Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8219

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
12-07-2018
Zaaknummer
AWB 17/16312 VK
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

intrekking verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, openbare orde, zwaar inreisverbod, schending artikel 8 EVRM, more thans normal emotional ties, fair balance, gegrond

3.98 Vb, 3.86 Vb, artikel 8 EVRM

Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, is in 1991 op zijn veertiende jaar Nederland ingereisd en heeft sinds 4 augustus 1995 rechtmatig verblijf. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, zodat verweerder in beginsel bevoegd was de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken en tegen hem een inreisverbod uit te vaardigen van tien jaren. Verweerder heeft in de belangenweging in het kader van artikel 8 EVRM niet deugdelijk gemotiveerd waarom het bestaan van more than normal emotional ties met eisers zus en haar gezin, bij wie eiser al 27 jaar verblijft, de zeer sterke banden van eiser met Nederland en het ontbreken van, dan wel de beperkte banden van eiser met Marokko niet opwegen tegen de in het nadeel van eiser wegende strafbare feiten. Er is sprake van schending van artikel 8 EVRM. Het beroep is gegrond en het primaire besluit waarbij aan eiser een inreisverbod is opgelegd wordt herroepen. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen op het bezwaar tegen de intrekking van de vergunning binnen zes weken na verzending van de uitspraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/16312

uitspraak van de meervoudige kamer van 3 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser] , geboren op [geboortedatum] 1977, van Marokkaanse nationaliteit, eiser

(gemachtigde: mr. M.J.A. Bakker),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. I. Lemmers).

Procesverloop

Bij besluit van 5 november 2015 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van eiser ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 3 oktober 2012. Tegen eiser is verder een zwaar inreisverbod van tien jaren uitgevaardigd.

Bij besluit van 6 december 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Bij uitspraak van 18 januari 2018 (AWB 17/14552) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank, deze zittingsplaats, eisers verzoek om een voorlopige voorziening hangende beroep te treffen, toegewezen totdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het beroep.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft verzocht om vrijstelling van betaling van het griffierecht. De rechtbank ziet aanleiding om dit verzoek toe te wijzen.

2. Eiser is afkomstig uit Marokko. Hij is na het overlijden van zijn ouders op veertienjarige leeftijd op 13 augustus 1991 Nederland ingereisd en hij heeft sinds 4 augustus 1995 rechtmatig verblijf in Nederland. In 2001 heeft eiser een verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd gekregen.
Op 9 december 1994, vóór de aanvang van zijn rechtmatig verblijf, heeft eiser 3 misdrijven gepleegd. Vervolgens is eiser sinds 1996 veroordeeld wegens diverse misdrijven. Het gaat onder meer om veroordelingen wegens diefstal met geweld, (poging tot) diefstal in vereniging door middel van braak, (poging tot) diefstal door middel van braak, (poging tot) diefstal in vereniging, (poging tot) diefstal, medeplegen van poging tot oplichting, belediging van een ambtenaar in functie, wederspannigheid en eenvoudige belediging. Eiser heeft vanaf 1995 53 misdrijven gepleegd waarvoor hij is veroordeeld en hij heeft daarvoor in totaal ongeveer 59 maanden detentie opgelegd gekregen.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd dat eisers verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd vanaf 3 oktober 2012 dient te worden ingetrokken in verband met de strafrechtelijke veroordelingen en dat tegen hem een zwaar inreisverbod dient te worden uitgevaardigd voor de duur van tien jaren. Verweerder heeft de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd ingetrokken op grond van artikel 22 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op 9 december 1994, vóór de aanvang van eisers rechtmatig verblijf op 4 augustus 1995, heeft eiser reeds drie misdrijven gepleegd waarop een strafbedreiging van drie jaren of meer staat en waarvoor eiser twee maanden gevangenisstraf opgelegd heeft gekregen, zoals vermeld in artikel 3.98 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Op dat moment overschreed eiser dus al de norm, aldus verweerder. Eiser voldoet ook aan de voorwaarden van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb. Eisers rechtmatig verblijf in Nederland begon in Nederland op 4 augustus 1995. Eiser is vervolgens veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor drie misdrijven gepleegd op 5 mei 1996 en in de periode van 1 tot en met 6 juli 1996, waardoor de norm van artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb, wordt overschreden. De verblijfsduur van eiser was toen korter dan één jaar. Eiser had op dat moment minder dan drie jaren rechtmatig verblijf en overschrijdt ook op dat moment de in artikel 3.86, vijfde lid, van het Vb, gestelde norm van één dag gevangenisstraf. Ter zitting heeft verweerder desgevraagd toegelicht dat het voorgaande betekent dat hij zich primair op het standpunt stelt dat eiser op de dag dat hij rechtmatig verblijf kreeg al voldeed aan de voorwaarden voor intrekking van de verblijfsvergunning. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat dit op 6 juli 1996 het geval was.
Omdat eiser op 3 oktober 2012 een misdrijf heeft gepleegd waardoor toepassing van het vanaf 1 juli 2012 verscherpte artikel 3.86 van het Vb mogelijk is, heeft verweerder de verblijfsvergunning met ingang van die datum ingetrokken. In aanmerking genomen dat eiser sinds december 1994, dus gedurende bijna 24 jaar, zeer veel misdrijven heeft gepleegd, waaronder ook geweldsmisdrijven, is verweerder van oordeel dat eiser een daadwerkelijk en actueel gevaar vormt voor de openbare orde. De intrekking van de verblijfsvergunning is volgens verweerder niet in strijd met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Het belang van de Nederlandse overheid weegt zwaarder dan de belangen van eiser. Omdat eiser een gevaar voor de openbare orde is, heeft verweerder een inreisverbod uitgevaardigd op grond van artikel 66a, tweede lid, van de Vw en paragraaf A4/2.1 en A4/3.1, onder b (de rechtbank begrijpt: A4/2.4) van de Vreemdelingencirculaire 2000. Verweerder heeft de duur van het inreisverbod bepaald op tien jaren, op grond van artikel 66a, zevende lid, aanhef en onder a, van de Vw, in samenhang met artikel 6.5a, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van het Vb.

