Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8218

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
18.4553
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Toewijzing verzoek voorlopige voorziening hangende bezwaar, 8 EVRM, jongvolwassene.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/4553

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juli 2018 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[naam] , verzoekster,

gemachtigde: mr. W.N. van der Voet,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder,

gemachtigde: mr. N.H.T. Jansen.

Procesverloop

Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van verweerder van 14 juni 2018 (het bestreden besluit). Daarnaast heeft zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 juni 2018. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk was aanwezig N. Gorges.

Overwegingen

  1. Verzoekster heeft verzocht te worden vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen. Op grond van artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt van de indiener van een verzoekschrift griffierecht geheven. Hiervan kan een rechtzoekende worden vrijgesteld als hij aan de vereisten voldoet genoemd in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 februari 2015 (ECLI:NL:CRVB:2015:282). De voorzieningenrechter stelt aan de hand van de door verzoekster overgelegde verklaring vast dat zij aan de genoemde eisen voldoet en wijst het verzoek om vrijstelling van het griffierecht daarom toe.

  2. Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb, voor zover hiervan belang, kan, indien tegen een besluit voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

  3. Verzoekster is geboren op [geboortedatum] en bezit de Syrische nationaliteit. Op 6 januari 2018 heeft zij een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag bij besluit van 18 april 2018 niet in behandeling genomen omdat Italië daarvoor verantwoordelijk is. Dit besluit is in rechte vast komen te staan met de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, van 16 mei 2018 (NL18.7674) en van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 juni 2018 (201804324/1/V3).

  4. Op 7 juni 2018 heeft verzoekster een aanvraag ingediend tot verlening van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘familieleven op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM)’. Zij wil verblijven bij haar vader, [naam1] (referent).

  5. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat verzoekster niet beschikt over de vereiste machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder stelt zich op het standpunt dat er tussen verzoekster en referent geen sprake is van familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Verzoekster voldoet niet aan het beleid ten aanzien van jongvolwassenen, zoals neergelegd in paragraaf B7/3.8.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Zij is op 8 juni 2015 in het huwelijk getreden en heeft tijdens het gehoor op 11 januari 2018 in de Dublinprocedure aangegeven dat zij met haar man bij de ouders van haar man heeft gewoond. Zij heeft daarom niet altijd feitelijk behoord tot het gezin van haar ouders. Dat zij recent een verzoek tot echtscheiding heeft ingediend bij de rechtbank Den Haag, doet volgens verweerder aan het vorenstaande niets af.

  6. Op wat verzoekster daartegen heeft aangevoerd, wordt hierna ingegaan.
    De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

  7. Verweerder was voornemens om verzoekster op 2 juli 2018 over te dragen aan Italië. Na overleg tussen partijen en de rechtbank heeft verweerder toegezegd de overdracht uit te stellen tot na 6 juli 2018. Gelet op deze korte termijn, neemt de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan.

  8. Volgens paragraaf B7/3.8.1 van de Vc neemt verweerder familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM aan tussen ouders en hun meerderjarige kinderen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie (more than normal emotional ties) tussen het meerderjarige kind en diens ouder(s). Verweerder neemt familie- en gezinsleven aan als bedoeld in artikel 8 van het EVRM, zonder dat sprake moet zijn van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, uitsluitend als het meerderjarig kind jongvolwassen is, altijd feitelijk heeft behoord tot het gezin van de ouders, en nog steeds behoort tot het gezin van de ouders. Verweerder beoordeelt ten aanzien van jongvolwassenen per individueel geval of aanleiding bestaat voor de conclusie dat het kind altijd feitelijk heeft behoord en nog steeds behoort tot het gezin van de ouders. Verweerder betrekt hierbij in ieder geval of sprake is van één of meer van de volgende omstandigheden:

a. het kind woont zelfstandig;

b. het kind voorziet in eigen onderhoud;

c. het kind is een huwelijk of een relatie aangegaan; of

d. het kind is belast met de zorg voor een buitenechtelijk kind.

9. In verweerders Werkinstructie (WI) 2018/6 (paragraaf 2.4.5) staat voorts vermeld dat op basis van een individuele weging wordt beoordeeld of de jongvolwassen meerderjarige vreemdeling altijd feitelijk heeft behoord en nog steeds behoort tot het gezin van de ouders. Hiervoor is het, volgens de WI, van belang om feitelijke informatie te verzamelen over de gezinssituatie. Verder staat vermeld dat bij de beoordeling van de vraag of het kind een relatie is aangegaan (zie hierboven onder c), de aard, de duur en de intensiteit van de aangegane relatie een rol speelt.

