Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8203

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
11-07-2018
Zaaknummer
NL18.10446 en 18.10448
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Niet uiterlijk in het bestreden besluit vastgelegd waarom er geen beëdigde tolk beschikbaar was en aldus niet voldaan aan de in artikel 28, vierde lid, Wbtv neergelegde motiveringsplicht. In verweerschrift wel deugdelijk gemotiveerd en omdat niet aannemelijk is dat eisers hierdoor zijn benadeeld bestreden besluiten met toepassing van artikel 6:22 Awb in stand gelaten.

Verweerder heeft de rechtsgevolgen van de terugkeerbesluiten niet geschorst, en eisers (daardoor) opvang onthouden. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde voor het vaststellen van de terugkeerbesluiten zoals die in arrest Gnandi zijn neergelegd. Terugkeerbesluiten en inreisverboden daardoor ook onrechtmatig, beroepen gegrond.

Eisers hebben als gevolg van de onrechtmatigheid van de terugkeerbesluiten geen opvang gehad tijdens de beroepsprocedure. Dat is een feitelijk gevolg dat naar zijn aard niet ongedaan kan worden gemaakt. Omdat verweerder de aanvragen terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, bestond een grondslag voor het vaststellen van de terugkeerbesluiten met een onmiddellijke vertrekverplichting, en daarmee voor het uitvaardigen van de inreisverboden. Rechtbank bepaalt daarom dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten geheel in stand blijven.

or en het feit dat eiser na afloop van het gehoor desgevraagd heeft verklaard dat hij de tolk goed heeft kunnen begrijpen en geen op- of aanmerkingen te hebben over de werkwijze van de tolk maakt verweerder niet op dat eiser ten gevolge van het inzetten van een niet-registertolk is benadeeld.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee wel deugdelijk gemotiveerd waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was. Omdat niet aannemelijk is dat eisers hierdoor zijn benadeeld ziet de rechtbank aanleiding de bestreden besluiten met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in stand te laten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.10446 en 18.10448


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

[eiseres] , eiseres,

mede namens haar minderjarige kinderen

[minderjarige] ,

[minderjarige] en

[minderjarige] ,

(gemachtigde: mr. J. Hofstede),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. Z. van der Meulen).


Procesverloop
Bij besluiten van 1 juni 2018 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen van eisers tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Tevens is aan eisers een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaken NL18.10447 en NL18.10449, plaatsgevonden op 29 juni 2018. Eisers en hun gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eisers hebben verklaard dat zij de Georgische nationaliteit bezitten. Eiser heeft verklaard dat hij is geboren op [geboortedatum]. Eiseres heeft verklaard dat ze is geboren op [geboortedatum].

2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst;

2. Problemen vanwege een auto-ongeluk.

Niet is in geschil dat dit de relevante elementen zijn.

3. Verweerder heeft element 1 geloofwaardig geacht. Element 2 is niet ongeloofwaardig geacht. Omdat Georgië ook ten aanzien van eisers kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst zijn de asielaanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

4. Eisers hebben aangevoerd dat ook in geval van spoed moet worden gemotiveerd waarom er geen registertolk beschikbaar is, waarbij eisers verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 19 februari 2014, (ECLI:NL:RVS:2014:600). Dat er niet tijdig een tolk in de Georgische taal beschikbaar was, zoals verweerder heeft gesteld, is geen deugdelijke motivering.

4.1

Uit de uitspraak van 19 februari 2014 volgt dat verweerder, uiterlijk in het bestreden besluit, schriftelijk moet vastleggen waarom er geen beëdigde tolk beschikbaar was. In het geval een beëdigde tolk niet tijdig beschikbaar is, is het schriftelijk vastleggen van een mededeling van die strekking op zichzelf geen deugdelijke motivering. Verweerder moet toelichten waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was, opdat de rechtbank desgewenst kan nagaan of hij zich heeft gehouden aan de in artikel 28 van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) voor die situatie geldende voorwaarde van vereiste spoed. Dat is alleen anders als het register voor beëdigde tolken en vertalers voor de desbetreffende bron- of doeltaal dan wel bron- of doeltalen geen ingeschrevene bevat, maar die situatie doet zich in dit geval niet voor.

