Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8210

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
NL18.10657
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Anders dan eiser lijkt te menen is naar het oordeel van de rechtbank in artikel 3.119 Vb 2000 geen beperking van de bevoegdheid van verweerder tot het uitbrengen van een nieuw voornemen vastgelegd. Veeleer is sprake van een procedurele zorgvuldigheidseis, die ertoe strekt dat, in geval één van die in dat artikel genoemde omstandigheden zich voordoet, een nieuw voornemen wordt uitgebracht. Die zorgvuldigheidseis maakt dat de vreemdeling in het besluit niet kan worden overvallen door nieuwe feiten of door een nieuwe weging of beoordeling, die van aanmerkelijk belang zijn, zonder dat hij, voordat dat besluit is genomen, daarop heeft kunnen reageren.

Naar het oordeel van de rechtbank verzet dit artikel zich er dan ook niet tegen dat verweerder een voornemen intrekt en een nieuw voornemen uitbrengt, ook al doen genoemde omstandigheden zich niet voor. De rechtbank wijst er in dit verband verder op dat verweerder bevoegd is te allen tijde een besluit in te trekken en dat te vervangen door een nieuw besluit, en niet valt in te zien waarom die bevoegdheid ten aanzien van een voornemen niet zou bestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.10657


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Z. van der Meulen).


Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.10658, plaatsgevonden op 29 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen N. Al Wandawi. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft verklaard dat hij de Egyptische nationaliteit bezit en is geboren op [geboortedatum].

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. Eiser heeft verklaard dat hij is [eiser], geboren op [geboortedatum] te Sohag in Egypte, van Egyptische nationaliteit en christen;

2. Eiser is met een visum, afgegeven door de Nederlandse autoriteiten op 30 juli 2017, via Italië naar Nederland gereisd;

3. Eiser heeft verklaard dat hij meerdere problemen heeft gehad met een islamitische groepering die hem heeft bedreigd.

Verweerder heeft element 2 in het bestreden besluit als relevant element laten vallen maar dit feit wel meegewogen bij de beoordeling van het relaas.

3. Verweerder acht element 1 geloofwaardig maar element 3 niet. Omdat eiser verklaringen heeft afgelegd die worden aangemerkt als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig, waartoe wordt verwezen naar de inconsequente en tegenstrijdige verklaringen van eiser met betrekking tot zijn werkzaamheden en adressen zoals die uit het visumdossier volgen en zijn overige verklaringen die niet geloofwaardig zijn bevonden, is de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van 30b, eerste lid, onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw2000).

4. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder, gelet artikel 3.119, eerste lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb2000) onrechtmatig heeft gehandeld door een nieuw voornemen uit de brengen, waarin voor het eerst het visumdossier is betrokken en waarin bepaalde verklaringen ongeloofwaardig zijn geacht die in het eerste voornemen nog wel geloofwaardig werden bevonden. Van nieuwe feiten of een naar aanleiding van de zienswijze andere beoordeling of weging waarover dit artikel spreekt is immers geen sprake. Dat er een visumdossier was, was ten tijde van het eerste voornemen namelijk al bekend en de inhoud van de zienswijze kan geen aanleiding hebben gegeven het visumdossier mee te nemen en te komen tot een andere beoordeling of weging.

4.1

In artikel 3.119 van het Vb2000 staat dat, wanneer na het uitreiken of toezenden van het voornemen feiten of omstandigheden bekend worden (a), of reeds bekend waren maar naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling anders worden beoordeeld of gewogen (b), die voor de te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn en verweerder voornemens blijft de aanvraag af te wijzen, dit aan de vreemdeling wordt meegedeeld en hij in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze daarover naar voren te brengen.

4.2

Anders dan eiser lijkt te menen is naar het oordeel van de rechtbank in deze bepaling geen beperking van de bevoegdheid van verweerder tot het uitbrengen van een nieuw voornemen vastgelegd. Veeleer is sprake van een procedurele zorgvuldigheidseis, die ertoe strekt dat, in geval één van die in dat artikel genoemde omstandigheden zich voordoet, een nieuw voornemen wordt uitgebracht. Die zorgvuldigheidseis maakt dat de vreemdeling in het besluit niet kan worden overvallen door nieuwe feiten of door een nieuwe weging of beoordeling, die van aanmerkelijk belang zijn, zonder dat hij, voordat dat besluit is genomen, daarop heeft kunnen reageren.

Naar het oordeel van de rechtbank verzet dit artikel zich er dan ook niet tegen dat verweerder een voornemen intrekt en een nieuw voornemen uitbrengt, ook al doen genoemde omstandigheden zich niet voor. De rechtbank wijst er in dit verband verder op dat verweerder bevoegd is te allen tijde een besluit in te trekken en dat te vervangen door een nieuw besluit, en niet valt in te zien waarom die bevoegdheid ten aanzien van een voornemen niet zou bestaan.

De rechtbank wijst er overigens op dat volgens de nota van toelichting op het Vb2000

(Stbl. 2000/497, p.184) de situatie zoals die zich in dit geval heeft voorgedaan, gebracht zou kunnen worden onder artikel 3.119, aanhef en onder b, van het Vb2000. In de nota staat immers dat de onder b opgenomen grond betrekking heeft op een andere weging of beoordeling van al bekende feiten en omstandigheden en dat het hierbij kan het gaan om verklaringen van de vreemdeling, afgelegd tijdens het nader gehoor, waaraan in eerste instantie geen geloof is gehecht en die ook niet in het uitgebrachte voornemen waren opgenomen. Als de vreemdeling daar zelf in zijn zienswijze niet op ingegaan is, zou hij opnieuw in de gelegenheid gesteld kunnen worden hierop in te gaan.

