Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8115

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
10-07-2018
Datum publicatie
10-07-2018
Zaaknummer
09/857196-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens verkrachting, mishandeling en beïnvloeding om een eerder

afgelegde verklaring in te trekken of te wijzigen. Weigerende observandus.

Rechtbank constateert ziekelijke stoornis in de geestvermogens.

Veroordeling tot een gevangenisstraf van 3 jaren en TBS-maatregel met dwangverpleging.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer 09/857196-17

Datum uitspraak: 10 juli 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1978 te [geboorteplaats] ,

[adres verdachte] ,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting P.I. Zuid Oost, HvB Roermond.

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 7 december 2017 (pro forma), 20 februari 2018 (pro forma), 24 april 2018 (inhoudelijk) en 26 juni 2018 (inhoudelijk).

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.P. Peters en van hetgeen door verdachte en zijn (opvolgend) raadsman mr. R.W.P. Krijnen naar voren is gebracht. Op 7 december 2017 werd verdachte bijgestaan door mr. R.A. Dayala en op 20 februari 2018 en op 24 april 2018 door mr. D.T. Stoof.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting - ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2017 tot en met 26 juli 2017 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door:

- [slachtoffer] (van achteren) (bij de armen) beet te pakken en/of daarbij een hand over de neus en/of mond van die [slachtoffer] te plaatsen en/of

- die [slachtoffer] haar woning ( [adres slachtoffer] ) binnen te sleuren en/of op de bank te gooien en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd te slaan/stompen (waarbij die [slachtoffer] met haar hoofd tegen een muur stootte) en/of

- die [slachtoffer] bij de haren beet te pakken en/of

- een mes, althans een soortgelijk scherp en/of puntig voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen en/of met dat mes, althans soortgelijke scherpe en/of puntige voorwerp, te zwaaien en/of met dat mes, althans soortgelijke scherpe en/of puntige voorwerp, steekbewegingen naar/in de richting van de nek/hals, in elk geval (boven)lichaam, van die [slachtoffer] te maken

die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer] meermalen, althans eenmaal, (op de mond) gezoend en/of

- met zijn tong langs de wang en/of nek van die [slachtoffer] gegaan en/of

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht/geduwd en/of meermalen,

althans eenmaal, heen en weer bewegingen gemaakt;

en/of

hij in of omstreeks de periode van 25 juli 2017 tot en met 26 juli 2017 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer] ) heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] met kracht bij (onder andere) de armen beet te pakken en/of

- die [slachtoffer] (meermalen) in/tegen het gezicht en/of op/tegen het hoofd te slaan/stompen (waarbij die [slachtoffer] met haar hoofd tegen een muur stootte) en/of

- die [slachtoffer] bij de haren beet te pakken,

waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij (op één of meer tijdstippen) in of omstreeks de periode van 5 augustus 2017 tot en met 8 augustus 2017 te Rotterdam, in ieder geval in Nederland, opzettelijk mondeling, door gebaren, bij geschrift en/of afbeelding zich jegens [slachtoffer] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden en/of om die [slachtoffer] te beïnvloeden om terug te laten komen op een eerder afgelegde verklaring dan wel die eerdere verklaring te

laten wijzigen, terwijl hij, verdachte, wist of ernstige reden had te vermoeden dat die verklaring zou worden afgelegd, door vanuit de Penitentiaire Inrichting (Rijnmond) meermalen, in elk geval eenmaal, telefonisch contact met die [slachtoffer] te leggen en/of onder andere het volgende op een dreigende en/of dwingende toon tegen die [slachtoffer] te zeggen: "Je kan niet meer intrekken maar je kan een mailtje naar mijn advocaat sturen. En zeggen dat je die torrie hebt overdreven." en/of "Bel die advocaat gewoon en handel die torrie met hem. Anders als ik voor moet gaan en het is niet geregeld dan ga ik niet meer met je praten." en/of “je gaat niet lopen liegen en bedreigen je weet toch en denken dat het zo gaat werken. Zo werkt het niet schat. Ik kan je pas vergeven als je gewoon, je trekt die ding recht en da kunnen we gewoon straight face tot face praten begrijp je.” en/of “Bel die man vandaag. Bel hem. (..) Luister een keer je leven gewoon blind (..)”, waarna hij haar beloofd met rust te laten, in elk geval (meermalen) woorden van gelijke (beïnvloedbare) aard en/of strekking;

3 Voorvragen

3.1

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). Verdachte is daarmee in zijn verdediging geschaad. Dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat de eerste verklaring van aangeefster, waarin zij onder meer heeft verklaard dat een man voor haar deur stond die zij kent van Facebook en die haar vervolgens mishandeld en verkracht heeft, bepalend is geweest voor de wijze waarop het onderzoek is begonnen en het beeld dat van verdachte is gevormd, zijnde een vreemde man die onverhoeds een vrouw haar huis binnentrekt en haar verkracht. Verdachte was echter geen vreemde voor aangeefster. Er was sprake van een affectieve relatie en verdachte was ook gewoon op de hoogte van het adres van aangeefster.