4. De beroepsgronden zien zowel op de intrekking van de aan eiser verleende verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd, als op het uitgevaardigde inreisverbod.

5. De rechtbank overweegt ambtshalve als volgt. Verweerder heeft tegen eiser een inreisverbod uitgevaardigd met de rechtsgevolgen als bedoeld in artikel 66a, zevende lid, van de Vw. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) volgt dat eiser, zolang dit inreisverbod voortduurt, geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen de intrekking van de aan hem verleende verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd.1 Dat beroep kan immers niet leiden tot ongedaanmaking van de intrekking van de verblijfsvergunning, nu eiser geen rechtmatig verblijf kan hebben zolang het inreisverbod voortduurt. Of de aan eiser verleende verblijfsvergunning terecht is ingetrokken, kan ten volle in het kader van dat inreisverbod aan de orde worden gesteld. De rechtbank zal dat wat eiser aanvoert tegen de intrekking van de verblijfsvergunning daarom beoordelen alsof dit deel uitmaakt van zijn gronden gericht tegen het inreisverbod.


Toepassing van de glijdende schaal, artikel 3.86 van het Vb.

6. De rechtbank zal eerst de beroepsgrond bespreken die is gericht tegen verweerders toepassing van de glijdende schaal, zoals neergelegd in artikel 3.86 van het Vb, met als gevolg dat eisers verblijfsvergunning is ingetrokken.

7. Eiser heeft betoogd dat de glijdende schaal onjuist is toegepast door verweerder. Eiser heeft al sinds 4 augustus 1995 rechtmatig verblijf in Nederland. Volgens hem moet zijn verblijfsduur worden berekend vanaf het moment dat hij rechtmatig verblijf kreeg tot 3 oktober 2012, aangezien dit de datum was van het strafbare feit dat voor verweerder kennelijk de aanleiding tot intrekking van de verblijfsvergunning vormde. Eiser heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 26 september 2017.2

8. De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 3.98, eerste lid, van het Vb de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd slechts op grond van artikel 22, tweede lid, onder c, van de Vw kan worden ingetrokken, indien de totale duur van de straffen of maatregelen ten minste gelijk is aan de toepasselijke norm, bedoeld in artikel 3.86, tweede, derde, dan wel vijfde lid van het Vb. In het tweede lid van artikel 3.98 van het Vb is bepaald dat de artikelen 3.86 en 3.87 van overeenkomstige toepassing zijn.

