Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7982

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
03-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
C/09/535057 / FA RK 17-4892
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Echtscheiding met nevenvoorzieningen - IPR - Maleisich recht van toepassing op parnteralimentatie - recht van Andorra van toepassing op huwelijksvermogensregime

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Meervoudige Kamer

Rekestnummer: FA RK 17-4892 (scheiding) / FA RK 18-4146 (verdeling)

Zaaknummer: C/09/535057 (scheiding) / C/09/ 554525 (verdeling)

Datum beschikking: 3 juli 2018

Scheiding

Beschikking op het op 26 juni 2017 ingekomen verzoek van:

[verzoekster] ,

de vrouw,

wonende te [woonplaats] , Maleisië,

advocaat: voorheen mr. S.C. Meijler te 's-Gravenhage, thans mr. W.A. van der Stroom-Willemsen te Rotterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[belanghebbende] ,

de man,

voorheen wonende te [woonplaats] Maleisië, thans wonende te [woonplaats] ,

advocaat: mr. G.J.M. Gussenhoven te Zeist.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

  • -

    het verzoekschrift van de zijde van de vrouw;

  • -

    het verweerschrift houdende exceptie tot onbevoegdheid van de zijde van de man;

  • -

    de brief van 11 oktober 2017, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 22 januari 2018, met bijlagen, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 23 januari 2018 van de zijde van de man;

  • -

    de brief van 23 januari 2018 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 24 januari 2018 van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 26 januari 2018 van de zijde van de man;

  • -

    de brief van 24 april 2018, met bijlagen, van de zijde van de man;

  • -

    het f-formulier van 26 april 2018, met bijlage, van de zijde van de man;

  • -

    het verweerschrift, tevens verzoekschrift, van de zijde van de man;

  • -

    de brief van 14 mei 2018, ingekomen per fax op 14 mei 2018, met bijlagen, ingekomen op 15 mei 2018, van de zijde van de vrouw;

  • -

    de brief van 17 mei 2018, met bijlagen, van de zijde van de man.

Op 22 mei 2018 is de zaak gelijktijdig met de procedure wijziging voorlopige voorzieningen (FA RK 18-2214 / C/09/550378) ter terechtzitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de man, bijgestaan door mr. G.J.M. Gussenhoven en mr. C. Waanders, alsmede de vrouw, bijgestaan door mr. W.A. van der Stroom-Willemsen en mr. E. Dubach en vergezeld van de tolk mevrouw [naam tolk] Van de zijde van de man en van de zijde van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd.

Verzoek en verweer

Het verzoek, zoals dat thans luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van kinderalimentatie van € 5.910,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van € 7.210,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, totdat de vrouw overlijdt dan wel gaat samenwonen als ware zij gehuwd dan wel opnieuw huwt;

- verdeling van het huwelijksvermogen, aldus dat de restsaldi op de twee gezamenlijke bankrekeningen, te weten rekeningnummer [rekeningnummer 1] bij de AndBank te Andorra en rekeningnummer [rekeningnummer 2] bij de CitiBank te Maleisië, gelijkelijk verdeeld worden tussen partijen per peildatum van daadwerkelijke verdeling na echtscheiding en dat de auto (Honda CRV) en het meubilair dat in Maleisië door de vrouw en [minderjarige] in gebruik is aan de vrouw wordt toebedeeld;

- verklaring voor recht dat de huwelijksgerelateerde financiële behoefte van de vrouw € 7.210,-- netto per maand bedraagt en de alimentatie behoefte van [minderjarige] € 5.910,-- netto per maand, zoals blijkt uit de overgelegde behoeftestaten, inclusief kosten van de internationale school,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De man heeft, behoudens voor wat betreft de echtscheiding, verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Tevens heeft de man zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:

- vaststelling van kinderalimentatie van € 1.000,-- per maand, te vermeerderen met het door de vrouw voor na te melden minderjarige te betalen schoolgeld per schooljaar op de huidige door de minderjarige bezochte school in [woonplaats] , waarvan de hoogte dient te blijken uit de door de betreffende school overgelegde factuur aan het begin van ieder schooljaar;

- verklaring voor recht dat de vrouw uit hoofde van de afwikkeling van het huwelijksvermogen van partijen aan de man een bedrag van € 125.652,-- dient te voldoen, met veroordeling van de vrouw tot betaling hiervan, uiterlijk binnen één maand na afgifte van de in deze te wijzen beschikking,

een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de door de man verzochte nevenvoorzieningen, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [huwelijksdatum] te [huwelijksplaats]

- Zij zijn de ouders van het volgende thans nog minderjarige kind:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Duitsland.

