Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8275

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
awb 17/14484
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

intrekking, verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, zwaar inreisverbod, langdurig rechtmatig verblijf, 8 evrm privéleven, afname ernst delichten, beroep gegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 17/14484

uitspraak van de meervoudige kamer voor vreemdelingenzaken van 10 juli 2018 in de zaak tussen

[naam] , eiser,

gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. P. van Zijl.

Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken met ingang van 3 augustus 2012, bepaald dat eiser Nederland binnen vier weken dient te verlaten en aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd.

Eiser heeft hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 13 september 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ongegrond verklaard en het bezwaar gericht tegen het inreisverbod ongegrond verklaard.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 29 januari 2018. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens was ter zitting aanwezig [naam1] , de zus van eiser. Zij is als getuige gehoord. Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Op 5 februari 2018 heeft de rechtbank het onderzoek heropend. Daarbij is verweerder verzocht om uitsluitsel te geven over de vraag of het, gelet op eisers antecedenten en de destijds geldende regelgeving, op enig moment vóór 1 juli 2012 mogelijk was om tot intrekking van de verblijfsvergunning over te gaan en, zo ja, wanneer.

Bij brief van 13 februari 2018 heeft verweerder gereageerd.

Vervolgens heeft eiser nogmaals gereageerd bij brieven van 26 maart 2018 en 4 april 2018. Eiser heeft daarbij verzocht om een nadere mondelinge behandeling.

De vervolgzitting heeft plaatsgevonden op 17 mei 2018. Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Ter zitting is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op 10 mei 1968 en bezit de Marokkaanse nationaliteit. Eiser verblijft sinds 17 september 1974 rechtmatig in Nederland. Op 31 maart 1991 is eiser in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd.

2. Uit het door verweerder geraadpleegde uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst blijkt dat eiser onder andere is veroordeeld voor diefstal, poging tot diefstal in vereniging, diefstal door middel van braak, diefstal voorafgegaan door geweld tegen personen, afpersing, mishandeling, poging tot zware mishandeling en huiselijk geweld.

3. Verweerder heeft om die reden de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken op grond van artikel 22, tweede lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), gelezen in samenhang met artikel 3.98 en 3.86 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Volgens verweerder is de intrekking niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), omdat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het persoonlijk belang van eiser. Het op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vw opgelegde inreisverbod voor de duur van twee jaar heeft verweerder in het bestreden besluit gehandhaafd.

4. Op wat eiser daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Ambtshalve

5. Blijkens de publicatie van het primaire besluit in de Staatscourant van 7 augustus 2017 zijn aan het tegen eiser uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van twee jaar de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw verbonden. Vanwege deze rechtsgevolgen is de rechtbank anders dan verweerder van oordeel dat sprake is van een zogenoemd ‘zwaar inreisverbod’. De (betrekkelijk) korte duur van het inreisverbod, twee jaar, doet daaraan niets af.

6. Uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling)1 volgt dat eiser geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd zolang een zwaar inreisverbod voortduurt. Of verweerder de verblijfsvergunning heeft kunnen intrekken, kan ten volle in het kader van de toetsing van het inreisverbod aan de orde worden gesteld. De rechtbank zal daarom de gronden die eiser tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning heeft aangevoerd, beoordelen in het kader van het beroep tegen het inreisverbod.

Toepassing glijdende schaal

7. Na heropening heeft verweerder aannemelijk gemaakt dat hij vóór 1 juli 2012, de datum waarop verweerder de toepassing van de glijdende schaal van artikel 3.86 van het Vb heeft verscherpt, niet de mogelijkheid had om over te gaan tot intrekking van de aan eiser verleende vergunning op grond van het openbare orde beleid. De rechtbank verwijst daartoe naar de schriftelijke reactie van verweerder van 13 februari 2018 op de heropeningsbeslissing van 5 februari 2018.