Ter gelegenheid van een eerdere pro formazitting is door de vorige raadsman al aangevoerd dat er vervolgens selectief te werk is gegaan en dat daarbij onvolledige Facebookberichten aan het dossier zijn toegevoegd, die dit beeld in stand hebben gehouden. Verder zijn de gesprekken tussen aangeefster en verdachte vanuit de Penitentiaire Inrichting in eerste instantie niet aan het dossier toegevoegd. Dit is pas gebeurd, nadat de officier van justitie in opdracht van de rechtbank nader onderzoek heeft laten verrichten naar de mogelijkheden van het achterhalen van deze gesprekken. Door onvolledige informatie en wellicht onvolledig onderzoek is een verkeerd beeld van verdachte neergezet.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer moet worden verworpen. Het Openbaar Ministerie heeft al hetgeen verdachte naar voren heeft gebracht nader onderzocht. In dat kader zijn nadere chatgesprekken uitgelezen. Toen de verdediging vervolgens met andere gesprekken kwam, zijn ook deze aan het dossier toegevoegd. Vervolgens is verdachte in de gelegenheid gesteld om zijn telefoon te overleggen, zodat de daarin opgeslagen berichten bekeken konden worden, maar verdachte heeft die telefoon niet overhandigd. De zogenaamde PI gesprekken, gevoerd door verdachte vanuit de gevangenis met aangeefster, zijn eveneens opgevraagd. Verdachte heeft vervolgens verzocht andere gesprekken die vanuit de gevangenis zijn gevoerd op te vragen. Het Openbaar Ministerie heeft veel moeite gedaan om deze gesprekken te verkrijgen en aan het dossier toe te voegen. Uit onderzoek is niet gebleken dat er meer gesprekken waren dan de gesprekken die aan het dossier zijn toegevoegd. De officier van justitie is dan ook van mening dat er alles aan is gedaan om aan de wensen van de verdediging toe te komen. Het Openbaar Ministerie is niet onachtzaam omgegaan met de rechten en belangen van de verdediging.

3.2

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie wegens strijd met beginselen van een behoorlijke procesorde slechts kan volgen indien sprake is van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De rechtbank overweegt als volgt.

Op zich is juist dat de inhoud van de verklaring van aangeefster het startpunt is geweest van dit onderzoek. Er zijn evenwel geen aanwijzingen dat die omstandigheid met zich mee heeft gebracht dat er (bewust of onbewust) in kwalitatieve of kwantitatieve zin minder onderzoek is verricht dan onder de omstandigheden was geboden. Verbalisanten hebben naar aanleiding van verdachtes verklaring onderzoek naar de zendmastgegevens gedaan en aangeefster is geconfronteerd met de resultaten daarvan, daaronder begrepen de mogelijkheid dat verdachte – gelet op de zendmastgegevens - eerder in de woning van aangeefster is geweest. Op verzoek van verdachte zijn de gesprekken tussen aangeefster en verdachte vanuit de Penitentiaire Inrichting aan het dossier toegevoegd. Ook is verdachte in de gelegenheid gesteld om zijn eigen telefoon bij de politie in te leveren zodat daaruit de gesprekken, die volgens verdachte zouden zijn achtergehouden, alsnog konden worden gevonden. Verdachte heeft van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. De rechtbank is op basis van het voorgaande van oordeel dat geen sprake is van een handelswijze van het Openbaar Ministerie waarbij met grove veronachtzaming van de belangen van verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak tekort is gedaan. Integendeel, er is – op verzoek van de verdediging en in opdracht van de rechtbank - onderzoek verricht waarbij de rechten en belangen van de verdediging naar behoren zijn gerespecteerd. Het gevoerde verweer kan daarom niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.

4 Bewijsoverwegingen

4.1

Inleiding1

Op 26 juli 2017 omstreeks 03:11 uur werden verbalisanten naar de woning aan de [adres slachtoffer] te Nootdorp gestuurd omdat in deze woning een man met een mes aanwezig zou zijn die de meldster mishandeld zou hebben. De meldster zou haar drie kinderen in de woning achtergelaten hebben en naar de woning aan de [adres getuige] gevlucht zijn. In de woning aan de [adres slachtoffer] troffen verbalisanten drie slapende kinderen aan. Verbalisant [naam] is vervolgens naar de woning aan de [adres getuige] gegaan. De deur werd geopend door een vrouw die huilde. Zij was emotioneel en bang. Zij verklaarde dat die avond om 23:00 uur een man voor de deur van haar woning stond die haar die avond mishandeld en verkracht had.2

Vaststaat dat verdachte die avond omstreeks 23:00 uur bij de woning van aangeefster is aangekomen en die avond in haar woning is geweest. Verder staat vast dat aangeefster letsel had en dat die avond seksueel contact tussen aangeefster en verdachte is geweest.

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte dit letsel heeft veroorzaakt en of dit seksueel contact onder dwang heeft plaatsgevonden.

Verdachte heeft na het voorgaande in augustus 2017 telefonische gesprekken gevoerd met aangeefster vanuit de Penitentiaire Inrichting, waarbij hij meerdere malen heeft gevraagd aan aangeefster om onder andere contact op te nemen met zijn advocaat in verband met haar verklaring. Deze gedragingen zijn onder feit 2 – kort gezegd – tenlastegelegd als beïnvloeding. Verdachte erkent deze gesprekken te hebben gevoerd. De rechtbank ziet zich ten aanzien van dit feit voor de vraag gesteld of van daadwerkelijke beïnvloeding van de vrijheid van aangeefster om naar waarheid te verklaren sprake is geweest.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, overeenkomstig haar op schrift gestelde requisitoir, gevorderd dat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen zal verklaren dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1, eerste en tweede cumulatief en 2 ten laste gelegde feiten.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadsman van verdachte heeft zich, overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnotities, op het standpunt gesteld dat verdachte wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs van beide feiten dient te worden vrijgesproken.

