Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7991

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
05-07-2018
Datum publicatie
20-07-2018
Zaaknummer
SGR 17/4254
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vaststelling legger Wateren. Opwaardering van peilscheidingen tot polderkades met bijbehorende beschermingszones. Volgens verweerder is de opwaardering nodig voor de waterstaatkundige veiligheid van het lager gelegen achterland en een goed functionerend watersysteem. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid dit algemene belang kunnen laten prevaleren boven het individuele belang van eisers dat gelegen is in het onbeperkte gebruik van hun grond. Voorts heeft verweerder met zijn toelichting de noodzaak van de opwaardering voldoende gemotiveerd. Voor zover de beroepsgronden van eisers zien op schadeloosstelling, compensatie en vergoeding van kosten die direct dan wel indirect uit het bestreden besluit voortvloeien, stelt de rechtbank vast dat deze buiten de reikwijdte van het bestreden besluit vallen. Bij het vaststellen van een legger is het door verweerder te behartigen waterstaatkundig belang leidend. De door eisers ingeroepen financiële belangen spelen in die besluitvorming geen rol.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWA 2018/37
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 17/4254

uitspraak van de meervoudige kamer van 5 juli 2018 in de zaak tussen

[eisers I ] en [eisers I ] , te [plaats] , eisers I, en

[eiseres II] , eiseres II,

tezamen: eisers

en

het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Delfland (Delfland), verweerder

(gemachtigde: mr. J.E. den Hartog-van ’t Zelfde).

Procesverloop

Bij besluit van 6 april 2017 (het bestreden besluit) heeft de verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Delfland (de verenigde vergadering) de leggers Wateren, Polderkaden en Regionale waterkeringen vastgesteld.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juni 2018. Deze zaak is gevoegd behandeld met de tegen het bestreden besluit ingediende beroepen van [eiser 1] en [eiser 2] (geregistreerd onder zaaknummers SGR 17/4260 en SGR 17/4263). Eiser [eisers I ] is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts waren voor verweerder aanwezig [persoon I] , beleidsadviseur waterkeringen, en dr. [persoon II] , beleidsmedewerker waterkeringen.

Overwegingen

1.1.

Eisers I zijn woonachtig aan de [adres] te [plaats] . Zij zijn eigenaar van de percelen kadastraal bekend als gemeente [plaats] [stadsdeel] ( [stadsdeel] ), sectie [sectie] , nummers [nummer] , [nummer] , [nummer] en [nummer] . Eisers I hebben de percelen, met uitzondering van het perceel waarop hun woning is gelegen, ondergebracht in eiseres II, een paardenhouderij. Eisers I houden zowel privé als bedrijfsmatig paarden.

1.2.

Op 27 september 2016 heeft verweerder de ontwerpleggers Wateren, Polderkaden en Regionale waterkeringen vastgesteld. Deze ontwerpleggers zijn op 3 oktober 2016 gepubliceerd in het Waterschapsblad. Eisers hebben hiertegen zienswijzen ingediend.

Naar aanleiding van de door eisers ingebrachte zienswijzen is de legger ter hoogte van het perceel met nummer [nummer] aangepast. Ook is het leggerprofiel van polderkade met code [code] aangepast.

1.3.

Bij het bestreden besluit, bekendgemaakt in het Waterschapsblad op 15 mei 2017, heeft de verenigde vergadering de leggers Wateren, Polderkaden en Regionale waterkeringen vastgesteld als bedoeld in artikel 5.1 van de Waterwet en artikel 78, tweede lid, van de Waterschapswet.

2. Met het bestreden besluit is onder meer de legger Polderkaden geactualiseerd en vastgesteld. Daarbij zijn onder meer de peilscheidingen ter hoogte van de Hofweg in de polder Schieveen opgewaardeerd tot polderkades met bijbehorende beschermingszones. Dit geldt ook voor de in de percelen van eisers gelegen peilscheidingen.

3.1.

Ingevolge artikel 8:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), in samenhang gelezen met artikel 1 van de Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak, kan geen beroep worden ingesteld tegen een besluit op grond van artikel 5.1 van de Waterwet, behoudens voor zover daarbij de ligging van een waterbergingsgebied of beschermingszone als bedoeld in de wet wordt vastgesteld of gewijzigd.

3.2.

Nu met het bestreden besluit beschermingszones als bedoeld in de Waterwet zijn vastgesteld, kunnen belanghebbenden, zoals eisers, daartegen beroep instellen. De rechtbank zal eisers dan ook ontvangen in hun beroep.

