Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8067

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
NL18.11069
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

inreisverbod, medisch

Wetsverwijzingen
Vreemdelingenwet 2000 64
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats 's-Gravenhage

Bestuursrecht

zaaknummer: NL18.11069


uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

(gemachtigde: mr. N. Vollebergh),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Wieman).

Procesverloop
Bij besluit van 12 juni 2018 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 31 mei 2017 tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast wordt eiser geen verblijfsvergunning regulier verleend om te verblijven bij zijn meerderjarige zoons en wordt ook geen uitstel van vertrek verleend op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Aan eiser wordt een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft, tezamen met de behandeling van de zaak NL18.11070, plaatsgevonden op 26 juni 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen T. Coric. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser heeft de Servische nationaliteit. Hij is geboren op [geboortedatum] 1971.

2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Roma is en op de markt in Servië oude spullen verkocht, waardoor hij problemen kreeg met de politie die hem valselijk beschuldigde van diefstal.

Asiel

3. Verweerder heeft de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31 van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht, nadat eiser een echt bevonden paspoort heeft overgelegd. Dat eiser thans voor de derde maal andere personalia heeft opgegeven en zijn verklaringen omtrent een naamswijziging niet stroken met het door hem overgelegde paspoort, doet volgens verweerder echter bij voorbaat afbreuk aan eisers verklaringen over zijn asielmotief. De gestelde problemen met de politie in Servië heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft eiser verweten toerekenbaar geen documenten te hebben overgelegd om zijn asielrelaas te onderbouwen en dat hij vage en summiere verklaringen heeft afgelegd. Verweerder ziet Servië als veilig land van herkomst en volgt eiser niet dat dit ten aanzien van Roma niet het geval is.

4.1

Eiser is het hier niet mee eens. Hij verwijst naar zijn zienswijzen, waarin hij heeft aangevoerd dat hij weliswaar niet alle details van de problemen met de politie in Servië kan benoemen, maar dat dit komt doordat hij lijdt aan een hersentumor, die zijn geheugen heeft aangetast. Verder heeft eiser hierin aangevoerd dat het een feit van algemene bekendheid is dat Roma zeer ernstig gediscrimineerd worden in Servië, waardoor hetgeen hij stelt te hebben meegemaakt geenszins ongeloofwaardig is en waardoor Servië voor Roma niet als veilig land kan worden gekwalificeerd.

4.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht het ontbreken van documenten heeft tegengeworpen en zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers verklaringen over zijn asielrelaas vaag zijn. Dat eiser niet alle details kan benoemen vanwege zijn hersentumor, strookt niet met zijn verklaringen tijdens het nader gehoor dat hij zich goed in staat voelde om het gehoor te laten plaatsvinden, dat hij alles wat van belang is heeft verteld en dat hij achteraf geen op- of aanmerkingen had. Verder volgt de rechtbank verweerder in zijn standpunt dat hij in het voornemen uitgebreid heeft gemotiveerd waarom Servië volgens hem ook voor Roma als veilig land van herkomst wordt aangemerkt en dat eisers niet onderbouwde stelling dat dit niet zo is hieraan niet kan afdoen.

Uitstel van vertrek

5.1

Uit het door het Bureau Medische Advisering (BMA) op 16 november 2017 uitgebrachte advies volgt dat eiser een liquordrain (voor afvoer van hersenvocht naar de buikholte) heeft nadat hij een hersenoperatie heeft gehad in Duitsland. Ook heeft hij een verminderde nierfunctie en langzaam werkende schildklier. Hij heeft regelmatig oorontstekingen. Bij uitblijven van de behandeling verwacht de BMA-adviseur een medische noodsituatie op korte termijn. In het aanvullende BMA-advies van 19 januari 2018 heeft het BMA aangegeven dat er voldoende medische behandeling aanwezig is in Servië.

5.2

Verweerder heeft eiser geen uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vw verleend, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de beschikbare medische zorg voor hem niet toegankelijk is. Middels het overleggen van algemene documentatie over de wijze van behandeling van de Roma bevolkingsgroep heeft eiser niet aannemelijk gemaakt waarom het juist voor hem persoonlijk als Roma onmogelijk is toegang te verkrijgen tot de behandeling in de specifiek door het BMA genoemde instelling.

5.3

Eiser voert aan dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat voor hem feitelijk geen medische behandeling beschikbaar is in Servië, ten gevolgde van corruptie en discriminatie ten aanzien van Roma. Verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld door niet alle door eiser aangehaalde rapporten bij zijn oordeel te betrekken. In aanvulling overlegt eiser een brief van VluchtelingenWerk Nederland van 18 juni 2018, waaruit eveneens volgt dat het recht op gezondheidszorg voor Roma in Servië geschonden wordt. Het aanvullende BMA-advies, waarin staat dat behandeling in algemene zin beschikbaar zou kunnen zijn, kan volgens eiser niet dienen als deskundigenadvies. Verweerder heeft zijn vergewisplicht geschonden, door niet te onderzoeken of het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en inzichtelijk en concludent is. In strijd met het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 13 december 2016 in de zaak Paposhvili tegen België, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381, heeft verweerder nagelaten onderzoek te doen naar de individuele toegankelijkheid van de behandeling. Eiser heeft voldoende aangevoerd om serieuze twijfel te laten rijzen, zodat het aan verweerder is deze twijfel weg te nemen door het verkrijgen van individuele en voldoende garanties van Servië.