4.4

De beoordeling van de tenlastelegging

Feit 1

Verklaring bewoonster [adres getuige]

[getuige] heeft verklaard dat zij lag te slapen toen zij om 03:00 uur hoorde dat er hard werd aangebeld. De deurbel ging tien keer achter elkaar. Toen zij haar raam open deed en naar buiten keek zag zij een vrouw voor de deur staan die riep: “help mij, help mij, er is een man in mijn huis met een mes.” Toen zij de deur open deed zag zij dat de vrouw echt in paniek was en gelijk de woning binnen wilde gaan. De vrouw was erg van streek; zij huilde en was zwaar aan het ademen. Ook trilde zij. [getuige] hoorde dat de vrouw zei dat de man haar in het gezicht had geslagen en een mes had. Zij zei ook: “mijn drie kinderen zijn nog thuis”. De vrouw droeg een zwartkleurig hemdje met spaghettibandjes en een korte broek. [getuige] omschrijft dit als nachtkleding waar je niet mee naar buiten gaat. Verder liep de vrouw op blote voeten.3

Verklaring aangeefster

Aangeefster heeft verklaard dat zij buiten op het bankje voor de deur zat toen verdachte haar sommeerde naar binnen te gaan. Toen zij dit weigerde trok hij haar van het bankje af. Hij deed dat door haar van achteren beet te pakken. Hij had een arm om haar armen en lijf en met zijn andere arm deed hij zijn hand over haar neus en mond. Hij trok haar over de leuning van het bankje naar binnen. In de hal viel ze flauw. Later werd ze wakker in de keuken met haar hoofd onder de kraan. Verdachte had één van zijn armen om haar middel. Toen trok hij haar mee naar de bank in de woonkamer en gooide haar daar neer. Hij gaf haar een klap met zijn vlakke hand en sloeg met zijn linkerhand op aangeefsters rechterwang. Daarna pakte hij een pluk haar vast. Vervolgens gaf hij haar een gooi naar de andere kant van de bank. Verdachte werd boos omdat aangeefster geluid maakte bij het hyperventileren. Hij zei op dreigende toon, met zijn gezicht vlakbij haar, dat ze zich moest gedragen en stil moest zijn. Hij trok haar toen weer naar de andere kant van de bank. Verdachte gaf haar weer een klap waardoor zij met haar hoofd tegen de muur stootte. Aangeefster was nog steeds aan het huilen en aan het hyperventileren en ze was doodsbang. Hij zei dat ze stil moest zijn. Hierna pakte hij een mes uit de keuken met kartels en een zwart heft. Hij wees er mee naar aangeefster, vlak bij haar gezicht. Ook zwaaide hij er mee en maakte steekbewegingen naar haar nek, maar hield net op tijd in. Ze was bang dat ze dood zou gaan. Ze lag op dat moment op haar rug op de bank en hij stond naast haar. Hij stond over haar heen gebogen en sloeg haar met kracht. Ze denkt met de vuist. Hij pakte daarna ijsklontjes uit de vriezer en deed deze in een gastendoekje en hield het doekje met de ijsklontjes tegen haar wang aan. Hij drukte dat hard aan en aangeefster probeerde dat weg te duwen omdat het pijn deed. Verdachte trok daarna haar jurk uit. Vervolgens trok hij zijn eigen broek helemaal uit. Ook trok hij de korte broek van aangeefster uit. Toen deed hij haar string opzij, deed speeksel uit zijn mond op zijn hand en deed dat over zijn penis heen. Ze heeft zich niet verzet, omdat hij haar al had geslagen en ze erg bang was. Aangeefster heeft verklaard dat ze toen dacht dat ze het maar liet gebeuren omdat dat veiliger was. Hij heeft haar gezoend op haar lippen en met zijn tong ging hij langs haar wang en haar nek en intussen bleef hij bewegen met zijn onderlijf. Hij maakte heen en weer bewegingen in haar. Vervolgens heeft hij zijn penis uit haar vagina gehaald en kwam buiten haar klaar. Op enig moment heeft zij gevraagd of zij naar het toilet mocht, heeft de voordeur geopend en is op blote voeten naar buiten gerend. Zij heeft ongeveer bij 6 huizen aangebeld voordat er open werd gedaan.4

Letsel

De politie heeft op 26 juli 2017 om 05:09 uur met aangeefster gesproken. Tijdens dit gesprek is waargenomen dat de linkerzijde van haar gezicht rood en enigszins gezwollen was. Verder had zij meerdere blauwe plekken op haar rechterarm en linkerbeen.5

Op de foto’s6, die op 28 juli 2017 zijn gemaakt en in het dossier zijn gevoegd, is het door verbalisanten beschreven letsel te zien.

Mes

Verbalisanten die op de melding afkwamen troffen in de keuken op het aanrecht een zwart mes aan.7 Dit mes is door het NFI onderzocht. Op het mes werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen, te weten aangeefster en verdachte.8 Tijdens één van de tapgesprekken, die verdachte en aangeefster hebben gevoerd toen verdachte in de Penitentiaire Inrichting verbleef, heeft aangeefster gezegd: “Je slaat me. Je zet een mes op me.”9

Verklaring verdachte

Verdachte heeft verklaard dat hij een relatie met aangeefster had. Hij wilde een Islamitisch huwelijk met haar sluiten. Hij is die avond naar aangeefster gegaan en zij hebben met instemming van aangeefster, seks gehad. Het letsel van aangeefster komt volgens verdachte door de val van de trap een paar dagen eerder, waar zowel hij als aangeefster over hebben verklaard. Verder heeft verdachte weleens gebruik gemaakt van het mes dat in de woning van aangeefster lag, dus het is logisch dat zijn DNA daarop is aangetroffen. Er is die avond wel een discussie geweest tussen aangeefster en verdachte. Dat had te maken met de mogelijke contacten die aangeefster zou hebben met andere mannen, aldus verdachte. Verdachte heeft aangeefster om haar telefoon gevraagd, om dit te kunnen controleren. Uiteindelijk heeft aangeefster hem haar telefoon gegeven. Verdachte was op dat moment nog in de woning van aangeefster. Verdachte heeft, zo heeft hij ter terechtzitting verklaard, nadat hij in de telefoon heeft gekeken en daar sexfoto’s in had aangetroffen, nog een discussie gehad met aangeefster. Hij was zwaar geïrriteerd omdat aangeefster zich als een ander voordoet. Hij heeft besloten om de woning te verlaten. Hij heeft aangeefster die avond niet meer gezien, aldus verdachte.

Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster.

De rechtbank constateert dat de verklaringen van aangeefster op onderdelen afwijken. Die onderdelen betreffen echter vooral de periode voorafgaand aan de nacht van 25 juli 2017 op 26 juli 2017 en niet de kern van wat er volgens haar in die nacht is voorgevallen. Daarover heeft aangeefster in haar verklaringen consistent en gedetailleerd verklaard, namelijk dat verdachte haar van het bankje voor de deur heeft afgetrokken, dat zij in de gang is flauwgevallen, dat hij haar mishandeld heeft, met een mes heeft gezwaaid en steekbewegingen heeft gemaakt en haar verkracht heeft. De verklaringen van aangeefster worden op een aantal onderdelen ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals de verklaringen van de bewoonster van de [adres getuige] , waaruit blijkt dat aangeefster op blote voeten en in nachtkleding in paniek bij haar heeft aangebeld, dat zij trilde en huilde. Ook de politie beschrijft de emotionele toestand waarin aangeefster verkeerde en het waargenomen letsel, alsmede het feit dat de kinderen alleen in de woning van aangeefster waren achtergelaten. Voorts heeft de politie het door aangeefster beschreven mes in de woning aangetroffen en is hier ook het DNA van verdachte op gevonden. Tenslotte heeft aangeefster verdachte later in een tapgesprek geconfronteerd met het gebruik van het mes, in welk gesprek hij, verdachte, niet heeft weersproken dat hij een mes heeft gehanteerd. De rechtbank acht de verklaringen van aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs, nu deze ondersteund worden door objectieve bewijsmiddelen.

Val van de trap

De rechtbank is van oordeel dat de combinatie van de bij aangeefster waargenomen letsels (op het gezicht, de armen en de benen) niet past bij een enkele val van de trap, zoals door verdachte is verklaard. Die val zou enkele dagen daarvoor hebben plaatsgevonden en dat laatste valt niet te rijmen met de waarneming van verbalisanten op 26 juli 2017, waarbij bij aangeefster naast blauwe plekken op haar rechterarm en linkerbeen ook een rode en gezwollen wang wordt gezien.

Conclusie

De verklaring van aangeefster vindt aldus steun in de omstandigheid dat zij op haar blote voeten in paniek en huilend – terwijl zij haar kinderen alleen in de woning had achtergelaten – bij de bewoonster van de [adres getuige] heeft aangebeld. Zij heeft vervolgens direct verklaard dat er een man met een mes in haar woning was. Vervolgens heeft zij tegen de politie die ter plaatse kwam direct verklaard dat zij mishandeld en verkracht is. De verklaring van aangeefster vindt voorts steun in het op dat moment waargenomen letsel bij aangeefster. Dat letsel past bij hetgeen aangeefster heeft verklaard. De rechtbank acht om deze redenen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster die avond/nacht van 25 juli 2017 op 26 juli 2017 heeft mishandeld.

Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank ook bewezen dat verdachte met een mes heeft gezwaaid en steekbewegingen in de richting van aangeefster heeft gemaakt.

Aangeefster is mishandeld en bedreigd met het mes, waarbij verdachte op dreigende toon heeft gezegd dat zij zich moest gedragen en stil moest zijn. Onder die omstandigheden acht de rechtbank het aannemelijk dat aangeefster zich - uit angst voor erger - niet langer heeft verzet tegen verdachtes handelingen. Dat maakt echter geenszins dat de seks vrijwillig heeft plaatsgevonden. Verdachte heeft direct voorafgaand aan die seks niet alleen gedreigd met het geweld, maar ook gedemonstreerd dat hij daartoe daadwerkelijk in staat was. Onder die (bedreigende) omstandigheden had verdachte moeten begrijpen dat hij aangeefster daardoor heeft gedwongen tot het ondergaan van de seksuele handelingen. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte aangeefster heeft verkracht onder bedreiging met een mes.

Feit 2

Uit de verklaring van aangeefster10 en de tapgesprekken11 die door verdachte vanuit de Penitentiaire Inrichting zijn gevoerd blijkt dat verdachte meerdere malen contact heeft gehad met aangeefster nadat zij aangifte had gedaan en aanvullende verklaringen had afgelegd.

Verdachte heeft ter terechtzitting van 24 april 2018 erkend de teksten zoals ten laste zijn gelegd te hebben gebruikt, maar hij heeft daarover verklaard dat hij dit niet heeft gedaan om aangeefster te beïnvloeden haar verklaring te wijzigen of terug te komen op haar verklaring. Hij wilde haar slechts wijzen op de mogelijkheden om terug te komen op haar eerder afgelegde verklaringen.

De rechtbank overweegt dat de teksten zoals ten laste gelegd, gelet op de context, naar aard en strekking onmiskenbaar bedoeld zijn om aangeefster te beïnvloeden haar verklaring te wijzigen danwel op haar eerder afgelegde verklaring terug te komen. In het dossier bevinden zich meerdere tapgesprekken, waarvan de toonzetting en de strekking gelijkluidend is. Telkens opnieuw zegt verdachte tegen aangeefster dat zij iets moet doen of laten. Als zij niet naar hem luistert zijn er consequenties. Dan gaat zij – bijvoorbeeld - “problemen krijgen” of “haar kind verliezen”. Ook hierom acht de rechtbank de uitleg van verdachte, dat hij aangeefster slechts wilde wijzen op de mogelijkheden, niet geloofwaardig.