4. Eisers stellen dat zij onvoldoende zijn betrokken bij de voorbereiding van het bestreden besluit. Zij betwisten voorts dat de opwaardering van de peilscheidingen tot polderkades zinvol is. Door deze opwaardering kan een deel van hun grond niet meer worden gebruikt voor de beweiding van paarden. Eisers betogen verder dat het bestreden besluit tot waardevermindering van de grond leidt. Ook brengt het kosten met zich. Er dient een verwijderbare afrastering te worden geplaatst om de paarden bij de waterkering weg te houden. Deze afrastering dient twee maal per jaar weggehaald te worden voor onderhoudswerkzaamheden.

5. De rechtbank volgt eisers niet in hun betoog dat zij onvoldoende zijn betrokken bij de voorbereiding van het bestreden besluit. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure uit afdeling 3.4 van de Awb. Het ontwerpbesluit heeft met ingang van 3 oktober 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben op het ontwerpbesluit zienswijzen ingediend bij verweerder. Naar aanleiding van de door eisers ingediende zienswijzen heeft er op 4 april 2017 een gesprek plaatsgevonden met medewerkers van Delfland. Ook hebben eisers ingesproken tijdens de vergadering van de verenigde vergadering op 6 april 2017. Weliswaar is er niet veel tijd gelegen tussen het gesprek van 4 april 2017 en de vergadering van 6 april 2017, maar niet gebleken is dat verweerder de zienswijze van eisers onvoldoende heeft meegenomen en meegewogen bij het nemen van het bestreden besluit.

6. De rechtbank stelt vast dat het bestreden besluit ziet op de opwaardering van peilscheidingen tot polderkades. Polderkades zijn waterkeringen die het polderwater in zijn beloop tegenhouden. Bij een polderkade wordt in de legger, naast het waterstaatswerk zelf, een aangrenzende beschermingszone opgenomen. Dit is een zone, waarin ter bescherming van het waterstaatswerk voorschriften en beperkingen kunnen gelden op grond van de Keur van Delfland.

7. Verweerder heeft toegelicht dat de aanleiding voor de opwaardering gelegen is in het feit dat de polder Schieveen zich kenmerkt door de aanwezigheid van peilgebieden met grote peilverschillen ten opzichte van elkaar. Dit heeft tot gevolg dat er peilscheidingen zijn met een aanzienlijke kerende hoogte, zoals het peilverschil van ongeveer 2 meter bij de percelen van eisers. Volgens verweerder is de opwaardering dan ook nodig voor de waterstaatkundige veiligheid van het lager gelegen achterland en een goed functionerend watersysteem. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in redelijkheid dit algemene belang kunnen laten prevaleren boven het individuele belang van eisers dat gelegen is in het onbeperkte gebruik van hun grond. Voorts heeft verweerder met zijn toelichting de noodzaak van de opwaardering voldoende gemotiveerd.

8. Voor zover de beroepsgronden van eisers zien op schadeloosstelling, compensatie en vergoeding van kosten die direct dan wel indirect uit het bestreden besluit voortvloeien, stelt de rechtbank vast dat deze buiten de reikwijdte van het bestreden besluit vallen. Bij het vaststellen van een legger is het door verweerder te behartigen waterstaatkundig belang leidend. De door eisers ingeroepen financiële belangen spelen in die besluitvorming geen rol. Hetgeen eisers in dat verband hebben aangevoerd, kan dan ook niet leiden tot het door hen gewenste resultaat.

9. Bij besluit van 24 oktober 2017 is aan eiseres II een watervergunning verleend. Deze maakt het mogelijk om de polderkades onder voorwaarden, met uitzondering van een gedeelte van 2,5 meter vanaf de waterlijn, te blijven gebruiken voor het beweiden van vee. De rechtbank stelt vast dat verweerder hiermee gedeeltelijk tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eisers. Voor zover er onevenredige schade resteert die voortvloeit uit het bestreden besluit, kent de Waterwet een nadeelcompensatieregeling. Eisers kunnen daartoe desgewenst een verzoek bij verweerder indienen. Op de uitkomst van een dergelijke nadeelcompensatieprocedure kan in de onderhavige procedure niet worden vooruitgelopen. Dit geldt ook voor de stelling van eisers dat de mogelijk te verkrijgen schadevergoeding te laag is. Dat betoog dient in een eventuele nadeelcompensatieprocedure aan bod te komen.

10. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder in redelijkheid tot opwaardering van de in de percelen van eisers gelegen peilscheidingen tot polderkades heeft kunnen besluiten en dit als zodanig in de legger Polderkaden heeft kunnen vastleggen.

11. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Hammer, voorzitter, en C.J. Waterbolk en mr. A.C. de Winter, leden, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 5 juli 2018.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.