Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8258

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
NL18.11359
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Noorwegen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG


Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11359


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. M. Singh).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling genomen op de grond dat Noorwegen verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11360, plaatsgevonden op 5 juli 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

Eiser, van Eritrese nationaliteit, heeft op [datum] 2018 een asielaanvraag ingediend. Uit onderzoek op grond van artikel 34 van Verordening (EU) 604/2013 (hierna: de Dublinverordening) is gebleken dat eiser door de Noorse autoriteiten in het bezit is gesteld van een verblijfsvergunning, geldig tot 24 augustus 2018. Verweerder heeft de Noorse autoriteiten op 19 april 2018 op grond van de Dublinverordening verzocht om eiser terug te nemen. De Noorse autoriteiten hebben middels het claimakkoord van 23 april 2018 op grond van artikel 12, eerst lid van de Dublinverordening hiermee ingestemd.

Met betrekking tot eisers stelling dat verweerder ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van een registertolk overweegt de rechtbank als volgt

Ingevolge vaste jurisprudentie van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) (zie bijvoorbeeld 10 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:378) volgt dat artikel 28, derde en vierde lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) wat betreft de motivering geen andere eis stelt dan dat verweerder de reden voor het gebruikmaken van een niet-beëdigde tolk uiterlijk in het besluit schriftelijk vastlegt en dat deze reden een van de in het derde lid vermelde redenen moet zijn. In het geval een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, is het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering. Verweerder moet dan toelichten om welke reden geen beëdigde tolk beschikbaar was. De stelling van eiser dat verweerder ook dient aan te geven welke inspanningen zij heeft verricht om een registertolk te vinden voor het gehoor vindt geen steun in de toepasselijke regelgeving of voornoemde jurisprudentie.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het rapport aanmeldgehoor Dublin heeft aangegeven dat geen gebruik is gemaakt van een registertolk vanwege het niet tijdig beschikbaar hebben van een tolk met een registervermelding in eisers taal. Voorts heeft verweerder in het besluit van 15 juni 2018 uitgebreid gemotiveerd dat uit de aard en de termijnen van de Dublinprocedure volgt dat er vereiste spoed aanwezig is om snel vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag om toegang tot de procedures te waarborgen en de doelstelling om verzoeken om internationale bescherming snel in behandeling te nemen. Daarbij heeft verweerder ook gerefereerd aan het feit dat de centrale ontvangstlocatie waar vreemdelingen tijdens het identificatie- en registratieproces en het aanmeldproces verblijven niet geschikt is om gedurende langere tijd te verblijven en dat met gepaste spoed gehoord dient te worden met het oog op de doorstroom naar andere opvanglocaties die voor dublinclaimanten een andere is dan voor vreemdelingen waarvan de asielaanvraag in behandeling wordt genomen. De rechtbank is van oordeel dat in de door verweerder gegeven redenen een afdoende verklaring is gelegen voor het niet gebruiken van een registertolk. De rechtbank stelt voorts vast dat eiser niet heeft gesteld dat de wel ingeschakelde tolk de uitoefening van zijn werkzaamheden op onjuiste wijze heeft verricht. Evenmin heeft hij op enige wijze toegelicht hoe hij met het niet gebruiken van een registertolk zou zijn geschaad. Gelet op het voorgaande slaagt deze beroepsgrond niet.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat eiser met het door hem in beroep gevoerde betoog niet aannemelijk heeft gemaakt dat Noorwegen zijn verdragsverplichtingen niet zal nakomen. Eiser heeft niet onderbouwd welke concrete aanwijzingen er daartoe zouden zijn. Dat eiser, zoals hij stelt, in Noorwegen niet in aanmerking komt voor gezinshereniging met zijn echtgenote is hiervoor onvoldoende. Uit het dossier blijkt immers dat eiser in Noorwegen is toegelaten onder de aldaar geldende gezinsherenigingsbepalingen voor verblijf bij zijn zoon. Eiser dient zich, indien hij van oordeel is dat zijn echtgenote toegelaten zou moeten worden, te wenden tot de Noorse autoriteiten met een verzoek. De enkele stelling dat dit verzoek zou zijn afgewezen maakt niet dat eiser hiermee ook maar een begin aan onderbouwing heeft gemaakt dat Noorwegen zich niet aan haar internationale verplichtingen zou houden.

Verweerder heeft zich – met de in het besluit gegeven motivering – dan ook terecht op het standpunt gesteld dat geen grond bestaat voor het oordeel dat ten opzichte van Noorwegen niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan of dat door de overdracht van eiser aan Noorwegen een situatie zal ontstaan die strijdig is met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De rechtbank is voorts van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming van eiseres hier te lande te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening nu eiseres geen bijzondere, individuele omstandigheden heeft aangevoerd die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigd. De enkele stelling dat eiser medische klachten en last van eenzaamheid heeft is hiertoe onvoldoende.

Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat verweerder met het besluit in strijd heeft gehandeld met arrest van het Hof van Justitie EU van 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465 omdat verweerder niet de rechtsgevolgen van het besluit heeft opgeschort hangende het beroep van eiser. Hierin kan zij niet worden gevolgd nu voornoemde uitspraak ziet op de rechtsgevolgen van een genomen terugkeerbesluit. Ingeval van eiser is hiervan geen sprake.

Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Ghrib, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Nobel, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.