- [minderjarige] verblijft thans bij de vrouw.

- De man heeft de Nederlandse nationaliteit en de vrouw heeft de Canadese en Braziliaanse nationaliteit.

- Deze rechtbank heeft op 27 november 2017 voorlopige voorzieningen getroffen, voor zover thans van belang inhoudende:

 dat de man met ingang van 1 juli 2017 voorlopig zal verstrekken tot levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 3.650,-- bruto per maand en tot verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] een bedrag van € 1.500,-- per maand (exclusief tuition fees/schoolkosten);

 dat de man de achterstallige alimentatietermijnen over de periode van juli 2017 tot en met november 2017 van in totaal € 25.750,-- vóór 1 december 2017 aan de vrouw dient te voldoen op een door de vrouw op te geven rekeningnummer.

- De man heeft op 26 maart 2018 een verzoekschrift ingediend tot wijziging van genoemde beschikking voorlopige voorzieningen van 27 november 2017.

Beoordeling

Zoals ter zitting reeds beslist en medegedeeld is de rechtbank, gelet op het tijdstip van indiening in samenhang met de complexiteit van de zaak en de omvang van de stukken is van oordeel dat de indiening van de bijlagen behorende bij de brief van de zijde van de vrouw d.d. 14 mei 2018 in strijd is met de goede procesorde. Gelet hierop zal de rechtbank deze bijlagen buiten beschouwing laten. Hetzelfde geldt voor de brief van 17 mei 2018, met bijlagen, van de zijde van de man.

Echtscheiding

Rechtsmacht en toepasselijk recht

De vrouw heeft gesteld dat de man sinds 3 januari 2017 in Nederland woont en werkt en in Nederland zijn gewone verblijfplaats heeft.

De man heeft betwist dat hij ten tijde van de indiening van het verzoekschrift zijn gewone verblijfplaats had in Nederland. De man heeft de exceptie van onbevoegdheid opgeworpen.

De vrouw heeft op 21 november 2017 een voorwaardelijk verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend, bekend onder rekestnummer FA RK 17-8990 en zaaknummer C/09/543602.

De man heeft bij genoemde brief van 26 januari 2018 te kennen gegeven dat hij zich inmiddels gevestigd heeft in Nederland en de opgeworpen exceptie van onbevoegdheid ingetrokken.

De rechtbank zal, nu vaststaat dat de man in ieder geval inmiddels zijn gewone verblijfplaats in Nederland heeft en de vrouw een voorwaardelijk verzoekschrift tot echtscheiding heeft ingediend, rechtsmacht aannemen met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding.

De rechtbank zal krachtens artikel 10:56, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk is niet bestreden en staat dus in rechte vast, zodat het daarop steunende niet weersproken verzoek tot echtscheiding als op de wet gegrond voor toewijzing vatbaar is.

Partneralimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de man in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het alimentatieverzoek.

De hoofdregel neergelegd in artikel 3 van het Protocol bepaalt dat toepasselijk is het recht van de gewone verblijfplaats van de onderhoudsgerechtigde. In dit geval zou dat betekenen dat Maleisisch recht van toepassing is, omdat de vrouw in Maleisië haar gewone verblijfplaats heeft.

De man heeft evenwel een beroep gedaan op de uitzondering, vervat in artikel 5 van het Protocol. De bepaling luidt als volgt:

“In geval van onderhoudsverplichtingen tussen echtgenoten, ex-echtgenoten of tussen partijen bij een nietig verklaard huwelijk, is artikel 3 niet van toepassing indien een van de partijen zich daartegen verzet en het recht van een andere Staat, in het bijzonder dat van de Staat van hun laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats, nauwer verbonden is met het huwelijk. In dat geval is het recht van die andere Staat van toepassing.”

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat het recht van Nederland nauwer verbonden is met het huwelijk dan het recht van Maleisië.

