Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8072

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
06-07-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
NL18.11096
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Dublin Zweden, interstatelijk vertrouwensbeginsel

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 30
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11096


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. G.E. Jans),

en

de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op de grond dat Zweden verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11097, plaatsgevonden op 26 juni 2018. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser is van Iraakse nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1990.

2. Verweerder heeft het bestreden besluit gebaseerd op artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarin is bepaald dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling wordt genomen indien op grond van de Dublinverordening is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Deze verordening is de Verordening (EU) nr. 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (de Dublinverordening). In dit geval heeft Nederland bij Zweden een verzoek om terugname gedaan. Zweden heeft dit verzoek aanvaard.

3. Eiser voert aan dat Zweden zijn eerdere asielaanvraag ten onrechte heeft afgewezen. In dat kader legt eiser enkele vertaalde stukken over, die zijn asielrelaas ondersteunen. Overdracht aan Zweden zal tot gevolg hebben dat hij naar Irak wordt teruggestuurd, waar hij een risico loopt op schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens eiser is zijn asielaanvraag in Zweden niet serieus behandeld, omdat hij afkomstig is uit Irak. In dat verband wijst hij op het artikel ‘Waarom gaan duizenden vluchtelingen weg uit Zweden?’ in NRC-Handelsblad van 7 september 2016. Voorts loopt eiser in Zweden het risico gedetineerd te worden, aangezien hij is uitgeprocedeerd. Eiser is van mening dat verweerder op grond van artikel 17 van de Dublinverordening de asielaanvraag aan zich moet trekken.

4. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, voor zover thans van belang, kan in afwijking van artikel 3, eerste lid, van de Dublinverordening, een lidstaat besluiten een bij hem ingediend verzoek om internationale bescherming van een onderdaan van een derde land of een staatloze te behandelen, ook al is hij daartoe op grond van de in deze verordening neergelegde criteria niet verplicht.

5. De rechtbank overweegt als volgt.

In zijn algemeenheid mag verweerder ten opzichte van Zweden uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat dit in dit geval niet kan.

Dat eiser in Zweden een risico loopt om gedetineerd te worden, levert geen grond op om de overdracht aan Zweden onrechtmatig te achten. Ook in Nederland worden vreemdelingen met het oog op uitzetting in bewaring gesteld. Het persoonlijk relaas van eiser biedt geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de asielprocedure en de detentieomstandigheden in Zweden niet aan de daaraan te stellen eisen voldoen. Eiser heeft zijn stelling niet onderbouwd met stukken over zijn asielprocedure in Zweden, die hem persoonlijk betreffen. Eiser heeft bovendien in Zweden een verzoek om internationale bescherming kunnen indienen, waarop ook een beslissing is genomen. De stukken die eiser in beroep heeft overgelegd zien op zijn asielrelaas, zodat aan beoordeling daarvan in deze procedure niet wordt toegekomen.

Het betoog dat Zweden zijn asielaanvraag niet serieus heeft behandeld, moet worden ingebracht en beoordeeld in Zweden. Dat dit niet mogelijk zou zijn, heeft eiser niet aannemelijk gemaakt. Hij heeft immers niet onderbouwd dat hij een klacht bij de Zweedse autoriteiten heeft ingediend. De rechtbank kan eiser zonder nadere onderbouwing voorts niet volgen in zijn betoog dat Zweden asielaanvragen van Irakese vreemdelingen in zijn algemeenheid niet serieus neemt, vanwege het groot aantal Irakese vreemdelingen dat vrijwillig is teruggekeerd. Niet is gebleken dat Zweden zich niet aan het verbod van refoulement zal houden. Verweerder heeft zich daarom met een beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel op het standpunt mogen stellen dat ervan kan worden uitgegaan dat Zweden de verplichtingen zoals vastgelegd in het Vluchtelingenverdrag en het EVRM niet zal schenden.

Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat gesteld noch gebleken is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van eiser aan Zweden van onevenredige hardheid getuigt. Verweerder heeft dan ook geen aanleiding hoeven zien de behandeling van eisers asielaanvraag aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.

6. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.