9. Volgens vaste rechtspraak van de ABRvS dient verweerder te besluiten met inachtneming van het op dat moment geldende recht.3 De in artikel 3.86 van het Vb vervatte glijdende schaal dient dan ook te worden toegepast zoals deze gold ten tijde van het nemen van het bestreden besluit. Uitgaande van het op dat moment (6 december 2017) geldende recht, dient tevens het overgangsrecht in aanmerking te worden genomen zoals opgenomen in artikel II van het Wijzigingsbesluit.4 Op grond hiervan blijft de wijziging van artikel 3.86 van het Vb buiten toepassing ten aanzien van de vreemdeling wiens verblijf op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit niet kon worden beëindigd. Daarom dient allereerst bepaald te worden of eisers verblijf op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van het Wijzigingsbesluit kon worden beëindigd.

10. De nota van toelichting, voor zover het genoemd artikel II betreft, luidt: “Artikel II ziet op de eerbiediging van de verblijfsrechtelijke positie van vreemdelingen van wie het verblijf op grond van het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van dit besluit niet kon worden beëindigd. Zonder nadere voorziening zou in voorkomende gevallen het verblijf van de vreemdeling die zich na de inwerkingtreding van dit besluit niet meer schuldig heeft gemaakt aan misdrijven, kunnen worden beëindigd om de enkele reden dat het onderhavige besluit in werking is getreden. De rechtszekerheid verzet zich hiertegen. Artikel II bepaalt hierom dat het nieuwe openbare ordebeleid in dergelijke gevallen buiten toepassing blijft, tenzij de vreemdeling zich na de inwerkingtreding van dit besluit wederom schuldig maakt aan misdrijven. In dat laatste geval wordt uitgegaan van de nieuwe normen, waarbij uiteraard ook de voor de inwerkingtreding van dit besluit wegens misdrijf opgelegde straffen en maatregelen worden betrokken”.

11. Uit het dossier blijkt dat eiser zich op 3 oktober 2012, dus ná 1 juli 2012, opnieuw schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf met een strafbedreiging van drie jaren of meer en daarvoor onherroepelijk is veroordeeld. Gelet hierop kon artikel 3.86 van het Vb, zoals dat luidde vanaf 1 juli 2012, worden toegepast op de situatie van eiser. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn primaire standpunt dat de norm reeds was overschreden op 4 augustus 1995 (datum ingang rechtmatig verblijf) vanwege de drie misdrijven gepleegd op 9 december 1994, reeds omdat deze misdrijven zijn gepleegd op het moment dat eiser nog geen rechtmatig verblijf had. Op 6 juli 2006 was de norm wél overschreden wegens de drie misdrijven gepleegd op 5 mei 1996 en in de periode 1 juli 1996 tot 6 juli 1996. Voor deze misdrijven heeft eiser een gevangenisstraf opgelegd gekregen van drie maanden. Eiser komt hiermee ruimschoots uit boven de maximale norm van 1 dag, zoals bedoeld in artikel 3.86, vierde en vijfde lid, van het Vb. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de glijdende schaal juist heeft toegepast. Het beroep op de uitspraak van deze rechtbank van 26 september 2017 slaagt derhalve niet. Daarmee voldoet eiser aan de criteria om de verblijfsvergunning in te trekken. De beroepsgrond slaagt dus niet.

Het criterium “gevaar voor de openbare orde”.

12. Eiser heeft aangevoerd dat geen sprake is van een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde in Nederland. Verweerder betrekt bij zijn beoordeling ten onrechte het vonnis van 30 augustus 2017, waarbij eiser is veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf wegens het plegen van een viertal misdrijven op 4 september 2016, 26 februari 2017, 27 juli 2017 en 20 juli 2017. Eiser heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld, waardoor er nog geen sprake is van een onherroepelijke veroordeling. Ten aanzien van de veroordelingen wegens artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht (WvSr) gepleegd in 1999 en 2007 laat verweerder ten onrechte in het midden of sprake is van geweld of enkel van dreiging en als er al geweld is, wat de aard van dit geweld dan is. Verder werpt verweerder ten onrechte tegen dat eiser is veroordeeld voor een drugsdelict, terwijl hij hiervoor is vrijgesproken. In het kader van actuele dreiging wenst eiser te benadrukken dat sprake is van een afnemende frequentie van strafbare feiten sinds 2007. Daarnaast is eiser al enige jaren, op een enkele terugval na, abstinent. Hij is op de goede weg, maar heeft hulp nodig om zijn drugsverslaving onder controle te krijgen.