Bij de beoordeling van de vraag of het huwelijk een nauwere band heeft met Nederland, dienen alle factoren te worden meegewogen. Artikel 5 kent echter bijzondere betekenis toe aan de laatste gemeenschappelijke gewone verblijfplaats van de echtgenoten, in dit geval Maleisië. Aanknopingspunten voor een nauwere band van het huwelijk met Nederland zijn gelegen in het feit dat de man de Nederlandse nationaliteit heeft, partijen in Nederland zijn gehuwd, de echtscheiding in Nederland wordt uitgesproken en op de echtscheiding en de kinderalimentatie Nederlands recht van toepassing is. De rechtbank acht deze omstandigheden echter onvoldoende zwaarwegend om tot het oordeel te komen dat het huwelijk een nauwere band heeft met Nederland. Partijen hebben immers 10 dagen na de huwelijkssluiting Nederland verlaten en hebben daarna nooit meer samen in Nederland gewoond. Zij zijn aanvankelijk in Andorra gaan wonen en vanaf april 2015 hebben zij onafgebroken in Maleisië gewoond totdat de man zich uiteindelijk in 2017 alleen in Nederland heeft gevestigd. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om af te wijken van de hoofdregel, zoals neergelegd in artikel 3 van het Protocol. De rechtbank zal derhalve op het alimentatieverzoek van de vrouw Maleisisch recht toepassen.

Inhoudelijke beoordeling

De vrouw heeft met betrekking tot het recht van Maleisië terzake partneralimentatie een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) en een legal opinion van een door haar geraadpleegde Maleisische advocaat overgelegd. De man heeft een legal opinion van een door hem geraadpleegde Maleisische advocaat overgelegd.

Uit de door de vrouw en de man overgelegde stukken blijkt dat naar Maleisisch recht primair gekeken dient te worden naar de behoefte van de alimentatiegerechtigde en de draagkracht van de alimentatieplichtige. Het levensniveau gedurende het huwelijk is een relevant aspect.

De vrouw heeft naar voren gebracht dat uit de door haar overgelegde legal opinion verder volgt dat het schuldprincipe en daarmee het door haar gestelde overspel van de man een rol speelt en dat partneralimentatie levenslang dient te worden betaald, tenzij de alimentatiegerechtigde gaat samenwonen met een nieuwe partner, dan wel hertrouwt. De man heeft dit bestreden.

Behoefte en draagkracht

De rechtbank zal hierna uitgaan van de door partijen genoemde bedragen, waarbij telkens wordt uitgegaan van bedragen uitgedrukt in euro’s. allereerst zal de rechtbank de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man beoordelen.

De behoefte van de vrouw

De vrouw heeft de door haar gestelde behoefte in eerste instantie gebaseerd op de zogenaamde hofnorm. De man heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Gelet hierop zal de rechtbank de door haar (later in de procedure) overgelegde – en door de man puntsgewijs betwiste – behoeftelijst beoordelen. De vrouw heeft in deze behoeftelijst haar behoefte in de kolom ‘Essential’ gesteld op een bedrag van € 3.880,-- per maand en in de kolom ‘Lifestyle’ op een bedrag van € 7.210,-- per maand. De man heeft ter zitting naar voren gebracht dat de vrouw de tering naar de nering moet zetten, nu partijen uit elkaar gaan. Ze zal, zo stelt de man, haar uitgavenpatroon aan de nieuwe situatie moeten aanpassen. De man is daarom van mening dat voor de behoefte van de vrouw aangesloten moet worden bij de door de vrouw gestelde behoefte in de kolom ‘Essential’. De rechtbank volgt de man niet in dit standpunt. Zoals hiervoor al vermeld is voor het bepalen van de behoefte naar Maleisisch recht – evenals in het Nederlands recht – het levensniveau tijdens het huwelijk een relevant aspect. De rechtbank zal daarom, bij het bepalen van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw, de door de vrouw gestelde behoefte in de kolom ‘Lifestyle’ puntsgewijs beoordelen.

De man heeft diverse posten in de behoeftelijst betwist. De rechtbank zal de posten die door de vrouw zijn opgevoerd en die door de man zijn betwist hierna bespreken. De posten waar de rechtbank hierna niet op ingaat zijn niet door de man betwist en daarmee zal de rechtbank rekening houden bij de berekening van de behoefte van de vrouw. De rechtbank zal de nummering van de posten zoals door de vrouw in haar behoeftelijst gehanteerd, aanhouden.

Ad 21. Insect and pest control

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 20,-- per maand aan insecten- en ongediertebestrijding als voldoende onderbouwd in aanmerking nemen.

Ad 22. Air conditioning maintenance

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 30,-- per maand aan onderhoud airconditioning als voldoende onderbouwd in aanmerking nemen.

