Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:8010

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
23-05-2018
Datum publicatie
06-07-2018
Zaaknummer
AWB 18/773 en AWB 18/1904 (vovo)
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2019:1410, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Aanvraag van een Pakistaanse man tot afgifte van een verblijfsdocument waaruit rechtmatig verblijf blijkt als familielid van een burger van de Europese Unie. De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde stukken, in samenhang bezien, voldoende duidelijk blijkt dat referente in Spanje verbleef en daar heeft gewerkt vanaf in ieder geval 1 september 2016 tot 20 oktober 2016. Verweerder heeft zich daarom niet op het standpunt kunnen stellen dat referente niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 7 van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015. Verder blijkt volgens de rechtbank uit de overgelegde stukken, in samenhang bezien, voldoende duidelijk dat eiser met referente in Spanje verbleef gedurende meer dan drie maanden. Het beroep is gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

zaaknummers: AWB 18/773 (beroep)

AWB 18/1904 (voorlopige voorziening)

[persoonsnummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken en de voorzieningenrechter van 23 mei 2018 in de zaken tussen

[de persoon 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1991, van Pakistaanse nationaliteit, eiser en verzoeker, hierna te noemen: eiser

(gemachtigde: mr. T.E. van Houwelingen),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 29 augustus 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser van 7 februari 2017 tot afgifte van een verblijfsdocument waaruit rechtmatig verblijf blijkt als familielid van een burger van de Unie afgewezen. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 16 januari 2018 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Op 5 februari 2018 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Bij brief van 15 maart 2018 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt de uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 april 2018. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen. Ook was ter zitting aanwezig S. Nikolopulos, tolk in de Engelse taal, en de echtgenote van eiser, [de persoon 2] (referente). De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Overwegingen

Ten aanzien van het beroep

1. Eiser is op [datum] 2016 getrouwd met [de persoon 2] . Zij is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit.

2. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen en daaraan ten grondslag gelegd dat eiser met de door hem overgelegde stukken niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij samen met referente tenminste drie maanden op grond van artikel 7 van Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 (Richtlijn) in Spanje heeft verbleven, aldaar gezinsleven heeft opgebouwd en bestendigd en vervolgens samen met referente is teruggekeerd naar Nederland. Ook heeft referente niet gedurende minimaal drie maanden voldaan aan de voorwaarden genoemd in artikel 7 van de Richtlijn, omdat zij slechts heeft onderbouwd dat zij van 20 oktober 2016 tot 5 januari 2017, een periode van ongeveer 2,5 maand, legale arbeid heeft verricht in Spanje. Referente kan daarom geen rechten ontlenen aan het gemeenschapsrecht en zij kan niet worden aangemerkt als gemeenschapsonderdaan. Eiser kan om die reden evenmin aanspraak maken op verblijf in Nederland op grond van het gemeenschapsrecht.

3. Ter onderbouwing van zijn gestelde verblijf in Spanje heeft eiser diverse documenten overgelegd.

4. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft gesteld dat het rechtmatig verblijf van referente tussen 21 maart 2016 tot en met 5 januari 2017 op grond van artikel 7 van de Richtlijn niet vaststaat. Verweerder gaat volledig voorbij aan het overgelegde overzicht van het werkzame leven van referente in Spanje, het ‘informe de vida laboral’. Verder heeft verweerder niet gemotiveerd waarom de inschrijving in het Spaanse bevolkingsregister geen sluitend bewijs zou zijn voor gezamenlijke vestiging in Spanje, terwijl dit ondersteund wordt door andere niet‑administratieve bewijsstukken. Volgens eiser is niet alleen aannemelijk geworden dat referente en hij zich van oktober 2016 tot 5 januari 2017 duurzaam in Spanje hebben gevestigd, zoals verweerder heeft aangenomen. Voor de periode van [datum] 2016 tot 19 oktober 2016 is in ieder geval onbetwist dat eiser op de dag van zijn huwelijk, [datum] 2016, in Spanje was bij referente. Verweerder heeft niet deugdelijk gemotiveerd waarom die datum niet als formele startdatum van eisers vestiging in Spanje kan worden gezien. Eiser voert daarnaast aan dat verweerder ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet is komen vast te staan dat eiser in de periode tussen zijn huwelijk en 19 oktober 2016 bij zijn vrouw in Spanje was. Onbetwist is dat eiser in ieder geval ingeschreven stond op het [adres] , en deze inschrijving wordt ondersteund door de verklaring van de [gemeente] , de verklaring van de vader van referente en de verklaringen van oud-huisgenoten. Verweerder stapt ten onrechte over deze verklaringen heen, aldus eiser. Van de periode tussen [datum] 2016 en 19 oktober 2016 is het voorts duidelijk dat referente en eiser samen (met anderen) op de [adres] woonden, gelet op het feit dat dit adres figureert op de brief van Interpolis van referente, de aanvraag voor de Spaanse identiteitskaart van referente en het overzicht van haar werkzame leven in Spanje, aldus eiser.

5. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat referente niet aan de voorwaarden voldoet van artikel 7 van de Richtlijn en daarom geen rechten kan ontlenen aan het gemeenschapsrecht. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

5.1

De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referente van 20 oktober 2016 tot 5 januari 2017 in Spanje heeft verbleven als werknemer.

5.2

De rechtbank is van oordeel dat uit de door eiser overgelegde stukken, in samenhang bezien, ook voldoende duidelijk blijkt dat referente in Spanje verbleef en daar heeft gewerkt vanaf in ieder geval 1 september 2016 tot 20 oktober 2016. Zo is zij op [datum] 2016 getrouwd met eiser in Spanje, hetgeen verweerder niet heeft weersproken. Ook acht de rechtbank de arbeidsovereenkomst van referente in die periode en het stuk ‘informe de vida laboral’, waar een overzicht van het werkzame leven van referente in Spanje uit blijkt, van belang. Uit het stuk ‘informe de vida laboral’ blijkt namelijk onder meer dat referente in de periode van 1 september 2016 tot 16 oktober 2016 in Spanje heeft gewerkt, wat verder wordt onderbouwd door de overgelegde onderliggende arbeidsovereenkomst met [de werkgever] . Dat referente niet van al deze werkzaamheden salarisspecificaties heeft, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat aan deze stukken dus geen waarde meer kan worden gehecht. Temeer niet, nu het stuk ‘informe de vida laboral’ kennelijk van een officiële Spaanse instantie afkomstig is. Referente heeft verklaard dat zij ook in de vier dagen na het aflopen van deze overeenkomst in Spanje heeft verbleven. Hoewel daar geen arbeids- of andere gegevens van zijn overgelegd waaruit dit duidelijk naar voren komt, weegt dat voor de rechtbank minder zwaar, gelet op het feit dat dit onbetwist vanaf 20 oktober 2016 wel het geval is geweest. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich niet op het standpunt heeft kunnen stellen dat referente niet aan de voorwaarden voldoet van artikel 7 van de Richtlijn.

6. Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij en referente tenminste drie maanden in Spanje hebben verbleven en daar gezinsleven hebben opgebouwd of bestendigd. In geschil is de vraag of eiser dit voor de periode tussen zijn huwelijk en 5 januari 2017 aannemelijk heeft gemaakt.

6.1

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser met de overgelegde stukken voldoende aangetoond dat hij gedurende meer dan drie maanden samen met referente in Spanje heeft gewoond. De rechtbank heeft daartoe onder meer het volgende van belang geacht. Eiser was ten tijde van zijn huwelijk van [datum] 2016 samen met referente in Spanje, hetgeen verweerder niet heeft weersproken. Verder heeft eiser het bewijs van de inschrijving op het [adres] te [gemeente] in Spanje overgelegd, waarin staat dat hij vanaf 10 augustus 2012 tot en met 19 oktober 2016 op dit adres ingeschreven stond. Ook hebben de vader van referente, drie huisgenoten van eiser en een buurman verklaard dat eiser in ieder geval in de periode tussen het huwelijk en 19 oktober 2016 op dit adres met referente woonde. Ook hecht de rechtbank waarde aan het telefooncontact via Whatsapp op 7 oktober 2016. Uit de uitdraai van dit Whatsapp contact blijkt dat eiser zijn locatie in Spanje heeft doorgestuurd aan referente. Dit contact betreft geen feitelijk administratief document, is geschied vóór de gezamenlijke inschrijving op het [adres] te [gemeente] en ná de trouwerij in Spanje. Hoewel verweerder kan worden toegegeven dat tegenwerpingen mogelijk zijn ten aanzien van de individuele stukken, is de rechtbank van oordeel dat deze stukken in onderling verband moeten worden bezien. Aldus beschouwd, blijkt uit de overgelegde stukken, in samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat eiser met referente in Spanje verbleef gedurende meer dan drie maanden.

7.1

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank ziet geen aanleiding tot finale geschillenbeslechting, omdat het de taak van verweerder is om vast te stellen of eiser rechtmatig verblijf had in de periode in geding. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit niet zo is. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

7.2

Gelet hierop komt de rechtbank aan eisers overige beroepsgronden niet meer toe.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

8. De gevraagde voorziening strekt ertoe de uitzetting te verbieden totdat is beslist op het beroep. In het onderhavige geval is er geen aanleiding tot het treffen van de gevraagde voorziening, gelet op het feit dat de rechtbank heden op het beroep heeft beslist.

Ten aanzien van het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening

9. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht vergoedt.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.503,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 501,-, en een wegingsfactor 1). Indien aan eiser een toevoeging is verleend, moet verweerder de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandsverlener.

Beslissing

De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 18/773,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak.

De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder nummer: AWB 18/1904,

- wijst het verzoek af.

De rechtbank/voorzieningenrechter, in alle zaken,

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 340,- aan eiser te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.503,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.K. Mireku, rechter, tevens voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. E.D. Dalman, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 mei 2018.

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen vier weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (adres: Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC 's-Gravenhage). Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.