13. De rechtbank overweegt dat uit de uitspraak van de ABRvS van 2 juni 20165 volgt dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 11 juni 2015 inzake Z.Zh. en I.O.6 moet worden afgeleid dat voor de uitvaardiging van een inreisverbod voor de duur van meer dan vijf jaar, minstens is vereist dat sprake is van een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging die een fundamenteel belang van de samenleving aantast. In de uitspraak van 20 november 2015 heeft de ABRvS verder uit het arrest Z.Zh. en I.O. afgeleid dat verweerder bij zijn beoordeling alle feitelijke en juridische gegevens moet betrekken die zien op de situatie van betrokkene in relatie met het door hem gepleegde strafbare feit, zoals onder meer de aard en ernst van dat strafbare feit en het tijdsverloop sinds het plegen daarvan.7

14. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser, gezien het aantal en de ernst van de door hem gepleegde misdrijven en het recidivegevaar, een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde, als bedoeld in het hiervoor genoemde arrest Z.Zh en I.O. Verweerder heeft in het verweerschrift en ter zitting erkend dat eiser is vrijgesproken voor het drugsdelict. De rechtbank volgt verweerder weliswaar niet in zijn standpunt dat het recente vonnis van 30 oktober 2017 dient te worden betrokken bij deze beoordeling, aangezien deze veroordeling nog niet onherroepelijk is, maar dit laat onverlet dat verweerder er op heeft kunnen wijzen dat eiser een groot aantal misdrijven heeft gepleegd en meerdere malen onherroepelijk is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Hierbij heeft verweerder ook de veroordelingen wegens artikel 312 van het WvSr mogen betrekken. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser met het plegen van de misdrijven waarvoor eiser onherroepelijk is veroordeeld veel schade heeft aangericht en het gevoel van veiligheid in de Nederlandse samenleving heeft aangetast. Dat eiser heeft aangevoerd dat sinds 2007 sprake is van een dalende frequentie van het aantal strafbare feiten en dat hij zich hoofdzakelijk schuldig heeft gemaakt aan vermogensdelicten bij bedrijven leidt niet tot de conclusie die eiser wenst. Ook het plegen van misdrijven tegen bedrijven tast een fundamenteel belang van de samenleving aan, evenals de straatroven met bedreigingen waar eiser zich schuldig aan heeft gemaakt. Bovendien is eiser na 2007, te weten in 2013, 2014 en 2015 herhaaldelijk onherroepelijk veroordeeld voor diverse misdrijven gepleegd in 2012, 2013 en 2014. Gelet op wat bekend is, kan verweerder niet uitsluiten dat eiser opnieuw misdrijven zal plegen. Dat sprake was van drugsproblematiek, betekent niet dat eiser de strafbare feiten niet is aan te rekenen. Dat eiser stelt dat hij op dit moment geen drugs gebruikt en hulp wil bij het beter onder controle krijgen van zijn verslaving is op zichzelf positief te noemen, maar dit – verder niet onderbouwde – standpunt mocht verweerder onvoldoende vinden om aan het voorgaande af te doen.

15. De rechtbank ziet in het voorgaande de vereiste motivering dat eiser een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde. Wat verweerder heeft opgesomd en uiteengezet rechtvaardigt, gezien de ernst, de aard en in het bijzonder ook het aantal misdrijven, deze conclusie. Omdat eiser, gezien het voorgaande, ten tijde van het primaire en het bestreden besluit een werkelijke, actuele en voldoende ernstige bedreiging vormde voor de openbare orde, was verweerder in beginsel bevoegd de aan eiser verleende verblijfsvergunning in te trekken en tegen eiser een inreisverbod uit te vaardigen. De beroepsgrond slaagt niet.

Artikel 8 van het EVRM.

16. Eiser heeft verder aangevoerd dat de intrekking van zijn verblijfsvergunning een schending oplevert van artikel 8 van het EVRM en derhalve in strijd is met artikel 3.86, zeventiende lid, van het Vb. Eiser verblijft al sinds zijn dertiende jaar in Nederland en is opgegroeid in het gezin van zijn oudere zus [A] , haar echtgenoot en hun vier kinderen. Eiser heeft altijd bij haar gewoond, behalve een korte periode waarin hij heeft geprobeerd zelfstandig te wonen. Nadien is hij wederom bij haar ingetrokken. Zijn zus biedt hem onderdak en ondersteunt hem financieel. Zij heeft zich als het ware als een moeder over hem ontfermd en hem onderdeel gemaakt van haar gezin. Dit gaat veel verder dan de gebruikelijke relatie tussen een broer en een zus. Dit alles geldt temeer nu eiser al jaren kampt met een ernstige ziekte in de vorm van een drugsverslaving. De plek die eiser in het gezin inneemt, ook voor zijn (achter)neven en (achter)nichten, heeft verweerder onvoldoende onderkend. Eiser verwijst daartoe naar de in bezwaar overgelegde verklaringen. Ten onrechte meent verweerder dat geen sprake is van more than normal emotional ties tussen eiser, zijn zus en haar gezin.

17. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een beschermenswaardig gezinsleven met zijn zus omdat niet is gebleken dat er sprake is van more thans normal emotional ties. Verder meent verweerder dat uit de gedragingen van eiser die staan vermeld in het uittreksel van de Justitiële Documentatiedienst genoegzaam volgt dat hij een ernstige inbreuk maakt op de openbare orde. Eiser is immers bij herhaling voor misdrijven veroordeeld. De in Nederland opgebouwde banden hebben vanwege het veelvuldig plegen van misdrijven een, voornamelijk, negatief karakter. Hoewel aangenomen wordt dat eiser banden heeft met Nederland, wegen deze niet op tegen het belang van de Nederlandse staat bij verblijfsbeëindiging.

18. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)8 en de jurisprudentie van de ABRvS9 volgt dat bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van het EVRM beschermde recht op eerbiediging van het privéleven onderscheidenlijk het familie- en gezinsleven een 'fair balance' moet worden gevonden tussen het belang van de betrokken vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. Daarbij moeten alle voor die belangenafweging van betekenis zijnde feiten en omstandigheden kenbaar worden betrokken.

19. De rechtbank is van oordeel verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van more than normal emotional ties tussen eiser, zijn zus en haar gezin. De ouders van eiser zijn allebei overleden toen eiser nog zeer jong was, zelfs voordat hij naar Nederland kwam. Na het overlijden van zijn ouders is hij bij zijn grootouders gaan wonen, die niet bij machte waren hem op te voeden. Eiser is in die tijd ook gepest en seksueel misbruikt, waardoor eiser getraumatiseerd is geraakt. Na het overlijden van zijn grootouders is eiser in 1991 naar zijn zus in Nederland gegaan, die zich – als gezegd – als een moeder over eiser heeft ontfermd. Eiser woont al sinds zijn veertiende levensjaar in Nederland en is opgegroeid en opgevoed in het gezin van zijn zus [A] . Dat eiser een korte periode – van 2010 tot 2014 – zelfstandig heeft gewoond, betekent niet dat er geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen eiser en zijn zus [A] . Vaststaat dat eiser na die periode weer bij zijn zus is gaan wonen. Verder wordt niet betwist dat eiser een drugsverslaving heeft. De psychische problemen van eiser worden door verweerder eveneens niet betwist. De zus van eiser was de sinds zijn komst naar Nederland als een pleegmoeder voor eiser, en degene door wie hij is opgevoed.

20. Eiser heeft verder aangevoerd dat hij sterke banden heeft met Nederland en dat de intrekking van zijn vergunning en het opleggen van een inreisverbod een schending is van zijn privéleven, zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Eiser is al sinds zijn veertiende jaar, dus inmiddels bijna 27 jaar, in Nederland en heeft geen banden met Marokko. Hij heeft geen familie in Marokko en heeft daar tot zijn dertiende jaar in deplorabele omstandigheden geleefd. Niet zonder meer kan worden aangenomen dat hij bekend is met de gebruiken en gewoontes in Marokko. Eiser spreekt gebrekkig Arabisch en geen Frans. Er wordt niet ontkend dat eiser voor menig strafbaar feit is veroordeeld, maar hij is nimmer veroordeeld voor een zeer ernstig misdrijf, die verblijfsbeëindiging na meer dan twintig jaar rechtvaardigt. Bij de belangenafweging in het kader van privéleven is door verweerder niet betrokken dat eiser reeds op minderjarige leeftijd naar Nederland is gekomen, dat hij gedurende zijn minderjarigheid feitelijk werd verzorgd door mensen met rechtmatig verblijf, de afwezigheid van een sociaal vangnet, de omstandigheid dat eiser vloeiend Nederlands spreekt, de omstandigheid dat hij de talen in Marokko niet of slechts gebrekkig spreekt en de omstandigheid dat eiser behoudens enkele vakanties nimmer is terug geweest in Marokko.