Ad 23. Garden maintenance

De vrouw heeft een bedrag van € 40,-- per maand opgevoerd aan tuinonderhoud. De rechtbank zal dit bedrag in aanmerking nemen. De rechtbank acht voldoende aannemelijk dat de tuin onderhouden wordt door een tuinman. Het daarmee gemoeide bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor.

Ad 24. Home maintenance

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 20,-- per maand aan reparatiekosten huis niet in aanmerking nemen, nu de vrouw deze kosten onvoldoende heeft onderbouwd.

Ad 25. Furniture storage

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 30,-- opslagkosten in aanmerking nemen. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat partijen ten tijde van het huwelijk deze kosten maakten.

Ad 26. Energy costs

De vrouw heeft gesteld dat de elektriciteitskosten gemiddeld € 254,-- per maand bedragen. Zij heeft dit bedrag opgesplitst in een deel voor haar en een deel voor [minderjarige] . De man heeft gesteld dat de energiekosten redelijkerwijs gesteld dienen te worden op € 192,-- per maand en dat het aandeel voor de vrouw hierin € 142,-- per maand bedraagt en het aandeel voor [minderjarige] hierin € 50,-- per maand.

De rechtbank zal schattenderwijs uitgaan van een bedrag aan elektriciteitskosten van
€ 225,-- per maand en hiervan een bedrag van € 150,-- per maand toerekenen aan de vrouw.

Ad 28. The household effects depreciation

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 200,-- per maand aan afschrijving meubels niet in aanmerking nemen. De vrouw heeft dit bedrag niet onderbouwd. Daarbij komt dat overigens is gesteld dat partijen geen dure inboedel hadden.

Ad 35. Premium health insurance

De vrouw heeft een bedrag van € 590,-- per maand opgevoerd aan ziektekostenverzekering. De vrouw heeft gesteld dat zij een duurdere verzekering heeft afgesloten omdat zij het eigen risico bij een goedkopere verzekering niet zal kunnen voldoen. De man gaat uit van een bedrag van € 167,-- per maand.

Uitgaande van het door de vrouw genoemde totaal aan niet vergoede ziektekosten van € 996,-- in 2016 en het door de man genoemde bedrag van € 167,-- per maand, acht de rechtbank een bedrag van € 250,-- per maand redelijkerwijs voldoende om de ziektekosten van de vrouw te voldoen. De rechtbank zal met dit bedrag rekening houden.

Ad 36. Non-reimbursed medical costs

Nu de rechtbank onder het hierboven genoemde punt 35 reeds rekening houdt met een eigen risico, ziet de rechtbank geen grond om het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 30,-- per maand aan niet vergoede ziektekosten eveneens in aanmerking te nemen.

Ad 39. Psychologist

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 330,-- per maand aan kosten psycholoog niet in aanmerking nemen. De vrouw heeft onvoldoende onderbouwd dat deze het hier om een structurele huwelijks gerelateerde behoefte gaat, en overigens evenmin dat deze kosten daadwerkelijk zijn gemaakt en niet (deels) worden vergoed.

Ad 40. Botox

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 310,-- aan kosten botox niet in aanmerking nemen, nu de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij deze kosten daadwerkelijk maakt.

Ad 41. Annual check-up

De vrouw heeft een bedrag van € 30,-- per maand aan check-ups opgevoerd. De vrouw heeft voldoende onderbouwd dat zij gewoon is jaarlijks een check-up te laten doen. Het opgevoerde bedrag komt de rechtbank niet onredelijk voor, zodat zij dit bedrag in aanmerking zal nemen.

Ad 42. Vitamins

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 170,-- aan vitamines niet in aanmerking nemen, nu de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat zij deze kosten daadwerkelijk maakt.

Ad 52. Disability insurance

De vrouw heeft een bedrag van € 40,-- per maand aan arbeidsongeschiktheidsverzekering opgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij een arbeidsongeschiktheidsverzekering heeft. De rechtbank acht de premie niet onredelijk en zal daarmee rekening houden.

Ad 60. Depreciation car

De vrouw heeft een bedrag van € 310,-- per maand aan afschrijving auto opgevoerd. De vrouw heeft dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. Nu echter niet betwist is dat de vrouw een auto rijdt, acht de rechtbank het redelijk om een afschrijving van € 100,-- per maand in aanmerking te nemen.

Ad 73. – 82. Food and drinks

De vrouw heeft een bedrag van € 890,-- per maand opgevoerd aan eten en drinken. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw dit bedrag onvoldoende heeft onderbouwd. Nu echter de man zelf heeft verklaard dat partijen een ruim bestedingspatroon hadden, acht de rechtbank het redelijk om uit te gaan van een bedrag van € 600,-- per maand.