Verweerder heeft dus het oude voornemen in kunnen trekken en een nieuw voornemen uit kunnen brengen, en daarin tot een andere beoordeling kunnen komen.

5. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder het visumdossier ten onrechte bij de beoordeling heeft betrokken en de verschillen die er bestaan tussen wat uit dat dossier volgt en wat eiser bij zijn asielaanvraag heeft verklaard ten onrechte aan eiser heeft tegengeworpen. Direct vanaf het begin heeft eiser immers verklaard dat het visum onder valse voorwendselen is aangevraagd. Het volledig invullen van die schriftelijke visumaanvraag is, zoals eiser ook tijdens het eerste gehoor heeft verklaard, door de smokkelaar gedaan, waarna eiser naar de ambassade moest gaan om dat aanvraagformulier in te dienen en waarbij zijn vingerafdrukken werden afgenomen en zijn biometrische gegevens werden verzameld. Eiser heeft een smokkelaar ingeschakeld terwijl hij zich in een acute vluchtsituatie bevond en deze smokkelaar heeft deze weg gekozen om eiser te kunnen laten vluchten. Dat valt in alle redelijkheid niet aan eiser tegen te werpen en er moet dan ook worden uitgegaan van de verklaringen die eiser bij zijn asielaanvraag heeft afgelegd.

De rechtbank overweegt dat niet is in geschil dat er op punten, ten aanzien van eisers werkzaamheden, waar hij werkzaam is geweest, tot wanneer hij werkzaam is geweest en ten aanzien van zijn woonadres, verschillen bestaan tussen wat eiser bij zijn asielaanvraag heeft verklaard en wat uit het visumdossier volgt. Dat betekent dat eiser in ieder geval in één geval niet overeenkomstig de waarheid heeft verklaard. Welk geval dat is, is niet vast te stellen, nu eiser geen documenten heeft overgelegd die aantonen dat de ene dan wel de andere lezing de juiste is. Het verwijt van eiser dat verweerder de documenten die hij heeft overgelegd ter staving van zijn asielverklaringen ten onrechte niet heeft vertaald en ook overigens ten onrechte terzijde heeft geschoven, treft geen doel. Het is aan eiser om zijn relaas aannemelijk te maken, en het ligt dan ook op zijn weg om vertalingen van de documenten te overleggen. De vertaling die door verweerder zijn gemaakt zijn bedoeld om een indruk te krijgen van de inhoud van die documenten maar verweerder was daartoe niet gehouden en het zijn ook geen officiële vertalingen. Bovendien heeft verweerder deze vertaalde documenten wel bij de beoordeling van het relaas betrokken. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van zittingsplaats Amsterdam van 31 mei 2018 (Awb 17/3958), niet gepubliceerd maar wel bekend bij verweerder en de rechtbank, kan hem daarom niet baten omdat in die zaak geen enkel document bij de beoordeling is betrokken en overigens ook geen sprake was van een visumdossier. Uit de uitspraak volgt evenmin dat verweerder gehouden was vertalingen van de overgelegde documenten te maken.

De rechtbank concludeert dat verweerder de geconstateerde tegenstrijdigheden dan ook bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft kunnen betrekken.

6. De rechtbank overweegt dat onder element 3 ook valt het incident dat op 16 april 2017 heeft plaatsgevonden, toen eisers op weg waren naar de kerk. Dat deel van element 3 is geloofwaardig geacht. Voor het overige, de bedreiging op 2 maart 2017 en de aanval op weg naar de markt op 1 mei 2017, is element 3 niet geloofwaardig geacht. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat element 3 in zoverre ongeloofwaardig is. Verweerder heeft daarbij niet ten onrechte gewezen op de tegenstrijdigheden met het visumdossier, op het feit dat de bedreigingen van 2 maart 2017 niet worden vermeld in het proces-verbaal van aangifte en dat in dat proces-verbaal slechts is vermeld wat eiser tijdens de aangifte heeft verklaard en dat deze verklaringen niet met verdere getuigenverklaringen zijn ondersteund. Verweerder heeft in dit verband verder vreemd kunnen achten dat eiser kort na het incident aangifte is gaan doen maar niet zijn familie in veiligheid heeft gebracht of heeft gewaarschuwd, terwijl de moslims hem uitdrukkelijk hadden verboden aangifte te doen en hem, zo heeft eiser verklaard, in de gaten hielden. Met betrekking tot het incident op 1 mei 2017 heeft verweerder de verklaring in de medische verklaring vaag kunnen achten en opvallend kunnen vinden dat eiser kort na het incident van 2 maart 2017 is verhuisd maar na de gebeurtenissen op 1 mei 2017 op hetzelfde adres is blijven wonen. Verweerder heeft hierbij verder ten nadele van eiser kunnen laten wegen dat eiser na 1 mei 2017 geen problemen meer heeft ondervonden maar dat hij niettemin op 13 juli 2017 een visum heeft aangevraagd en is vertrokken, en daarbij, met alle risico’s van dien, zijn gezin heeft achtergelaten. Wat eiser daartegen in beroep heeft aangevoerd kan aan dit oordeel niet afdoen.

7. Eiser komt niet in aanmerking voor toelating op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw2000.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van

drs. M.P. de Zwart, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.