21. De rechtbank overweegt dat uit de arresten van het EHRM waarnaar verweerder heeft verwezen en uitspraken van de ABRvS10 volgt dat de vreemdeling moet worden geacht zeer sterke banden met Nederland te hebben, reeds wegens het feit dat hij op veertienjarige leeftijd naar Nederland is gekomen en sindsdien - inmiddels bijna 27 jaar - in Nederland heeft verbleven. De rechtbank acht hierbij van belang dat dit de vormende jaren zijn in iemands leven. Verder is van belang dat eiser sinds zijn komst naar Nederland feitelijk heeft verbleven bij en is verzorgd door een persoon die rechtmatig in Nederland verblijft, zodat geen risico bestaat dat deze verzorger gebruikmaakt van de positie van eiser om een verblijfsrecht te verkrijgen. Eiser heeft, mede nu niet in geschil is dat hij sinds zijn komst naar Nederland alleen voor vakantie naar Marokko is teruggekeerd, bovendien geen dan wel zeer beperkte banden met zijn land van herkomst.

22. De rechtbank is derhalve van oordeel dat verweerder in de belangenafweging niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het bestaan van more than normal emotional ties met eisers zus en haar gezin, de zeer sterke banden van eiser met Nederland en het ontbreken van, dan wel de beperkte banden van eiser met Marokko niet opwegen tegen de in het nadeel van eiser wegende strafbare feiten.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder bij het vinden van een ‘fair balance’ de relevante feiten en omstandigheden betrokken, maar hieraan, naar het oordeel van de rechtbank uiteindelijk in redelijkheid niet de juiste weging toegekend, zodat sprake is van een schending van artikel 8 van het EVRM.


Conclusie.

23. Gezien het voorgaande zal de rechtbank het beroep gericht tegen het inreisverbod gegrond verklaren en het besluit in zoverre vernietigen en - zelf in de zaak voorziend - het primaire besluit van 5 november 2015 waarbij aan eiser een inreisverbod is opgelegd - herroepen. Hierdoor herleeft eisers belang bij de beoordeling van zijn beroep tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning.

24. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder bij de intrekking van de verblijfsvergunning niet deugdelijk gemotiveerd waarom het bestaan van more than normal emotional ties met eisers zus en haar gezin, de zeer sterke banden van eiser met Nederland en het ontbreken van, dan wel de zeer beperkte banden van eiser met Marokko niet opwegen tegen de in het nadeel van eiser wegende strafbare feiten. Het beroep voor zover gericht tegen de intrekking van zijn verblijfsvergunning is derhalve gegrond wegens strijd met artikel 8 van het EVRM en artikel 7:12 van de Awb en rechtbank vernietigt het bestreden besluit ook overigens. Om proceseconomische redenen acht de rechtbank het niet opportuun om met toepassing van de bestuurlijke lus deze nieuwe besluitvorming te laten plaatsvinden bij de behandeling van het onderhavige beroep. Verweerder zal daarom een nieuw besluit op het bezwaarschrift moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

25. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    herroept het primaire besluit voor zover daarbij aan eiser een inreisverbod is opgelegd;

  • -

    draagt verweerder op binnen een termijn van zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift met inachtneming van deze uitspraak;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.002,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. O. Veldman, voorzitter, mr. C. Karman en mr. J.G. Nicholson, leden, in aanwezigheid van mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.

1 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 9 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:298) en van 18 juni 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:638).

2 ECLI:NL:RBDHA:2017:10992.

3 Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 29 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2630).

4 Besluit van 26 maart 2012 tot wijziging van artikel 3.86 van het Vb (Stb. 2012, 158), dat in werking is getreden op 1 juli 2012.

5 ECLI:NL:RVS:2016:1550.

6 ECLI:EU:C:2015:377.

7 ECLI:NL:RVS:2015:3579.

8 Zie onder meer de arresten Rodrigues da Silva en Hoogkamer tegen Nederland van 31 januari 2006, nr. 50435/99, Osman tegen Denemarken van 14 juni 2011, nr. 38058/09, Nunez tegen Noorwegen van 28 juni 2011, nr. 55597/09, en het arrest Butt tegen Noorwegen, van 4 december 2012, nr. 47017/09, (www.echr.coe.int).

9 Bijvoorbeeld de uitspraak van 13 juli 2009 (ECLI:NL:RVS:2009:BJ7527).

10 Uitspraken van 13 november 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:2069 en ECLI:NL:RVS:2013:2085), 27 februari 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:796) en 8 mei 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:1775).