Ad 90. Internet

De vrouw heeft een bedrag van € 70,-- per maand opgevoerd. Nu de vrouw dit bedrag naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende heeft onderbouwd, zal de rechtbank uitgaan van het door de man genoemde bedrag van € 40,-- per maand.

Ad 91. IP software

De vrouw heeft een bedrag van € 20,-- per maand opgevoerd aan IP software. Naar het oordeel van de rechtbank is dit bedrag onvoldoende te herleiden uit de door de vrouw overgelegde PayPal betaling. De rechtbank acht het redelijk om een bedrag van € 10,-- per maand in aanmerking te nemen.

Ad 92. Spotify

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 10,-- aan Spotify als voldoende onderbouwd in aanmerking nemen.

Ad 93. en 94. Telephone

De vrouw heeft een bedrag van in totaal € 60,-- per maand opgevoerd aan telefoonkosten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vrouw dit bedrag onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht het redelijk om een bedrag van € 40,-- per maand in aanmerking te nemen.

Ad 95 House cleaning help

De vrouw heeft een bedrag van € 300,-- per maand opgevoerd aan huishoudelijke hulp. De man heeft gesteld dat de vrouw oude betalingsbewijzen heeft overgelegd en dat de vrouw thans geen huiselijke hulp meer heeft.

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag in aanmerking nemen, nu de man niet heeft betwist dat zij tijdens het huwelijk huishoudelijke hulp hadden. De huishoudelijke hulp is daarom aan te merken als huwelijks gerelateerde behoefte.

Ad 98. Apple store maintenance

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 20,-- per maand niet in aanmerking nemen, nu de vrouw dit bedrag onvoldoende heeft onderbouwd.

Ad 99. Special costs social contacts

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 20,-- per maand aan special costs social contacts niet in aanmerking nemen. Onduidelijk is welke kosten het hier betreft en daarnaast heeft de vrouw de hoogte van het bedrag onvoldoende onderbouwd.

Ad 100. en 107. Restaurant / Clothing

De rechtbank zal, gelet op de levensstandaard van partijen ten tijde van het huwelijk, het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 190,-- per maand aan uit eten in aanmerking nemen. Hetzelfde geldt voor het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 230,-- per maand aan kleding.

Ad 110. Waxing

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 30,-- per maand aan waxing als voldoende onderbouwd in aanmerking nemen.

Ad 112. Glasses

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 10,-- aan glasses in aanmerking nemen. De rechtbank acht de uitgave hiervoor aannemelijk en het bedrag niet onredelijk.

Ad 114. Fitness personal trainer

De vrouw heeft een bedrag van € 130,-- per maand aan fitness personal trainer opgevoerd. De rechtbank zal dit bedrag in aanmerking nemen, nu de vrouw door overlegging van een screenshot van de in dit kader gedane betalingen voldoende heeft aangetoond dat zij deze kosten maakt.

Ad 115. Adobe creative cloud

De vrouw heeft een bedrag van € 80,-- per maand aan Adobe creative cloud abonnement opgevoerd. De rechtbank neemt dit bedrag in aanmerking, nu de vrouw door overlegging van een betalingsoverzicht voldoende heeft aangetoond dat zij deze kosten maakt.

Ad 116. Microsoft

De vrouw heeft een bedrag van € 10,-- per maand aan Microsoft-pakket opgevoerd. De rechtbank zal dit bedrag niet in aanmerking nemen, nu de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat het hier om een structurele uitgave gaat.

Ad 118. Itunes

De vrouw heeft een bedrag van € 20,-- per maand aan Itunes opgevoerd. Uit de door de vrouw overgelegde betalingsbewijzen blijkt dat de vrouw deze kosten maakt. De rechtbank zal deze kosten daarom in aanmerking nemen.

Ad 120. Books

De vrouw heeft een bedrag van € 70,-- per maand aan boeken opgevoerd. De vrouw heeft het bedrag onvoldoende onderbouwd. De man heeft echter niet betwist dat de vrouw boeken leest. De rechtbank acht het redelijk om een bedrag van € 50,-- per maand in aanmerking te nemen.

Ad 121. Mobile phone

De vrouw heeft een bedrag van € 40,-- per maand voor de aanschaf van een nieuwe mobiele telefoon opgevoerd. De rechtbank zal dit bedrag niet in aanmerking nemen, nu de vrouw deze kosten onvoldoende heeft onderbouwd.