4.2

In de bestreden besluiten heeft verweerder toegelicht dat bij het gehoor veilig land van herkomst/bescherming EU gebruik is gemaakt van een niet-registertolk. Bij het inplannen van de tolk voor het betreffende gehoor was een registertolk niet-tijdig beschikbaar. De aanvraag van eisers wordt in de procedure veilig land/ bescherming andere EU-lidstaat afgedaan. Hiervoor gelden de termijnen als bedoeld in artikel 3:109ca van het Vreemdelingenbesluit 2000. Gelet op de in acht te nemen strikte termijnen van deze procedure veilig land/ bescherming andere EU-lidstaat en het belang van een voortvarende afhandeling van asielaanvragen, wordt bij het niet tijdig beschikbaar zijn van een registertolk een niet-registertolk ingezet. Van belang daarbij is dat ook niet-beëdigde tolken moeten voldoen aan de kwaliteits- en integriteitseisen voordat een tolk wordt opgenomen in het tolkenbestand van de IND. De vereiste spoed als bedoeld in artikel 28 van de Wbtv vloeit voort uit de procedure veilig land/ bescherming andere EU-lidstaat zoals die door de wetgever is ingericht.

4.3

Hiermee heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank evenwel niet uiterlijk in het bestreden besluit vastgelegd waarom er geen beëdigde tolk beschikbaar was en aldus niet voldaan aan de in artikel 28, vierde lid, van de Wbtv neergelegde motiveringsplicht. Verweerder heeft dit ter zitting ook met zoveel woorden toegegeven door te verklaren dat is gepoogd een en ander in het verweerschrift van 28 juni 2018 te repareren.

4.4

Verweerder heeft in het verweerschrift in aanvulling op de bestreden besluiten opgemerkt dat er in totaal 4 registertolken Georgisch zijn. Uit navraag bij de coördinatoren tolken die toegang hebben tot het plansysteem, waarin alles omtrent tolken gelogd en vastgelegd is, is gebleken dat er op 28 mei 2018 voor dit aanmeldgehoor is gekeken naar een beschikbare tolk. Gebleken is dat 1 van de registertolken al stond ingepland voor een tolkopdracht en dat de overige drie tolken niet (tijdig) beschikbaar waren voor deze tolkopdracht. Uit het gehoor en het feit dat eiser na afloop van het gehoor desgevraagd heeft verklaard dat hij de tolk goed heeft kunnen begrijpen en geen op- of aanmerkingen te hebben over de werkwijze van de tolk maakt verweerder niet op dat eiser ten gevolge van het inzetten van een niet-registertolk is benadeeld.

4.5

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee wel deugdelijk gemotiveerd waarom geen beëdigde tolk beschikbaar was. Omdat niet aannemelijk is dat eisers hierdoor zijn benadeeld ziet de rechtbank aanleiding de bestreden besluiten met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in stand te laten.

5. Eisers hebben aangevoerd dat uit de ingediende correcties en aanvullingen blijkt dat er sprake is van meerdere punten die niet op een juiste wijze in het rapport zijn vastgelegd. De communicatie tussen de tolk en eisers is dus kennelijk niet goed (genoeg) geweest. Verweerder stelt ten onrechte dat er niet sprake is van een dusdanig groot aantal wijzigingen dat er gesteld kan worden dat er niet goed is vertaald.

Dat betoog faalt. De enkele omstandigheid dat de nodige correcties en aanvullingen zijn ingediend, brengt niet als vanzelf mee dat de vertaling dus gebrekkig is geweest. De rechtbank merkt hierbij op dat in de rapporten van gehoor geen aanwijzingen kunnen worden gevonden voor misbegrip door eisers of door de gehoormedewerker. Ook de stelling van eisers dat zij het idee hadden dat de tolk moeite had met de vertaling omdat het erg langzaam ging en de tolk soms lang moest nadenken voordat het juiste Nederlandse woord was gevonden brengt niet mee dat er dus gebrekkig is vertaald. De rechtbank wijst er verder op dat eiser bij slechts drie correcties opmerkt dat sprake was van verkeerd begrip door de tolk, van een vraag die op een andere manier zou zijn gesteld dan in het rapport van gehoor opgenomen en van een genoteerd antwoord dat niet zo zou zijn gegeven. Afgezet tegen het totaal aantal correcties en aanvullingen biedt ook dat onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen concluderen dat de vertaling gebrekkig is geweest. De rechtbank wijst er ten slotte op dat eisers aan het eind van het gehoor hebben verklaard dat zij de tolk goed hebben begrepen.

6. Eisers hebben aangevoerd dat Georgië ten aanzien van hen niet kan worden aangemerkt als een veilig land. In de zienswijze is gewezen op diverse rapporten van internationale organisaties. Verweerder miskent dat Georgië, gelet op die informatie en de ondervonden problemen, dat voor eisers een veilig land is. Zij kunnen immers niet de benodigde bescherming krijgen.

6.1

Voor zover eisers zich hiermee op het standpunt stellen dat Georgië in zijn algemeenheid niet kan worden aangemerkt als een veilig land van herkomst, faalt dat betoog. De Afdeling heeft herhaaldelijk geoordeeld dat verweerder Georgië terecht heeft aangewezen als veilig land van herkomst, onder meer in de uitspraak van 7 juli 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1838) en de uitspraak van 20 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1320). Eisers hebben geen documentatie overgelegd waaruit een wezenlijk ander beeld voortvloeit dan gegeven in voornoemde uitspraken van de Afdeling.