Unierecht bij intrekking

8. Eiser betoogt ten onrechte dat verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning niet heeft beoordeeld of sprake is van een bijzonder ernstig misdrijf in Unierechtelijke zin en of eiser door zijn persoonlijk gedrag een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. Het Unierechtelijke openbare ordecriterium is niet van toepassing, aangezien het bestreden besluit de intrekking van een nationaalrechtelijke verblijfsvergunning betreft. Niet is gebleken dat eiser ooit een aanvraag heeft ingediend om een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen.

Vertrouwensbeginsel

9. Eiser stelt dat verweerder het vertrouwensbeginsel heeft geschonden door op 2 februari 2017 het voornemen tot intrekking van eisers verblijfsvergunning bekend te maken. Volgens eiser heeft verweerder hem op 5 december 2016 nog een nieuw verblijfsdocument verstrekt, ondanks het feit dat hij in het aanvraagformulier had vermeld dat hij de antecedentenverklaring niet kon ondertekenen.

De rechtbank volgt deze stelling van eiser niet. Uit het feit dat aan eiser slechts twee maanden vóór het voornemen tot intrekking nog een nieuw verblijfsdocument is verstrekt, mocht eiser niet afleiden dat zijn strafrechtelijke antecedenten niet zouden leiden tot intrekking van de verblijfsvergunning. Van schending van het vertrouwensbeginsel is derhalve geen sprake.

Artikel 8 van het EVRM

10. Niet in geschil is dat de intrekking van eisers verblijfsvergunning een inmenging vormt in eisers familieleven en privéleven in Nederland, zoals beschermd door artikel 8 van het EVRM2. Deze inmenging kan gerechtvaardigd zijn ter bescherming van de openbare orde in Nederland. Ter beoordeling in dat verband is of de intrekking van eisers verblijfsvergunning getuigt van een evenwichtige afweging van de daarbij betrokken belangen.

11. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder bij die belangenafweging heeft getoetst aan de ‘guiding principles’ zoals vastgesteld door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in de arresten Boultif tegen Zwitserland van 2 augustus 2001, nr. 54273/00, en Üner tegen Nederland van 18 oktober 2006, nr. 46410/99. Verweerder is vervolgens tot de conclusie gekomen dat het belang van de bescherming van de openbare orde tegen de aanwezigheid van eiser in Nederland zwaarder weegt dan eisers persoonlijk belang om in Nederland te mogen blijven.

12. Ter zitting is de zus van eiser als getuige gehoord over de feitelijke invulling van het familieleven van eiser in Nederland, waaronder het gezinsleven met zijn Nederlandse dochter [naam2] , geboren op 8 augustus 2010.

13. Uit de stukken en de verklaring van de getuige is naar voren gekomen dat het gezinsleven tussen eiser en zijn dochter er in grote lijnen uit bestaat dat eiser zijn dochter vaak van school haalt en op haar past, wanneer haar moeder moet werken.

14. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de inmenging in dit gezinsleven gerechtvaardigd is. Van belang hierbij is dat eiser na de geboorte van zijn dochter in 2010 niet is gestopt met het plegen van strafbare feiten. Het laatste delict waarvoor eiser onherroepelijk is veroordeeld, opzetheling, is gepleegd in de periode 27 juni 2016 tot en met 9 juli 2016. Verder blijkt uit de stukken dat pas in 2014 door bemiddeling van Bureau Jeugdzorg een begeleide omgangsregeling tussen eiser en zijn dochter tot stand is gekomen. Eiser heeft zijn dochter toen een aantal malen onder begeleiding in het ‘Omgangshuis’ gezien en er is een ouderschapsplan opgesteld. Vervolgens heeft eiser haar op 3 maart 2017 als zijn dochter erkend.

15. Ter zitting heeft eisers zus verklaard dat zij een sterke band heeft met eiser omdat hij sinds het overlijden van hun vader, als oudste zoon, de vaderrol vervult. Als alleenstaande moeder kan zij op hem terugvallen. Zij heeft zijn steun nodig.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder echter, gelet op het aantal misdrijven waarvoor eiser is veroordeeld, het belang van de Nederlandse Staat in dit kader zwaarder mogen laten wegen dan het belang van eiser bij het onderhouden van familieleven met zijn zus.

16. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de intrekking een ongerechtvaardigde inmenging is in zijn privéleven heeft eiser zich onder andere beroepen op een uitspraak van de Afdeling van 7 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1525.

17. Vast staat dat eiser, die in september 1974 Nederland is binnengekomen, tot de ingangsdatum van de intrekking van de vergunning, 3 augustus 2012, bijna 38 jaar rechtmatig in Nederland heeft verbleven. Verweerder heeft bij de door hem gemaakte belangenafweging doorslaggevend geacht dat eiser in de periode van 1989 tot en met 2016 in totaal 18 jaar en 11 maanden in detentie heeft doorgebracht, voor het merendeel in verband met het plegen van ernstige geweldsdelicten. Verder is van belang geacht dat niet is gebleken dat eiser een vaste werkkring heeft opgebouwd of anderszins een relevante bijdrage heeft geleverd aan de Nederlandse samenleving.

18. Blijkens het uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst dateren de laatste zware veroordelingen van 28 juli 2004 (vijf jaar gevangenisstraf) en 6 september 2007 (twee jaar en zes maanden gevangenisstraf). In de periode van 2012 tot 2016 zijn de feiten waarvoor eiser is veroordeeld lichter van aard. Het betreft onder andere veroordelingen van 17 maart 2014 voor huiselijk geweld, gepleegd op 3 augustus 2012, en een veroordeling van 29 augustus 2016 voor opzetheling, gepleegd in de periode van 27 juni 2016 tot en met 9 juli 2016. Ook vermeldt het uittreksel nog een aantal openstaande zaken betreffende een verdenking van straatroof, gepleegd op 17 juli 2014, diefstal met geweld gepleegd op 14 april 2015 en opzetheling, gepleegd in de periode van 22 juli 2015 tot en met 3 september 2015. Voor de beoordeling kon verweerder echter niet afgaan op deze openstaande zaken, nu deze ten tijde van het bestreden besluit, en, voor zover bekend, ook daarna niet hebben geleid tot een onherroepelijke strafrechtelijke veroordeling.

19. De rechtbank stelt vast dat de intrekking is gebaseerd op de zwaardere delicten die zijn gepleegd vóór 3 augustus 2012. Zij leidt uit het voorgaande af dat daarna sprake is van een afname in de aard en ernst van de gepleegde delicten. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit bij de belangenafweging onvoldoende heeft onderkend. Daarom is sprake van een motiveringsgebrek. Het bestreden besluit is in zoverre in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. In het kader van eisers beroep op het recht op respect voor zijn privéleven, als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, dient verweerder een nieuwe belangenafweging te maken en daarin de lange duur van het rechtmatig verblijf af te zetten tegen de aard en ernst van eisers antecedenten, waarbij betekenis toekomt aan het gewijzigde delictgedrag van eiser.

Slotsom

20. Gelet op het voorgaande kan het op de intrekking van de verblijfsvergunning gebaseerde inreisverbod voor de duur van twee jaar geen stand houden. De rechtbank zal het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op het inreisverbod vernietigen. De rechtbank ziet tevens aanleiding om het primaire besluit te herroepen voor wat betreft het inreisverbod. Daarmee heeft eiser ook belang bij de beoordeling van het bestreden besluit voor zover dat betrekking heeft op de intrekking van zijn vergunning. De rechtbank zal ook dit besluit vernietigen om de hierboven genoemde redenen.

21. Er is aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Deze kosten zijn op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.503 in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen bij de eerste zitting, ½ punt voor de nadere reactie en ½ punt voor het verschijnen bij de vervolgzitting, met een waarde per punt van € 501 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaar;

  • -

    herroept het primaire besluit voor wat betreft het onderdeel dat betrekking heeft op het inreisverbod;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 1.503 (vijftienhonderddrie euro), te betalen aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.Th. de Roos, rechter en voorzitter, en mr. J.F.I. Sinack en mr. M.J.L. Holierhoek, rechters, in aanwezigheid van mr. J. Loonstra, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 bijvoorbeeld de uitspraken van 9 juli 2013, ECLI:NL:RVS:2013:298, en 18 februari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:638

2 Het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.