Ad 122. Stationnary

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 30,-- per maand onder de noemer ‘stationnary’ niet in aanmerking nemen, nu onduidelijk is welke kosten het hier betreft en de vrouw deze ook overigens onvoldoende heeft onderbouwd.

Ad 124. Lego

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 50,-- per maand aan Lego niet in aanmerking nemen, nu de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat dit een structureel onderdeel uitmaakt van haar uitgavenpatroon.

Ad 132. en 133. Train Airport transporation en Vacations – Average 2015 en 2016

De vrouw heeft een bedrag van € 1.370,-- per maand aan vakanties opgevoerd. Uitgaande van de door de vrouw genoemde bedragen die werden uitgegeven aan vakanties, te weten in 2015 € 41.403,46 en in 2016 € 54.058,07, en bij toerekening van 37,5% daarvan aan de vrouw (waarbij aan de man eveneens 37,5% wordt toegerekend en 25% aan [minderjarige] ), komt de rechtbank het door de vrouw opgevoerde bedrag niet onredelijk voor. De rechtbank zal dit bedrag daarom in aanmerking nemen.

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 20,-- per maand aan train airport transportation niet in aanmerking nemen. Deze kosten worden geacht deel uit te maken van het hiervoor genoemde bedrag van € 1.370,--.

De behoefte van de vrouw

Op grond van het voorgaande en eveneens rekening houdend met de overige, niet door de man betwiste onderdelen van de behoefte van de vrouw stelt de rechtbank de behoefte van de vrouw vast op een bedrag van afgerond € 5.000,-- netto per maand.

Het inkomen van de vrouw

De vrouw heeft gesteld dat zij in 2016 een opleiding tot docent is gestart na overleg met de man, dat zij deze opleiding inmiddels heeft afgerond en dat zij daardoor gedurende 5,5 jaar geen betaalde arbeid heeft verricht. De vrouw heeft voorts gesteld dat haar huidige inkomen € 1.260,-- netto per maand bedraagt. De vrouw heeft aangegeven dat zij hoopt de nodige werkervaring op te doen als ‘assistent teacher’ en daarna als docent aan de slag te kunnen gaan. Volgens de vrouw zullen haar inkomsten bij fulltime werk maximaal rond € 2.000,-- netto per maand bedragen.

De man heeft gesteld dat de vrouw geacht moet worden volledig in haar eigen levensonderhoud te kunnen voorzien middels inkomen uit arbeid dan wel uit vermogen.

De man heeft er op gewezen dat de vrouw met succes diverse universitaire opleidingen heeft afgerond en dat zij altijd met succes werkzaam is geweest in het bedrijfsleven. Volgens de man bedroeg het inkomen van de vrouw in 2010 circa € 90.000,-- en in 2011 circa € 100.000,--. De man is daarom van mening dat de verdiencapaciteit van de vrouw op minimaal € 100.000,-- per jaar gesteld moet worden.

De rechtbank zal voor dit moment uitgaan van een verdiencapaciteit van de vrouw van € 2.000,-- netto per maand, uitgaande van een fulltime dienstverband zoals de vrouw zelf heeft aangegeven. De rechtbank acht het onder de huidige omstandigheden niet reëel om direct na de echtscheiding uit te gaan van een hogere verdiencapaciteit. Van de vrouw kan naar het oordeel van de rechtbank niet verwacht worden dat zij thans in het bedrijfsleven aan de slag gaat op hetzelfde (inkomens)niveau waarop zij in het verleden heeft gewerkt. De man heeft immers niet weersproken dat de vrouw in overleg met hem een opleiding tot docent is begonnen. Voorts heeft zij alleen de dagelijkse zorg voor [minderjarige] . Wel kan zij beschikken over opvang voor hem, zodat zij in staat geacht kan worden op school fulltime te werken.

De rechtbank is verder van oordeel dat van de vrouw verwacht kan worden dat zij – gelet op haar opleidingsniveau en haar arbeidsverleden – haar inkomsten in de toekomst verder uitbouwt. De rechtbank acht het redelijk ervan uit te gaan dat de vrouw over 5 jaar een inkomen van € 3.000,-- netto per maand en over 10 jaar een inkomen van € 4.000,-- netto per maand kan genereren, al dan niet in een andere werkkring. De rechtbank heeft hierbij de leeftijd van [minderjarige] op die momenten mede in aanmerking genomen.