De rechtbank acht het onder 2 ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Verweren

Voor zover verdachte bij laatste woord en in aanvulling op hetgeen door zijn raadsman reeds naar voren is gebracht nog een verweer heeft willen voeren in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering overweegt de rechtbank dat dit verweer op geen enkele wijze is onderbouwd en dus niet aan de daarvoor gestelde vereisten voldoet. De rechtbank passeert dit verweer dan ook.

4.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij in de periode van 25 juli 2017 tot en met 26 juli 2017 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, door bedreiging met geweld, te weten door:

- een mes aan die [slachtoffer] te tonen en met dat mes te zwaaien en met dat mes steekbewegingen naar/in de richting van de nek/hals van die [slachtoffer] te maken

die [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , immers heeft hij, verdachte,

- die [slachtoffer] op de mond gezoend en

- met zijn tong langs de wang en/of nek van die [slachtoffer] gegaan en

- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en meermalen heen en weer bewegingen gemaakt;

en

hij in de periode van 25 juli 2017 tot en met 26 juli 2017 te Nootdorp, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk een persoon (te weten [slachtoffer] ) heeft mishandeld door

- die [slachtoffer] met kracht bij onder andere de armen beet te pakken en

- die [slachtoffer] meermalen in het gezicht en tegen het hoofd te slaan waarbij die [slachtoffer] met haar hoofd tegen een muur stootte en

- die [slachtoffer] bij de haren beet te pakken,

waardoor deze letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

2.

hij op tijdstippen in de periode van 5 augustus 2017 tot en met 8 augustus 2017 te Rotterdam, opzettelijk mondeling zich jegens [slachtoffer] heeft geuit, kennelijk om diens vrijheid om naar waarheid te verklaren of geweten ten overstaan van een rechter of ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden en om die [slachtoffer] te beïnvloeden om terug te laten komen op een eerder afgelegde verklaring dan wel die eerdere verklaring te laten wijzigen, terwijl hij, verdachte, wist dat die verklaring was afgelegd, door vanuit de Penitentiaire Inrichting (Rijnmond) meermalen, telefonisch contact met die [slachtoffer] te leggen en onder andere het volgende op een dwingende toon tegen die [slachtoffer] te zeggen: "Je kan niet meer intrekken maar je kan een mailtje naar mijn advocaat sturen. En zeggen dat je die torrie hebt overdreven." en "Bel die advocaat gewoon en handel die torrie met hem. Anders als ik voor moet gaan en het is niet geregeld dan ga ik niet meer met je praten." en “je gaat niet lopen liegen en bedreigen je weet toch en denken dat het zo gaat werken. Zo werkt het niet schat. Ik kan je pas vergeven als je gewoon, je trekt die ding recht en dan kunnen we gewoon straight face tot face praten begrijp je.” en “Bel die man vandaag. Bel hem. (..) Luister één keer in je leven luister gewoon naar me gewoon blind (..)”, waarna hij haar beloofd met rust te laten, in elk geval (meermalen) woorden van gelijke (beïnvloedbare) aard en/of strekking.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is verdachte daardoor niet in de verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6 De strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

Verdachte is dus strafbaar.

7 De strafoplegging

7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de hem onder 1 (beide feiten cumulatief) en 2 ten laste gelegde feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, alsmede dat aan hem de maatregel van terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: TBS met dwangverpleging) wordt opgelegd.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de oriëntatiepunten van het LOVS. Verder heeft hij – gelet op het feit dat door de deskundigen geen stoornis is vastgesteld – betoogd dat een TBS niet opgelegd dient te worden.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

Verdachte heeft aangeefster in haar eigen woning mishandeld en verkracht. Aangeefster was doodsbang voor verdachte, waardoor zij midden in de nacht haar woning, waar haar nog kleine kinderen lagen te slapen, heeft verlaten, terwijl verdachte daar nog aanwezig was, en op blote voeten over straat heeft gerend om hulp te zoeken. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan. Iedereen moet zich veilig kunnen voelen in zijn of haar woning. Verdachte heeft met zijn handelingen een grove inbreuk gemaakt op de geestelijke en lichamelijke integriteit van aangeefster. Uit haar schriftelijke slachtofferverklaring blijkt dat aangeefster mensen niet meer vertrouwt en last heeft van paniekaanvallen. Zij heeft nog dagelijks last van de gebeurtenissen, waardoor zij niet meer in staat is haar beroep uit te oefenen.

Ook heeft verdachte aangeefster vanuit de Penitentiaire Inrichting telefonisch benaderd om ervoor te zorgen dat zij haar verklaringen over de mishandeling en verkrachting zou wijzigen of er op terug zou komen. Hij heeft hiermee de vrijheid van aangeefster om in een strafrechtelijk onderzoek te verklaren ondermijnd. Dat is zeer ernstig omdat hij heeft geprobeerd om de waarheidsvinding te belemmeren en het strafproces ten gunste van zichzelf te beïnvloeden.

Persoon van verdachte

Strafblad

De rechtbank heeft acht geslagen op het strafblad van verdachte van 31 mei 2018, waaruit blijkt dat verdachte eerder met politie en justitie in aanraking is gekomen, onder andere ter zake ernstige geweldsdelicten. De rechtbank heeft kennisgenomen van het (niet onherroepelijke) vonnis d.d. 30 november 2017 van de meervoudige kamer van de rechtbank Oost-Brabant waarbij verdachte tot 2 jaren gevangenisstraf is veroordeeld voor het onttrekken van een minderjarig meisje aan het wettig gezag en het opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd te houden. Dit vonnis is door de officier van justitie aan het dossier toegevoegd. De rechtbank Oost-Brabant heeft in dit vonnis – voor zover hier relevant – overwogen dat verdachte al jaren gericht lijkt te zijn op het snel vinden van een jonge vrouw om een Islamitisch huwelijk mee te sluiten. De rechtbank heeft bewezenverklaard dat verdachte de aangeefster in deze zaak heeft mishandeld door haar – als straf vanwege weglopen – heeft geslagen met een riem, een ceintuur van een riem in de mond heeft gestopt, haar keel heeft dichtgeknepen en haar omhoog heeft getild en haar tegen het gezicht heeft geslagen. Aangeefster mocht niet weg. Dat mocht niet van hem, maar dat mocht ook niet gelet op de Islamitische regels.