5.4

Overeenkomstig de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in de uitspraak van 28 september 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2629), leidt de rechtbank uit punt 186 van het arrest Paposhvili af dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken ('to adduce evidence capable of demonstrating') dat hij op grond van zijn slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt. Indien de vreemdeling dit bewijs heeft geleverd is het aan de nationale autoriteiten van de uitzettende staat om de twijfel over een mogelijke schending van artikel 3 van het EVRM weg te nemen ('to dispel any doubts', punt 187), door de algemene situatie in het land van herkomst en de individuele omstandigheden waarin de vreemdeling verkeert zorgvuldig te onderzoeken in het licht van de gezondheidszorg in het land van herkomst in het algemeen en de individuele omstandigheden waarin de vreemdeling verkeert. In punt 190 is overwogen dat de nationale autoriteiten ook de mate van daadwerkelijke toegang voor de vreemdeling tot de in de ontvangende staat beschikbare zorg moeten bezien. Bij de inschatting daarvan moeten de specifieke omstandigheden, zoals de kosten van medicatie en behandeling, de aanwezigheid van een sociaal netwerk en de reisafstand om de benodigde zorg te verkrijgen, worden betrokken. Indien na het verrichten van dit onderzoek serieuze twijfel blijft bestaan, is het aan de nationale autoriteiten om garanties te vragen aan het land van herkomst omtrent de beschikbaarheid en de toegankelijkheid van de medische zorg die toereikend is om een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie te voorkomen.

5.5

De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat het BMA-advies, waarin staat dat behandeling in algemene zin beschikbaar is, niet zorgvuldig tot stand zou zijn gekomen dan wel niet inzichtelijk of concludent is. Uit punt 186 van het arrest Paposhvili volgt dat het vervolgens aan eiser is om aannemelijk te maken dat de zorg in Servië voor hem niet toegankelijk is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser niet voldaan aan deze bewijslast. Uit de door eiser aangehaalde rapporten volgt dat binnen de gezondheidszorg sprake is van corruptie en dat de toegang tot gezondheidszorg voor Roma beperkt is vanwege discriminatie. Hieruit volgt echter niet dat gezondheidszorg stelselmatig wordt geweigerd aan Roma. Zowel uit het door eiser aangehaalde rapport 'Roma Health Rights in Macedonia, Romania and Serbia' van juni 2013, als uit de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 18 juni 2018, volgt bovendien dat toegang tot de gezondheidszorg beperkt is voor ongedocumenteerde Roma. Zo zouden identificerende documenten of een permanente verblijfsvergunning vereist zijn. Nu eiser beschikt over een geldig Servisch paspoort, valt hij niet onder de categorie Roma die volgens deze stukken beperkte toegang tot gezondheidszorg hebben. Daarbij heeft eiser zijn stelling dat hem eerder medische zorg in Servië ontzegd is, niet met stukken onderbouwd.

Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij onvoldoende financiële middelen heeft om de medische kosten te betalen.

Het voorgaande betekent dat, nu eiser niet heeft voldaan aan zijn bewijslast, verweerder terecht geen nader onderzoek naar de feitelijke toegankelijkheid, als bedoeld in het arrest Paposhvili, heeft verricht. De beroepsgrond slaagt niet.

Terugkeerbesluit en inreisverbod

6. Eisers beroepsgrond dat het bij het bestreden besluit opgelegde terugkeerbesluit te vroeg en daarmee ten onrechte dan wel onbevoegd is opgelegd, heeft hij ter zitting ingetrokken.

7.1

Ten aanzien van het opgelegde inreisverbod heeft eiser aangevoerd dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn zieke moeder in Duitsland en zijn twee meerderjarige zoons die in Nederland verblijven. Volgens eiser getuigt het van een onevenredige hardheid om eiser te verbieden zijn naaste familieleden te bezoeken.

7.2

De rechtbank is van oordeel dat verweerder in redelijkheid geen gebruik heeft gemaakt van de in artikel 66a, achtste lid, van de Vw neergelegde mogelijkheid om af te zien van het uitvaardigen van een inreisverbod. In het voornemen heeft verweerder (in het kader van de ambtshalve beoordeling om eiser een verblijfsvergunning regulier op grond van artikel 8 EVRM te verlenen) overwogen dat uit de verklaringen van eiser is gebleken dat er al jarenlang geen enkele vorm van contact is geweest tussen hem en zijn

kinderen. Eiser weet niet waar zijn kinderen verblijven en had naar zijn

zeggen zeven jaar geleden, via Facebook, voor het laatst contact met hen. Niet is gebleken dat dit is gewijzigd. Evenmin is gebleken wat de aard en frequentie van eisers contact met zijn moeder is. Gelet hierop heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen volstaan met de motivering ter zitting dat eiser door hen bezocht kan worden in Servië, dan wel dat eiser via moderne communicatiemiddelen contact met hen kan onderhouden gedurende de periode van twee jaar waarin het inreisverbod geldig is.

8. Het beroep is ongegrond.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing


De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E. Dutrieux, rechter, in aanwezigheid van mr. A.H. Ferment, griffier.

Deze uitspraak is in het openbaar gedaan, digitaal ondertekend en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.