De rechtbank zal het inkomen van de vrouw niet verhogen met de korting die zij kan krijgen op het schoolgeld, nu de man heeft toegezegd het schoolgeld te zullen betalen onder voorwaarde dat de vrouw hem de facturen overlegt.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de aanvullende behoefte van de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de eerste 5 jaar € 3.000,-- netto per maand bedraagt, de daarop volgende 5 jaar € 2.000,-- netto per maand en daarna € 1.000,-- netto per maand.

De draagkracht van de man

De man heeft gesteld dat hij niet over voldoende draagkracht beschikt om in de eventuele behoefte van de vrouw te voorzien. De vrouw heeft dit betwist.

Het inkomen van de man

Ten tijde van het huwelijk heeft de man als zelfstandig consultant werkzaamheden verricht voor [bedrijfsnaam] inc. in de Verenigde Staten (hierna: IMO). Niet in geschil is dat zeer recentelijk de samenwerkingsovereenkomst tussen IMO en de man is opgezegd en dat de samenwerking is geëindigd op 1 mei 2018. Als gevolg van de opzegging en beëindiging van de werkzaamheden heeft de man vanaf deze datum geen inkomsten uit arbeid meer.

Tussen de man en de vrouw is in geschil of de beëindiging van de samenwerking al dan niet aan de man zelf te wijten is.

De man heeft zich gesteld dat IMO de samenwerkingsovereenkomst eenzijdig heeft beëindigd zonder opgaaf van redenen. Op grond van artikel 14 lid 1 van de samenwerkingsovereenkomst is IMO volgens de man ook niet verplicht om de redenen te noemen. De man is er ook naderhand niet achter gekomen wat de redenen zijn.

De vrouw heeft vraagtekens geplaatst bij de redenen voor beëindiging van de samenwerking tussen de man en IMO en het gestelde onvrijwillige karakter daarvan. Zij stelt zich op het standpunt dat die beëindiging het gevolg is van verwijtbaar handelen van de man. Verder is het volgens de vrouw in redelijkheid te verwachten dat de man weldra een nieuwe functie of opdracht gevonden zal hebben, aangezien hij jarenlange werkervaring heeft op hoog niveau. Mede daarom dient ervan te worden uitgegaan dat de verdiencapaciteit van de man op hetzelfde niveau is gebleven als ten tijde van zijn werkzaamheden voor IMO. Van een gebrek aan draagkracht aan de zijde van de man is volgens de vrouw dan ook geen sprake. Daarnaast brengt volgens de vrouw Maleisisch recht met zich dat – als al niet van het oude inkomen van de man zou worden uitgegaan – van de man kan worden verlangd dat hij inteert op zijn vermogen om de alimentatie te kunnen betalen. De vrouw heeft in dit verband gesteld dat de man beschikt over een vermogen van ruim € 1,4 miljoen en dat hij ook om die reden over voldoende draagkracht beschikt.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet is komen vast te staan wat de feitelijke achtergrond en redenen zijn van de beëindiging van de samenwerkingsovereenkomst tussen IMO en de man. De man heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat hij per 1 mei 2018 nog geen nieuwe opdrachtgever had, dat hij in de periode tot 1 mei 2018 nog geen tijd heeft gehad om nieuwe opdrachten te krijgen vanwege de afronding van zijn werkzeemheden voor IMO en dat hij verwacht dat met het vinden van een nieuwe werkkring de nodige tijd gemoeid zal zijn. Ter zitting is door en/of namens de man echter ook verklaard dat hij thans doende is met het zoeken van een opdrachtgever, dat hij zonder meer gemotiveerd is zich in te spannen om nieuwe opdrachten en/of werkkring te verwerven, dat hij nog nooit werkloos is geweest en dat hij nog volledig fit is. De rechtbank leidt daaruit af dat het in de lijn der verwachtingen ligt dat de man wellicht niet op dit moment of binnen enkele weken, doch wel binnen een termijn van hooguit een paar maanden wederom inkomen uit arbeid zal kunnen genereren op hetzelfde niveau als bij IMO. Daarnaast staat vast dat de man beschikt over vermogen waarop hij rendement behaalt.

Op grond van het voorgaande ziet de rechtbank onvoldoende grond om bij het bepalen van de draagkracht van de man in deze bodemprocedure er van uit te gaan dat hij geen inkomsten uit arbeid heeft. De man heeft naar het oordeel van de rechtbank een onverminderde verdiencapaciteit ter hoogte van het inkomen dat hij genereerde uit zijn werkzaamheden voor IMO.

