Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8084

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
09-07-2018
Datum publicatie
27-07-2018
Zaaknummer
AWB - 17 _ 4100
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 19, lid 1, onder e, van de WW. Herziening en terugvordering van WW-uitkering. In confesso is dat eiseres anders dan wegens vakantie verblijf heeft gehouden in het buitenland. Beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt is voor de toepassing van artikel 19-1e WW niet relevant. Er zijn geen omstandigheden aanwijsbaar die zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van artikel 19-1e WW. Op goede gronden herziening met terugwerkende kracht wegens schending inlichtingenplicht.. Geen dringende redenen om af te zien van terugvordering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 17/4100

uitspraak van de meervoudige kamer van 9 juli 2018 in de zaak tussen

[eiseres], te [plaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.A.T. Sick),

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder

(gemachtigde: mr. R.A.C. Rijk).

Procesverloop

Bij besluit van 17 november 2016 (het primaire besluit I) heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Werkloosheidwet (WW) wegens verblijf in het buitenland met ingang van 22 augustus 2014 beëindigd.

Bij besluit van 5 januari 2017 (het primaire besluit II) heeft verweerder het recht op WW-uitkering van eiseres over de periode van 18 augustus 2014 tot en met 18 september 2016 herzien en een bedrag van € 75.949,08 aan ten onrechte verstrekte WW-uitkering van eiseres teruggevorderd.

Bij besluit van 5 mei 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiseres gegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij beslist dat het recht op WW-uitkering van eiseres wordt herzien van 1 januari 2015 tot en met 18 september 2016 en dat eiseres een bedrag van € 55.773,49 moet terugbetalen.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juni 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiseres werkte als manager opvang in dienst van [naam opvang] Kinderopvang te [plaats]. In verband met de beëindiging van dit dienstverband is eiseres bij besluit van

11 januari 2014 per 1 januari 2014 in aanmerking gebracht voor een WW-uitkering. Naar aanleiding van een controle op het recht op WW-uitkering van eiseres is het Uwv een onderzoek gestart naar de verblijfplaats van eiseres.

Op 27 oktober 2016 heeft [inspecteur], inspecteur handhaving van het Uwv, een onderzoeksrapport opgesteld waaruit is gebleken dat eiseres vanaf 22 augustus 2014 anders dan wegens vakantie in het buitenland (Gambia) verblijft. De WW-uitkering is op verzoek van eiseres per 24 september 2016 stopgezet.

2. Op grond van de resultaten van het handhavingsonderzoek heeft verweerder de primaire besluiten I en II genomen, waarbij het recht op WW-uitkering van eiseres over de periode van 18 augustus 2014 tot en met 18 september 2016 is herzien en het daarmee verband houdende WW-uitkeringsbedrag van € 75.949,08 is teruggevorderd. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres gegrond verklaard, de periode waarover het recht op WW wordt herzien aangepast en beslist dat het van eiseres terug te vorderen uitkeringsbedrag wordt verlaagd naar € 55.773,49.

3. Het bestreden besluit berust op het standpunt dat eiseres geen recht heeft op WW-uitkering omdat zij na haar echtscheiding op 2 oktober 2014 in 2015 en 2016 in Gambia heeft verbleven, waar zij gedurende die jaren onbezoldigde arbeid verrichtte in een door de Nederlandse stichting “[stichting]” opgebouwd ziekenhuis. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres bekend had kunnen zijn met de op haar rustende inlichtingenplicht en dat zij ten onrechte geen melding heeft gemaakt van haar vrijwilligerswerk in Gambia. Verweerder acht voorts voldoende aannemelijk dat eiseres niet reeds vanaf 18 augustus 2014, maar pas vanaf 1 januari 2015 anders dan wegens vakantie in Gambia verbleef en dat zij in de loop van 2015 en 2016 ook gedurende korte perioden in Nederland was. Verweerder heeft daarom het terug te vorderen uitkeringsbedrag verlaagd naar € 55.773,49. Dringende redenen om van herziening en/of terugvordering af te zien, acht verweerder niet aanwezig. Wel ziet verweerder thans af van invordering omdat eiseres het bedrag van € 55.773,49 voorlopig niet kan terugbetalen.