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op de volgende rapportages die over verdachte zijn opgemaakt.

Het Pro Justitia rapport (psychologisch) van 30 april 2015

Verdachte heeft aan het onderzoek door psycholoog J. van Beek niet meegewerkt. Er vond wel een gesprek van anderhalf uur plaats waarin verdachte heeft uitgelegd waarom hij niet wil meewerken. Om die reden is het niet mogelijk om te beoordelen of sprake is van een psychische stoornis waaruit volgt dat ook het verband met het ten last gelegde niet beoordeeld kan worden. De psycholoog heeft de onderzoeksvragen niet kunnen beantwoorden. De psycholoog heeft wel opgeschreven dat de argumentatie van verdachte met betrekking tot het niet meewerken goed te volgen is en weloverwogen overkomt.

Het Pro Justitia rapport (psychiatrisch) van 30 april 2015

Verdachte heeft ook niet aan het onderzoek door psychiater I. Maksimovic meegewerkt. Om die reden heeft de psychiater de onderzoeksvragen niet kunnen beantwoorden.

Het rapport van het Pieter Baan Centrum (PBC)van 23 februari 2017

Ook aan het onderzoek in het PBC, dat is bevolen in de zaak die heeft geleid tot het hierboven reeds genoemde vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 30 november 2017, heeft verdachte zijn medewerking geweigerd, waardoor de deskundigen zich hebben onthouden van advies. Door de weigering verkregen de psycholoog en psychiater slechts beperkte informatie uit de gesprekken.

Psychologisch onderzoek

Vanuit het milieuonderzoek komen sterke aanwijzingen voor ernstige persoonlijkheidsproblematiek bij verdachte naar voren. Verdachte heeft als kind zeer waarschijnlijk ernstige problemen ondervonden in de hechting, hij is ernstig verwaarloosd, afgewezen en is vervolgens ambivalent, bestraffend en ook agressief bejegend door zijn moeder. Vanuit zijn levensgeschiedenis komen duidelijke aanwijzingen naar voren dat hij door de jaren heen emotioneel steeds meer verhard is geraakt en dat hij zijn, hoogstwaarschijnlijk, negatief beladen zelfgevoel is gaan overdekken en afweren met eigen agressie, met het uitreageren van spanningen en met een egocentrisch op zichzelf en zijn eigen belangen gericht leven. De persoonlijkheidsproblematiek centreert zich rondom macht en agressie (krenkbaarheid, andermans macht en autoriteit slecht verdragen, geïnternaliseerde agressie van de opvoeder). Dit doet denken aan ernstige narcistische problematiek (mogelijk ook met kenmerken van psychopathie).

Psychiatrisch onderzoek

In het forensisch milieuonderzoek komen aanwijzingen naar voren voor het bestaan van persoonlijkheidsproblematiek. Verdachtes jeugd is allerminst vlekkeloos verlopen, waarbij een vruchtbare bodem voor het ontwikkelen van hechtingsproblematiek heeft bestaan. Vader was nauwelijks in beeld en moeder was ambivalent beschikbaar en mishandelde hem. Op affectief en pedagogisch vlak is verdachte vanaf zijn vroege jeugd evident tekortgekomen. Zijn tekorten kanaliseert hij aanvankelijk naar het zich laat aanzien op internaliserende wijze, maar vanaf intreding van de adolescentie vindt een ommekeer plaats naar externaliserende problematiek. Vanaf zijn twaalfde begeeft hij zich in een pro crimineel circuit en ontwikkelt een antisociale en verhardende leefstijl met veelvuldige civiel- en strafrechtelijke plaatsingen. Er zijn aanwijzingen voor een verhoogde mate van krenkbaarheid. Hoewel het ontwikkelen van (cluster B of narcistische) persoonlijkheidsproblematiek zeer goed voorstelbaar is en hiervoor volgens de psychiater ook duidelijke aanwijzingen voor bestaan in het onderzoek, is er onvoldoende eigen onderzoek van de psychiater mogelijk geweest om deze hypothese met zekerheid te kunnen bekrachtigen.

Beide deskundigen komen tot de conclusie dat er (met name) op basis van het milieuonderzoek, maar ook wegens hierop aansluitende illustratieve dynamiek in de groepsobservatie en de dynamiek in de beperkte contacten met de psycholoog, veel aanwijzingen zijn voor onderliggende persoonlijkheidsproblematiek. Er bestaan duidelijke aanwijzingen voor een verhoogde mate van krenkbaarheid. Verdachte lijkt zich relatief snel onheus behandeld en vernederd te voelen en krenkingen lijken aldus flinke spanningen bij hem op te roepen. De deskundigen formuleren de hypothese dat sprake zou kunnen zijn van cluster-B-persoonlijkheidsproblematiek, vermoedelijk van narcistische aard. Dat wil zeggen dat een diepgeworteld, deels onbewust, gevoel van tekortschieten bij verdachte leeft, en een overgevoeligheid voor vermeende vernederingen, waardoor hij krenkbaar is en gevoelig voor machtsongelijkheid. Gevoelens van kwetsbaarheid en krenkbaarheid worden bij narcistische problematiek compensatoir overdekt door het tegendeel (een pantser van beheerst, wat superieur gedrag).

