren, waardoor er niet kan worden gezegd dat het adequaat voeren verweer tegen de op dat rapport gebaseerde besluiten voor eiser niet mogelijk is geweest, te meer nu eiser al eerder de niet-geanonimiseerde versie van het rapport heeft ingezien. De stelling dat eiser in zijn verdediging is geschaad doordat aan hem alleen een geanonimiseerde versie van het rapport is verstrekt, kan dan ook niet slagen.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder zich op grond van de bevindingen en de conclusies in het rapport in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de ordemaatregel en de overplaatsing van eiser nodig zijn om te voorkomen dat de aanwezigheid van eiser op Douane Schiphol tot ongewenste situaties kan leiden, nu de betrokken medewerkers daar werkzaam zijn en eiser blijkens het rapport niet in zijn of een andere functie bij dat dienstonderdeel kan worden gehandhaafd. Verweerder heeft bij het afwegen van de betrokken belangen het dienstbelang, dat met het nemen van de voornoemde besluiten is gediend, in redelijkheid zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij het behouden van zijn functie.

Eiser betwist niet langer dat zijn nieuwe functie passend is. Dat eiser vanuit deze nieuwe functie thans geen project op Schiphol mag uitvoeren, kan gezien de conclusies in het rapport niet tot het oordeel leiden dat het besluit tot ontheffing uit zijn functie jegens eiser onevenredig is.

Verweerder heeft bij besluit van 10 november 2016 bepaald dat het besluit van 25 oktober 2016 na twee jaar uit het P-dossier van eiser zal worden verwijderd. Eiser heeft niet onderbouwd waarom de termijn van twee jaar onredelijk is. De rechtbank is het ook anderszins niet gebleken dat verweerder niet in redelijkheid dat besluit heeft kunnen nemen.

2.3

Gelet op het vorenstaande kom de rechtbank tot de slotsom dat het bestreden besluit I en het bestreden besluit II standhouden.

3. De beroepen zijn ongegrond.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep SGR 16/7553 en het beroep SGR 17/2832 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. J.J.P. Bosman en

mr. F. Arichi, leden, in aanwezigheid van mr. I.N. Powell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.