10. De voorzieningenrechter stelt allereerst vast dat verweerder tijdens de zitting heeft bevestigd dat hij bij het bestreden besluit slechts uitgegaan is van de informatie die verzoekster heeft verstrekt tijdens het Dublingehoor op 11 januari 2018. Alles wat door en namens verzoekster naar voren is gebracht in deze reguliere procedure in het kader van artikel 8 van het EVRM, is niet bij de beoordeling betrokken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is er reeds daarom sprake geweest van onzorgvuldige besluitvorming. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat de vragen die gesteld worden tijdens een Dublingehoor slechts zien op de vaststelling welk land verantwoordelijk is voor de beoordeling van een asielverzoek en niet op het inwinnen van informatie over het familieleven. Verzoekster heeft tijdens de zitting ook aangegeven dat zij tijdens het Dublingehoor alleen antwoord mocht geven op de vragen die gesteld werden en dat zij niet mocht verklaren over haar leven in Syrië en daarna, of over haar huwelijk.

11. De voorzieningenrechter stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit heeft nagelaten de individuele beoordeling te maken die volgens het beleid en de WI vereist is. Niet is gebleken dat alle omstandigheden zijn meegewogen die verzoekster in deze procedure naar voren heeft gebracht omtrent haar huwelijk en de gezinssituatie. Verweerder heeft volstaan met een verwijzing naar het Dublingehoor en de vaststelling dat verzoekster daar heeft verklaard dat ze met haar man bij haar schoonouders heeft gewoond. Verweerder zal in de beslissing op bezwaar nader moeten motiveren of de feitelijke gezinsband tussen verzoekster en referent is verbroken en daarbij alle omstandigheden moeten betrekken die door verzoekster naar voren zijn gebracht.

12. Vervolgens stelt de voorzieningenrechter vast dat in het bestreden besluit niet is getoetst of er tussen verzoekster en referent sprake is van ‘more than normal emotional ties’, zoals voorgeschreven in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit in de Dublinprocedure al is beoordeeld en verwezen naar bladzijde 4 van het Dublinbesluit van 18 april 2018. Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat de beoordeling aan de hand van artikel 16 en 17 van de Dublinverordening dezelfde is als de beoordeling of sprake is van ‘more than normal emotional ties’ in de zin van artikel 8 van het EVRM.

13. De voorzieningenrechter volgt verweerder niet in dit standpunt. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is er in de Dublinprocedure geen plaats voor een beoordeling van artikel 8 van het EVRM. In de uitspraak van 19 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:563) overweegt de Afdeling als volgt: “De Dublinverordening beoogt wel waarborgen te bieden voor gezinsleden die asiel hebben aangevraagd om deze zoveel mogelijk bijeen te houden dan wel te blijven. De Dublinverordening is echter niet bedoeld als route waarlangs op reguliere gronden verblijf bij een gezinslid in Nederland kan worden verkregen; hiervoor staan andere regelingen open.” Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter volgt hieruit dat de beoordeling in de Dublinprocedure een andere is dan die in een reguliere gezinsherenigingsprocedure op grond van artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft daarom ter onderbouwing van zijn standpunt dat geen sprake is van ‘more than normal emotional ties’ niet kunnen volstaan met een verwijzing (ter zitting) naar het besluit in de Dublinprocedure.

14. Tot slot merkt de voorzieningenrechter op dat in het bestreden besluit is vermeld dat verzoekster niet meer in Nederland mag zijn. Dit is onjuist, zoals ter zitting ook door verweerder is erkend. Verzoekster heeft immers op grond van artikel 8, onder m, van de Vreemdelingenwet 2000 rechtmatig verblijf in afwachting van de feitelijke overdracht aan Italië.

15. Gelet op wat hiervoor is overwogen, heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter wijst daarom het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat de werking van het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoekster niet uit Nederland mag worden verwijderd totdat op het bezwaar is beslist. De voorzieningenrechter geeft verweerder daarbij in overweging dat de bezwaarfase kan worden benut voor het houden van een hoorzitting. Verweerder kan op deze manier meer informatie verkrijgen over de feitelijke situatie van verzoekster. Verder merkt de voorzieningenrechter op dat de termijn waarbinnen verweerder verzoekster kan overdragen aan Italië, pas op 18 augustus 2018 eindigt. Dit betekent dat er voldoende tijd is om een zorgvuldige beslissing te nemen op het bezwaar.

16. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

  • -

    wijst het verzoek toe, in die zin dat verweerder wordt verboden verzoekster uit Nederland te verwijderen totdat op het bezwaar is beslist;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.002,- (duizendtwee euro).

Deze uitspraak is gedaan door mr. C. van Boven-Hartogh, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.A. Dijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.