Het rapport van de reclassering van 19 april 2017

De reclassering heeft gerapporteerd dat verdachte niet gemotiveerd is voor reclasseringsbemoeienis. De reclassering heeft verdachte tweemaal bezocht en hij gaf aan niet mee te willen werken met het opstellen van een reclasseringsadvies. De inschatting van de reclassering is dat het niet haalbaar is om een reclasseringstraject gericht op het verminderen van de kans op recidive met verdachte op te starten gezien zijn ontkenning, zijn pro criminele houding, het gebrek aan motivatie en de door het NIFP veronderstelde persoonlijkheidsproblematiek.

Straf en/of maatregel?

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de zaak tegen verdachte moet worden afgedaan met een (al dan niet lange) gevangenisstraf, of dat er aanleiding is om verdachte (eventueel daarnaast) een strafrechtelijke maatregel, zoals terbeschikkingstelling, al dan niet met dwangverpleging, op te leggen.

Maatregel?

Om de maatregel van terbeschikkingstelling te kunnen opleggen dient, ingevolge het eerste lid van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), de vraag te worden beantwoord of bij verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond (sub 1), alsmede of de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van die maatregel eist (sub 2). Voorts is krachtens de wet voor een last tot terbeschikkingstelling een advies van twee gedragsdeskundigen, waaronder een psychiater, die verdachte hebben onderzocht, vereist. Uit alle hiervoor besproken rapportages blijkt dat verdachte een weigerende observandus is in de zin van artikel 37a, derde lid, Sr in combinatie met artikel 37, derde lid, Sr. Op grond van deze wetsartikelen kan ook aan een weigerende observandus de maatregel van terbeschikkingstelling met dwangverpleging worden opgelegd. De eis van een (volwaardig) multidisciplinair onderzoek, als bedoeld in artikel 37a, derde lid, Sr in combinatie met artikel 37, tweede lid, Sr vervalt in dat geval. Ook dan blijft evenwel vereist dat wordt vastgesteld dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens ten tijde van het plegen van het feit. Zonder die vaststelling is oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling niet mogelijk. Het is aan de rechter, die over de feiten oordeelt, om die vaststelling te doen. De rechter zal zich daarbij in zeer sterke mate moeten laten leiden door de bevindingen en conclusies van de gedragsdeskundigen, maar als de gedragsdeskundigen aan de grenzen komen van wat zij vanuit hun wetenschap nog kunnen verantwoorden, zal de rechter zijn eigen verantwoordelijkheid moeten nemen, voor zover de wet hem daartoe de ruimte geeft. Dit betekent dat in het uiterste geval de rechter, uiteraard slechts met grote behoedzaamheid, tot de vaststelling van een ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling ten tijde van het delict kan komen, ook al kunnen de gedragsdeskundigen op basis van de voor hen geldende wetenschappelijke criteria en tuchtrechtelijke normen niet tot die conclusie komen. Voor zijn beslissing dient de rechter dan wel voldoende steun te vinden in hetgeen gedragsdeskundigen zo mogelijk wél hebben kunnen vaststellen en hetgeen de rechter verder aan feiten en omstandigheden is gebleken met betrekking tot de persoon van verdachte.

Gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens?

De rechtbank hecht, bij de beantwoording van de vraag of bij verdachte sprake is van een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens, in het bijzonder waarde aan het hiervoor genoemde rapport van het PBC van 23 februari 2017. Hoewel verdachte aan het onderzoek in het PBC niet mee heeft willen werken, blijkt uit het rapport van de twee deskundigen wel dat bij verdachte, gezien de duidelijke aanwijzingen voor een verhoogde mate van krenkbaarheid, aanwijzingen voor cluster-B-persoonlijkheidsproblematiek vermoedelijk van narcistische aard bestaan.

Gelet op het rapport van de deskundigen van het PBC, bezien in het licht van de bewezenverklaring in deze zaak en voorts de overeenkomsten met de verdenking in de zaak die heeft geleid tot het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, is naar het oordeel van de rechtbank het bestaan van een persoonlijkheidsstoornis bij verdachte in voldoende mate aannemelijk geworden. Een dergelijke stoornis is naar zijn aard duurzaam. Dit brengt mee dat de rechtbank concludeert dat bij verdachte, ook ten tijde van de feiten onder 1 en 2, sprake was van een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, waarbij er aanwijzingen zijn dat deze bestaat uit cluster-B-persoonlijkheidsproblematiek vermoedelijk van narcistische aard.

Recidiverisico?

In geen van de rapportages is een oordeel over het recidiverisico gegeven. Uit het strafblad komt naar voren dat verdachte meermalen is veroordeeld, ook voor ernstige geweldsdelicten. Ook liep verdachte tijdens het plegen van deze feiten in een schorsing. De bewezenverklaarde feiten in deze zaak zijn gewelddadig van aard en gelet op het strafblad van verdachte, is sprake van een escalatie in frequentie en de ernst van de feiten. Dit alles maakt dat de rechtbank van oordeel is dat de kans op recidive hoog is.

