Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8211

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
16-07-2018
Zaaknummer
18/2404
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Turkse nat, ingangsdatum verblijfsvergunning arbeid als zelfstandige, arbeidsmarktaantekening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

Zaaknummer: AWB 18/2404

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser

gemachtigde: mr. M. Erik,

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (en diens rechtsvoorgangers), verweerder

gemachtigde: mr. J.M. van Leeuwe-Hokke.

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder eiser een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’.

Eiser heeft op 3 april 2018 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden op 7 juni 2018. Eiser is ter zitting verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser is geboren op [geboortedatum] en bezit de Turkse nationaliteit. Op 16 februari 2017 heeft eiser een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingediend voor het verrichten van arbeid als zelfstandige in het kader van zijn eenmanszaak [bedrijfsnaam] . Deze aanvraag is bij primair besluit van 23 mei 2017 afgewezen. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser hiertegen gegrond verklaard en de aanvraag alsnog ingewilligd, onder opheffing van het eerder aan eiser opgelegd inreisverbod. Daarbij heeft verweerder een verblijfsvergunning verleend met als ingangsdatum 20 februari 2018. Tevens is als arbeidsmarktaantekening opgenomen dat een tewerkstellingsvergunning (TWV) is vereist voor het verrichten van arbeid in loondienst.

2. Eiser is het niet eens met de ingangsdatum van de verleende vergunning en met de arbeidsmarktaantekening. Naar de mening van eiser heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat eiser eerst op 20 februari 2018 heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning. Eiser stelt daarbij, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) van 29 september 20101, dat verweerder de diplomawaardering ten onrechte doorslaggevend heeft geacht. Eiser stelt daarnaast dat hij de levensvatbaarheid van zijn onderneming en zijn werkervaring al eerder had onderbouwd door het overleggen van stukken inzake zijn omzet, de kosten, investeringen, ervaring, de prognose en certificaten.

Eiser heeft verder aangevoerd dat Turkse werknemers volgens het oude beleid vrij zijn om arbeid te verrichten in Nederland indien zij legaal verblijf hebben. Verweerder legt eiser in feite een arbeidsverbod op, wat in strijd is met de standstill-bepaling.

De rechtbank overweegt als volgt.

3. Een verblijfsvergunning wordt verleend met ingang van de dag waarop is aangetoond dat aan alle voorwaarden wordt voldaan.2 De verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige kan (slechts) worden verleend indien het gaat om arbeid waarmee naar het oordeel van verweerder een wezenlijk Nederlands belang is gediend. Bij de beoordeling van deze voorwaarde laat verweerder zich adviseren door de Minister van Economische Zaken (en Klimaat, EZK).3

4. Verweerder heeft eisers aanvraag in eerste instantie afgewezen zonder adviesaanvraag, omdat hij aanstonds tot de conclusie kwam dat een wezenlijke bijdrage aan het Nederlands economisch belang niet was aangetoond. Eiser had namelijk een onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd ondernemingsplan overgelegd. De ontbrekende documenten betroffen onder meer eisers werkervaring, een diplomawaardering van eisers Turkse diploma en bewijzen van gestelde afspraken met leveranciers en van afgesloten verzekeringen. Daarnaast ontbraken een gedegen markt- en concurrentieanalyse en diverse stukken ter financiële onderbouwing van het ondernemingsplan.

5. De in bezwaar op 20 juli 2017 en 7 augustus 2017 door eiser overgelegde aanvullende stukken vormden voor verweerder aanleiding om op 15 december 2017 alsnog advies te vragen aan de Minister van EZK. Namens deze heeft de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RON) op 3 januari 2018 (nogmaals) gevraagd om ontbrekende stukken over te leggen. Het ging daarbij niet alleen om de diploma-waardering van Nuffic, maar ook om de reeds eerder gevraagde referenties/getuigschriften van oud-werkgevers, een bankafschrift van het spaarsaldo, de aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal 2017 en tussentijdse/voorlopige cijfers over 2017. Naar aanleiding van de bij brief van 20 februari 2018 door eiser overgelegde stukken heeft de RON op 14 april 2018 positief geadviseerd aan verweerder.

6. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder ten onrechte de diplomawaardering bij de beoordeling heeft betrokken omdat dit voor Turkse zelfstandigen een nieuwe beperking zou zijn. De diplomawaardering stelt verweerder in staat om na te gaan of eiser de vereiste kwalificaties heeft om als zelfstandige te werken. Dit is van belang omdat eiser aannemelijk moet maken dat zijn onderneming levensvatbaar is. Dit is een eis die van oudsher ook aan Turkse zelfstandigen wordt gesteld. De door eiser aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 29 september 2010 ziet op de aspecten van hoogwaardigheid van kennisinbreng en het innovatieve vermogen van de vreemdeling, als onderdeel van het door de Minister van EZK gehanteerde puntenstelsel bij de beoordeling van het wezenlijk Nederlands belang. Dit puntenstelsel is niet van toepassing op Turkse zelfstandigen. De aanvraag van eiser is ook niet beoordeeld op genoemde aspecten.

7. Het namens de Minister van EZK uitgebrachte advies is een deskundigenadvies dat verweerder aan zijn besluit ten grondslag kan leggen indien het op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en inzichtelijk en concludent is.4

8. De RON heeft in zijn advies geconcludeerd dat met de aangeleverde informatie aannemelijk is gemaakt dat eiser met de beoogde activiteit een levensvatbare onderneming kan opbouwen, in een behoefte voorziet en dat de markt een nieuwkomer als eiser kan opnemen, zonder dat dit negatieve effecten heeft op de markteconomie en de werkgelegenheidssituatie. Verweerder heeft in reactie hierop navraag gedaan bij de RON of de laatst verkregen stukken van doorslaggevende betekenis zijn geweest om tot een positief advies te komen. De RON heeft dit uitdrukkelijk bevestigd in een e-mail aan verweerder van 13 maart 2018.

9. Verweerder heeft dan ook terecht besloten om de aanvraag eerst met ingang van
20 februari 2018 in te willigen. Verweerder heeft er in dat verband terecht op gewezen dat de vreemdeling reeds bij zijn aanvraag alle documenten dient over te leggen, waaruit blijkt dat deze voldoet aan de voorwaarden voor verlening van de gevraagde vergunning. Ten tijde van het primaire besluit had eiser dit niet aangetoond. Eerst met de bij brief van 20 februari 2018 overgelegde stukken was dat anders.

10. Voor zover eiser zich verzet tegen de arbeidsmarktaantekening ‘Arbeid in loondienst alleen toegestaan met TWV’ overweegt de rechtbank dat de ingewilligde aanvraag strekt tot verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking ‘arbeid als zelfstandige’ en niet tevens ‘arbeid in loondienst’ tot doel heeft.

Eiser is evenmin een werknemer in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije. Eiser heeft weliswaar in loondienst gewerkt op grond van eerder rechtmatig verblijf op grond van familie- en gezinsleven, maar dat verblijf is met ingang van 21 december 2012 beëindigd. Sindsdien heeft eiser geen legale toegang meer tot de arbeidsmarkt gehad.

De rechtbank volgt eiser ten slotte niet in diens - niet onderbouwde stelling - dat Turkse zelfstandigen op grond van het beleid van verweerder tot nu toe onbeperkt toegang hadden tot de Nederlandse arbeidsmarkt. De enkele gestelde omstandigheid dat het tegendeel nergens is vastgelegd, is hiervoor onvoldoende.

11.
Het beroep is ongegrond.

12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.F.I. Sinack, rechter, in tegenwoordigheid van

mr. M. Ch. Grazell, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2018.

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

1 ECLI:NL:RVS:2010:BN9181

2 Artikel 26, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.

3 Artikel 3.30 van het Vreemdelingenbesluit 2000.

4 zie de uitspraak van de AbRS van 24 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2879