Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8172

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
AWB - 18 _ 1849
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verlenging opgelegd gebiedsverbod met zes maanden voor imam in verband met terrorismebestrijding.Beroepsgronden gericht tegen oplegging gebiedsverbod en niet tegen verlenging. Ongegrond.

Wetsverwijzingen
Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding 2
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 18/1849

uitspraak van de meervoudige kamer van 10 juli 2018 in de zaak tussen

[eiser], te [plaats], eiser

(gemachtigde: mr. Ü. Arslan)

en

de minister van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. C.M. Bitter en mr. M. Diamant).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder het op 15 augustus 2017 aan eiser opgelegde gebiedsverbod als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van de Tijdelijke wet bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding (hierna: de Twbmt) verlengd met een periode van zes maanden.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep ingevolge artikel 5, eerste lid, van de Twbmt, versneld behandeld met toepassing van artikel 8:52 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Verweerder heeft de rechtbank bij brief van 17 mei 2018 verzocht met toepassing van artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, te beslissen dat ten aanzien van de aan het besluit ten grondslag liggende bestuurlijke rapportages kennisneming door uitsluitend de rechtbank gerechtvaardigd is.

Een enkelvoudige kamer van de rechtbank heeft bij beslissing van 31 mei 2018 geoordeeld dat geheimhouding gerechtvaardigd is.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2018. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Moustaine, kantoorgenoot van zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

Eiser heeft ter zitting de rechtbank alsnog toestemming verleend om kennis te nemen van de geheime stukken.

Overwegingen

1. Bij besluit van 15 augustus 2017 heeft verweerder eiser een gebiedsverbod als bedoeld in artikel 2 van de Twbmt opgelegd voor de wijken [wijk 1] en [wijk 2] in [plaats] voor een periode van zes maanden. Tegen dit besluit heeft eiser beroep ingediend. Deze rechtbank heeft dat beroep bij uitspraak van 23 november 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:13597, ongegrond verklaard. Het daartegen door eiser ingestelde hoger beroep heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) bij uitspraak van 30 mei 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1763, ongegrond verklaard.

Met het thans bestreden besluit heeft verweerder het gebiedsverbod, dat liep tot 15 februari 2018, verlengd met een periode van zes maanden, derhalve tot 15 augustus 2018.

Aan dit besluit liggen bestuurlijke rapportages ten grondslag van 14 augustus 2017 en 19 januari 2018.

2. Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Twbmt kan de minister, indien dat noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid, aan een persoon die op grond van zijn gedragingen in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten of de ondersteuning daarvan, een maatregel opleggen, strekkende tot beperking van de vrijheid van beweging. Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder b, kan een maatregel bestaan uit een verbod om zich te bevinden in een bepaald gedeelte of bepaalde delen van Nederland, dat niet groter is of die niet groter zijn dan strikt noodzakelijk voor de bescherming van de nationale veiligheid.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Twbmt wordt een maatregel als bedoeld in de artikelen 2 en 3 opgelegd voor een periode van ten hoogste zes maanden, maar niet langer dan strikt noodzakelijk is voor de bescherming van de nationale veiligheid. De maatregel kan worden verlengd met een telkens door de minister vast te stellen periode van ten hoogste zes maanden.

3. Uit het bestreden besluit blijkt dat de volgende (nieuwe) feiten en omstandigheden aan de verlenging van het gebiedsverbod ten grondslag zijn gelegd.

Eiser kan door zijn gedragingen dan wel de aard van zijn preken, lezingen, geschreven en geciteerde teksten in verband worden gebracht met de ondersteuning van terroristische activiteiten. Deze omstandigheden zijn niet gewijzigd ten opzichte van de eerdere gedragingen die aanleiding waren tot het opleggen van het eerste gebiedsverbod.

Er zijn inmiddels nieuwe preken, lezingen, geschreven en geciteerde teksten verschenen die de eerdere conclusie bevestigen dat eiser het jihadistische gedachtegoed verspreidt:

-zie de facebookberichten van 23/11/2017 waarin het slachtofferschap van Soennitische moslims wordt benadrukt;

-zie de facebookberichten van 23/11/2017 en 10/1/2018, waaruit vijandschap ten opzichte van het Westen blijkt.

Verder wijst verweerder (onder meer) op het volgende:

-in een facebookbericht van 17/8/2017 worden jongeren opgeroepen steunbetuigingen op sociale media te schrijven en te doneren aan Stichting Qanitoen;

-er zijn signalen bij de politie ontvangen over banden met radicale islamitische personen;

-er zijn aanwijzingen bij de politie voor frequent moskeebezoek in [plaats], waarbij eiser zich laat vergezellen door iemand die zich begeeft in jihadistische kringen en gezien wordt als een verspreider van het gewelddadige jihadistische gedachtegoed. Deze persoon is vanwege een gevaar voor de staatsveiligheid België uitgezet;

-de Stichting Qanitoen is wederom bezig met de verkrijging van een pand in [plaats].

Verweerder acht een verlenging van het gebiedsverbod om redenen van nationale veiligheid noodzakelijk en tevens proportioneel.

4. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd die specifiek zien op de verlenging van het gebiedsverbod. In het beroepschrift herhaalt eiser de gronden van zijn beroep tegen het besluit van 15 augustus 2017. De gronden zijn daarmee niet gericht tegen het bestreden besluit. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding deze beroepsgronden te bespreken. Met de uitspraak van de Afdeling van 30 mei 2018 is het besluit van 15 augustus 2017 onherroepelijk geworden.

5. Ter zitting is namens eiser naar voren gebracht dat door verweerder een bepaalde interpretatie wordt gegeven aan eisers uitlatingen waar eiser zich totaal niet in kan vinden, zoals de uitleg van verweerder over het door eiser gebruikte woord ‘kafir’. Verweerder stelt zich op het standpunt dat opvallend aan het gebruik van de term is dat dit ook getuigt “van een vijandschap tegen atheïsten, anders gelovigen”.

6.
De rechtbank heeft kennis genomen van de bestuurlijke rapportage en stelt vast dat de weergave ervan in het bestreden besluit voor zover aangevochten accuraat is. De rapportage is voorts inzichtelijk en concludent. Verweerder mocht de bestuurlijke rapportage daarom aan het door eiser bestreden argument in het bestreden besluit ten grondslag leggen.

7. De rechtbank is van oordeel dat de enkele betwisting van verweerders gevolgtrekking betreffende het door eiser gebruikte woord ‘kafir’ – wat hier ook van zij – niet kan afdoen aan het bestreden besluit. Gelet op het samenstel van eisers gedragingen en uitlatingen zoals opgenomen in het bestreden beluit, welke eiser niet of slechts in algemene zin heeft betwist, heeft verweerder het bestreden besluit voldoende onderbouwd.

8. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het beroep ongegrond verklaren. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Kleijn, voorzitter, en mr. drs. E.S.G. Jongeneel en mr. A.E. Dutrieux, leden, in aanwezigheid van mr. M. Tijsma, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 juli 2018.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.