Conclusie

Naar het oordeel van de rechtbank is de stoornis van verdachte en het daaruit voortkomende recidiverisico zodanig dat het vanuit veiligheidsoogpunt onverantwoord is om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de maatschappij. Gelet op het advies van de reclassering betreffende de zorgmijdende houding van verdachte heeft de rechtbank geen enkel aanknopingspunt voor het opleggen van een deels voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden. Ook ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor het opleggen van een TBS met voorwaarden, nu het, gelet op zijn niet-meewerkende houding bij de genoemde onderzoeken, niet reëel is dat verdachte daaraan zal meewerken. Gelet op het voorgaande bestaat naar het oordeel van de rechtbank een grote kans dat verdachte zich aan op te leggen voorwaarden zal onttrekken. De rechtbank ziet dan ook geen andere mogelijkheid dan om de terbeschikkingstelling van verdachte te gelasten en daarbij te bepalen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. De door verdachte onder 1 en 2 begane feiten betreffen misdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen eist de oplegging van deze maatregel. Nu de TBS-maatregel zal worden opgelegd ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar hebben veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van één persoon, is sprake van een ongemaximeerde TBS als bedoeld in artikel 38e Sr en kan de totale duur van de op te leggen maatregel om die reden een periode van vier jaar te boven gaan. De rechtbank ziet geen aanleiding om een advies te geven over het tijdstip waarop de TBS met dwangverpleging dient aan te vangen, zoals bedoeld in artikel 37b Sr.

Straf?

De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of naast de maatregel van TBS met dwangverpleging een onvoorwaardelijke gevangenisstraf moet worden opgelegd zoals door de officier van justitie geëist. Uit het onderzoek door deskundigen van het PBC is niet gebleken dat verdachte de feiten in verminderende mate kunnen worden toegerekend, zodat de rechtbank hier ook geen rekening mee zal houden. Ter terechtzitting is op geen enkel moment gebleken dat verdachte verantwoordelijkheid neemt voor hetgeen hij het slachtoffer heeft aangedaan en de rechtbank weegt dit in zijn nadeel mee.

De rechtbank is van oordeel dat gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten niet kan worden volstaan met een andere straf dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Aan verdachte zal dan ook, naast voornoemde maatregel, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf worden opgelegd. Bij het bepalen van de hoogte van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met alle hiervoor genoemde omstandigheden en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Deze oriëntatiepunten zijn gebaseerd op hetgeen doorgaans in soortgelijke zaken wordt opgelegd. De ernst van de feiten rechtvaardigen een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. De rechtbank acht de door de officier van justitie gevorderde straf passend en geboden.

8 De vordering van de benadeelde partij / De schadevergoedingsmaatregel

[slachtoffer] heeft zich met betrekking tot beide feiten als benadeelde partij gevoegd ter zake van de vordering tot schadevergoeding, groot € 12.904,71, bestaande uit € 404,71 materiële en € 12.500,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 12.904,71, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

8.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, gelet op de bepleite vrijspraak voor beide feiten, primair verzocht om de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht om het gevorderde bedrag te matigen.

8.3

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de vordering, voor zover deze betrekking heeft op de materiële schade, toewijsbaar, nu dit onderdeel namens verdachte inhoudelijk niet is betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd is. Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit.

Ter zake van de gevorderde immateriële schade zal de rechtbank, gelet op hetgeen de benadeelde partij ter toelichting heeft aangevoerd, naar billijkheid een bedrag van € 2.500,-toewijzen, nu is komen vast te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank zal derhalve de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.904,71.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen, nu vast is komen te staan dat de schade met ingang van 25 juli 2017 is ontstaan.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering verklaren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Schadevergoedingsmaatregel.

Nu verdachte voor de onder 1 eerste en tweede cumulatief en 2 bewezenverklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door deze feiten is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.904,71 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer] .

9 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:

- 36f, 37a, 37b, 57, 242, 285a en 300 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat verdachte de bij dagvaarding onder 1 eerste en tweede cumulatief en 2 tenlastegelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

verkrachting;

en

mishandeling;

ten aanzien van feit 2:

opzettelijk mondeling zich jegens een persoon uiten, kennelijk om diens vrijheid om een verklaring naar waarheid of geweten ten overstaan van een rechter/ambtenaar een verklaring af te leggen te beïnvloeden, terwijl hij weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat die verklaring zal worden afgelegd;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 (DRIE) JAREN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

gelast de terbeschikkingstelling van veroordeelde en beveelt dat de veroordeelde van overheidswege zal worden verpleegd;

benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer] , een bedrag van € 2.904,71, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot

€ 2.904,17, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 25 juli 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van [slachtoffer] ;

bepaalt dat in geval volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt - onder handhaving van voormelde verplichting - vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 39 dagen;

bepaalt dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, alsmede dat voldoening van de gehele of gedeeltelijke betalingsverplichting aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Rootring, voorzitter,

mr. J. Holleman, rechter,

mr. N.I.S. Wallet, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. M. Koolen, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 juli 2018.

Bijlagen:

1. Requisitoir overgelegd op de zitting van 24 april 2018.

2. Schriftelijke slachtofferverklaring overgelegd op de zitting van 24 april 2018.

3. Pleitnota overgelegd op de zitting van 26 juni 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2017211604, van de politie eenheid Den Haag, Dienst Regionale Recherche, Afdeling Thematische Opsporing, Team Zeden, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 466; daarna ongenummerd).

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 75-76.

3 Proces-verbaal van verhoor [getuige] , p. 69-74.

4 Proces-verbaal van aangifte, [slachtoffer] , p. 60-63.

5 Proces-verbaal van bevindingen informatief gesprek zeden, p. 30-33.

6 Geschriften, te weten foto’s van aangeefsters letsel, p. 184-218.

7 Proces-verbaal van bevindingen, p. 75-76.

8 Een geschrift, te weten een NFI-rapport d.d. 4 december 2017.

9 Proces-verbaal van bevindingen, p. 256 en 260 en proces-verbaal uitwerken gesprek PI, p. 461, 462 en 463.

10 Proces-verbaal van verhoor aangeefster, [slachtoffer] , p. 230-234.

11 Proces-verbaal van bevindingen, p. 256-265.