4. In beroep voert eiseres aan dat moet worden afgezien van herziening en terugvordering omdat zij ondanks haar verblijf in het buitenland altijd beschikbaar is gebleven voor de Nederlandse arbeidsmarkt. Eiseres heeft steeds aan haar sollicitatieverplichtingen voldaan en is actief blijven zoeken naar een baan in Nederland. Volstrekt onjuist acht eiseres dan ook de bewering van de nieuwe partner van haar ex-echtgenoot dat zij vanuit Gambia solliciteert op voor haar onbereikbare functies. In september 2016 heeft eiseres nog gesolliciteerd op de functie van manager bij een Nederlands kinderopvangbedrijf. Eiseres stelt steeds in staat te zijn op korte termijn naar Nederland te komen om te solliciteren en een baan te accepteren. Eiseres doet heel zinvol werk in Gambia en dat is beter dan in Nederland werkloos thuis te zitten. Zo maakt ze zich als werkloze nuttig voor de maatschappij en kan ze tevens ontsnappen aan een onhoudbare woonsituatie met haar ex-echtgenoot. Gelet daarop verzoekt eiseres om de bepaling van artikel 19, eerste lid, onderdeel e, van de WW buiten toepassing te laten. Tot slot meent eiseres dat er dringende redenen zijn die voor verweerder aanleiding zouden moeten zijn om af te zien van terugvordering.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

5.1

Artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW bepaalt dat de werknemer die buiten Nederland woont of verblijf houdt anders dan wegens vakantie, geen recht heeft op uitkering. Voor het antwoord op de vraag of eiseres in de periode in geding in Gambia verblijf hield, zijn de feitelijke omstandigheden beslissend.

5.2

Op grond van artikel 22a, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW herziet het Uwv de uitkering indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting op grond van artikel 25 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van uitkering, behoudens dringende redenen als bedoeld in artikel 22a, tweede lid, van de WW.

5.3

In artikel 25 van de WW, voor zover van belang, is bepaald dat de werknemer verplicht is het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te delen, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op uitkering, het geldend maken van het recht op uitkering, de hoogte of de duur van de uitkering of op het bedrag van de uitkering dat aan hem wordt betaald.

5.4

Artikel 36, eerste lid, van de WW bepaalt dat de uitkering die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 22a van de WW onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uwv wordt teruggevorderd.

5.5

Op grond van artikel 36, zesde lid, van de WW kan het Uwv besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

6.1

Niet in geschil is dat eiseres, behoudens enkele perioden van kort verblijf in Nederland wegens bezoek aan familie of vrienden, met ingang van 1 januari 2015 anders dan wegens vakantie verblijf hield in Gambia. Daarmee staat voor de rechtbank vast dat eiseres op grond van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW vanaf 1 januari 2015 geen recht meer had op een WW-uitkering. De bewering van eiseres dat zij haar recht op WW-uitkering desondanks heeft behouden omdat zij steeds is blijven solliciteren en op grond daarvan beschikbaar is gebleven voor de Nederlandse arbeidsmarkt, gaat niet op. De rechtbank wijst op de, al voor de zitting door de rechtbank aan partijen ter kennis gebrachte uitspraak van 24 december 2014 van de Centrale Raad van Beroep (CRvB), ECLI:NL:CRVB:2014:4403, waarin de CRvB als zijn oordeel heeft uitgesproken dat het al of niet beschikbaar zijn of blijven voor de arbeidsmarkt niet relevant is voor de toepassing van de onderhavige uitsluitingsbepaling.

6.2

De beroepsgrond van eiseres dat in haar geval sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die zouden moeten leiden tot het buiten toepassing laten van artikel 19, eerste lid, aanhef en onder e, van de WW, slaagt evenmin. Eiseres heeft in dit verband betoogd dat zij het vrijwilligerswerk in Gambia steeds heeft gezien als een mogelijkheid om zich als werkloze toch nuttig te maken voor de maatschappij en te ontsnappen aan een onhoudbare woonsituatie met haar ex-echtgenoot. De rechtbank overweegt dat bijzondere omstandigheden denkbaar zijn, waarin strikte toepassing van een dwingendrechtelijke bepaling in die mate in strijd komt met algemene rechtsbeginselen dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Deze bijzondere omstandigheden kunnen slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen, zie het arrest van de Hoge Raad van 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2015:3679. De rechtbank acht een dergelijke exceptionele situatie hier niet aan de orde, nu eiseres zelf de keuze heeft gemaakt naar Gambia te vertrekken terwijl zij zich ook in Nederland als werkloze nuttig had kunnen maken voor de maatschappij. Ook een onhoudbare woonsituatie met een ex-partner geldt naar het oordeel van de rechtbank evenmin als een exceptionele situatie.