6.2

De rechtbank overweegt dat verweerder de problemen van eisers niet geloofwaardig heeft geacht. Eisers hebben dit standpunt van verweerder niet anders bestreden dan door te wijzen op het tekortschieten van de tolk en op het niet kunnen overleggen van een document. Gelet op wat hiervoor is overwogen ten aanzien van de tolk hebben eisers het standpunt van verweerder aldus onvoldoende bestreden. Verweerder heeft zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de problemen ongeloofwaardig zijn. Bescherming vragen is in dat geval niet nodig, zodat eisers betoog ook in zoverre faalt.

7. Eisers hebben aangevoerd dat ten onrechte, althans onvoldoende zorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is geconcludeerd tot kennelijke ongegrondheid van de asielaanvragen. Omdat eisers dit niet anders hebben toegelicht dan door te verwijzen naar de gronden van beroep, en die gronden, gelet op wat hiervoor is overwogen niet slagen, treft eisers beroepsgrond geen doel.

8. Verweerder heeft de aanvragen van eisers daarom terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.

9. Eisers hebben met een beroep op het arrest Gnandi van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 juni 2018 (ECLI:EU:C:2018:465) aangevoerd dat verweerder de door het Hof genoemde waarborgen in de zaak van eisers onvoldoende in acht heeft genomen, omdat het beroep van eisers geen schorsende werking heeft en hen hangende het beroep opvang is onthouden. Verweerder heeft daarom niet voldaan aan de door het Hof gestelde voorwaarden voor het vaststellen van de terugkeerbesluiten, zodat de terugkeerbesluiten in zoverre onrechtmatig zijn. Nu de opgelegde inreisverboden zijn gebaseerd op de terugkeerbesluiten. zijn daarmee ook de inreisverboden onrechtmatig.

Dat betoog slaagt. Uit het arrest van het Hof volgt dat Richtlijn 2008/115/EG (PB 2008, L 348; hierna: de Terugkeerrichtlijn) op zichzelf er niet aan in de weg staat dat ten aanzien van een vreemdeling die een asielverzoek heeft ingediend een terugkeerbesluit wordt vastgesteld tezamen met de afwijzing van dit verzoek door het bestuursorgaan, in één meeromvattende beschikking, dus zonder de uitkomst van het beroep in rechte tegen die afwijzing af te wachten. Het Hof stelt aan de bevoegdheid voor het bestuursorgaan tot het vaststellen van een terugkeerbesluit in deze situatie echter wel de voorwaarde dat is gewaarborgd dat alle rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit worden geschorst in afwachting van de uitkomst van het beroep. Dat betekent volgens het Hof onder meer ook dat de vreemdeling tijdens die periode het voordeel kan genieten van de rechten die voortvloeien uit de Richtlijn 2003/9/EG (PB 2003 L 31; de Opvangrichtlijn; thans de Richtlijn 2013/33/EU; PB 2013, L 180; de herziene Opvangrichtlijn). Verweerder heeft de rechtsgevolgen van de terugkeerbesluiten evenwel niet geschorst, en eisers (daardoor) opvang onthouden. Daarmee is niet voldaan aan de voorwaarde voor het vaststellen van de terugkeerbesluiten. De terugkeerbesluiten zijn in zoverre onrechtmatig. Omdat de inreisverboden zijn gebaseerd op de terugkeerbesluiten, zijn de inreisverboden in zoverre ook onrechtmatig.

10. De beroepen zijn gegrond. De rechtbank zal de bestreden besluiten vernietigen omdat die zijn genomen in strijd met artikel 6, zesde lid, van de Terugkeerrichtlijn.

11. Eisers hebben als gevolg van de onrechtmatigheid van de terugkeerbesluiten geen opvang gehad tijdens de beroepsprocedure. Dat is een feitelijk gevolg dat naar zijn aard niet ongedaan kan worden gemaakt, waarbij de rechtbank verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:1331). Omdat verweerder de aanvragen terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, bestond een grondslag voor het vaststellen van de terugkeerbesluiten met een onmiddellijke vertrekverplichting, en daarmee voor het uitvaardigen van de inreisverboden. De rechtbank ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten geheel in stand blijven.

12. Er bestaat aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers. Omdat naar het oordeel van de rechtbank sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht, worden de proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.002,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 501,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing


De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.002,-.


Deze uitspraak is gedaan door mr. W.M.B. Elferink, rechter, in aanwezigheid van

drs. M.P. de Zwart, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op: 9 juli 2018.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.