6.3

Verweerder heeft, zoals ter zitting is bevestigd, de herziening met terugwerkende kracht gebaseerd op artikel 22a, aanhef en onder a, van de WW in verbinding met artikel 25 van de WW. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiseres, onder andere door de eerder bij de toekenning van de WW-uitkering verstrekte informatie, had kunnen weten dat zij haar verblijf in het buitenland moest melden en dat dit verblijf gevolgen zou kunnen hebben voor haar recht op WW-uitkering. De rechtbank onderschrijft dit standpunt en is met verweerder van oordeel dat eiseres de inlichtingenplicht van artikel 25 van de WW heeft geschonden. Eiseres heeft verweerder immers niet onverwijld en uit eigen beweging op de hoogte gesteld van haar vrijwilligerswerk in Gambia, waarvan het haar redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat dit van invloed kon zijn op het recht op WW-uitkering. Dat eiseres die bewustheid had, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit een mailbericht van 18 oktober 2016 van eiseres aan [persoon X], een van de bestuursleden van de stichting “[stichting]”, waarin zij verantwoording aflegt en aangeeft fout te zijn geweest door niet in Nederland te blijven tijdens haar WW-uitkering.

6.4

Verweerder is gelet hierop terecht en op goede gronden overgegaan tot herziening met terugwerkende kracht van het recht op WW-uitkering van eiseres. Daarmee is de onverschuldigdheid van de door eiseres over de periode van 1 januari 2015 tot en met

18 september 2016 ontvangen WW-uitkering komen vast te staan, zodat verweerder gehouden was tot terugvordering daarvan op grond van artikel 36 van de WW.

6.5

Eiseres doet een beroep de aanwezigheid van dringende redenen als bedoeld in artikel 36, zesde lid, van de WW, wijzend op de grote financiële en sociale consequenties van de terugvordering. Te dien aanzien overweegt de rechtbank als volgt.

Indien dringende redenen aanwezig zijn, kan verweerder besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, zie onder meer de uitspraak van 6 juli 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:2514, kunnen dringende redenen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de financiële en/of sociale consequenties die een terugvordering voor de betrokkene heeft. Daarbij moet dan sprake zijn van een incidenteel geval waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en die een individuele afweging van alle relevante omstandigheden noodzakelijk maakt. Eiseres heeft gesteld dat zij een enorme hypotheekschuld heeft en dat de groter wordende problemen met haar ex-echtgenoot maken dat haar financiële omstandigheden steeds dreigender worden.

6.6

De rechtbank is van oordeel dat eiseres daarmee niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van onaanvaardbare financiële consequenties als gevolg van de terugvordering die hier aan de orde is. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat ter zitting is verklaard dat eiseres, voor zover bij haar gemachtigde bekend, op dit moment geen maandelijkse hypotheeklasten voor haar woning in [plaats] hoeft af te dragen. Afgezien daarvan heeft verweerder op basis van een inkomens- en vermogensonderzoek vastgesteld dat eiseres voorlopig niet kan betalen en dat steeds aan de hand van nieuwe inkomensonderzoeken zal worden bezien of zal worden ingevorderd. De rechtbank stelt aldus vast dat verweerder met de financiële omstandigheden van eiseres rekening zal houden bij de vraag of en in welke mate tot aflossing, verrekening of inning van de vordering kan worden overgegaan. Gelet daarop kan (ook) om die reden niet worden gesproken van een voor eiseres onaanvaardbare financiële situatie.

6.7

De rechtbank is voorts niet gebleken dat de terugvordering voor eiseres in sociaal/medisch opzicht onaanvaardbare gevolgen heeft. Eiseres heeft in haar beroepschrift gesteld dat zij momenteel een mentaal wrak is, maar zij heeft die stelling niet met concrete medische gegevens schriftelijk onderbouwd. Ter zitting is van de zijde van eiseres aangevoerd dat zij in het najaar van 2017 is behandeld voor hartritmestoornissen, maar dat zij haar werkzaamheden in Gambia, zij het “op halve kracht”, alweer heeft hervat. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet dat het terugvorderingsbesluit dusdanig ernstige sociale of medische gevolgen voor eiseres heeft dat zij als gevolg daarvan in een onaanvaardbare situatie terecht is gekomen.

6.8

Tot slot heeft verweerder eiseres ter zitting gewezen op de mogelijkheid van het indienen van een kwijtscheldingsverzoek, waarin zij haar financiële en sociaal/medische positie (nogmaals) aan de orde kan stellen. Dit zou dan na een uitgevoerde verzekeringsgeneeskundige en/of arbeidskundige beoordeling kunnen leiden tot een separaat besluit waartegen voor eiseres desgewenst bezwaar en beroep open staat.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.X. Cozijn, voorzitter, mr. D.R. van der Meer en

mr. H. Nijman, leden, in aanwezigheid van F.P. Krijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.