Het salaris van de man in Maleisië bedroeg volgens de vrouw € 16.430,-- netto per maand. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man er zelf voor gekozen heeft om naar Nederland te verhuizen en dat het voor zijn rekening dient te komen dat hij in Nederland belastingplichtig is, waardoor zijn netto inkomen wordt gehalveerd. In haar pleitnotitie heeft de vrouw het inkomen van de man in Nederland becijferd op € 14.002,20 netto per maand. Zij is hierbij uitgegaan van de volgende maandelijkse netto bedragen:

 € 8.215,-- € 8.215,-- Salary (waarbij rekening is gehouden met in Nederland te betalen inkomstenbelasting)

 € 8.215,-- € 143,88 Sales Comission

 € 8.215,-- € 1.221,50 Stamrecht

 € 8.215,-- € 3.915,-- Portfolio Van Lanschot

 € 8.215,-- € 1.000,-- Portfolio Rabobank

 € 8.215,-- € 197,92 Portfolio of money from Andorra that went to NLD

 € 8.215,-- € 729,17 Portfolio of Inheritance

 € 8.215,-- € 79,73 Silver Money

De vrouw heeft in mindering gebracht een bedrag van € 1.500,-- aan ‘Taxes on Assets’.

Volgens de vrouw dient bij de bepaling van de draagkracht van de man gekeken te worden naar de gehele vermogenspositie van de man en niet alleen naar zijn inkomsten uit arbeid Voor wat betreft het vermogen dient de man volgens de vrouw indien nodig hierop moeten interen.

De man factureerde naar zijn eigen zeggen aan IMO een bedrag van € 16.365,-- per maand en in aanvulling daarop ontving hij een commissie van gemiddeld € 4.275,-- per jaar. De man heeft zich op het standpunt gesteld dat van hem niet verwacht kan worden dat hij zich bij het zoeken van nieuwe werkzaamheden zou moeten beperken tot landen waar hij geen belasting hoeft te betalen en dat hij het recht heeft zich te voegen bij zijn familie in Nederland. De man is het met de vrouw eens dat rekening gehouden moet worden met inkomen uit vermogen, maar hij is van mening dat van hem in redelijkheid niet verwacht kan worden dat hij inteert op zijn vermogen. Het vermogen waar hij thans over beschikt is uitsluitend bedoeld om in zijn levensonderhoud te kunnen voorzien in de toekomst (pensioen) en/of in geval van werkloosheid en/of arbeidsongeschiktheid, aldus de man. De man heeft gesteld dat zijn vermogen uit de volgende bestanddelen bestaat:

 Banksaldi en een beleggingsportefeuille bij Van Lanschot;

 Banksaldi en een beleggingsportefeuille bij Rabobank;

 Banksaldi bij KNAB bank;

 Aandelen in PDI Holding B.V. (stamrecht B.V.).

De man heeft betwist dat hij daarop een rendement behaalt zoals door de vrouw gesteld. De werkelijke inkomsten per jaar uit vermogen bedragen volgens de man € 18.000,-- (Van Lanschot) en € 12.000,-- (Rabobank), totaal € 30.000,--, hetgeen neerkomt op € 2.500,-- per maand. Op de banksaldi van € 103.964,25 (Van Lanschot), € 47.610,16 (Rabobank) en € 20.462,21 (KNAB bank) wordt volgens de man geen rendement behaald. Ten aanzien van het stamrecht heeft de man naar voren gebracht dat na het vertrek van partijen naar Andorra maandelijks € 2.500,-- belastingvrij werd uitgekeerd. Nu de man vanaf 1 januari 2018 weer belastingplichtig is in Nederland kunnen de maandelijkse termijnen niet langer belastingvrij worden uitgekeerd en kan, gelet op de oorspronkelijke doelstelling van de stamrecht-overeenkomst, te weten een pensioenvoorziening, naar zijn mening man niet van hem worden verwacht dat hij nog langer enige uitkering vanuit de B.V. aan zichzelf uitkeert. Tot slot heeft de man nog naar voren gebracht dat hij over zijn pensioenvermogen van circa € 1.334.000,-- vermogensbelasting verschuldigd is ad € 17.486,-- per jaar. Het netto inkomen van de man uit vermogen dient volgens hem daarmee gesteld te worden op een bedrag van € 14.784,-- per jaar, hetgeen neerkomt € 1.232,-- per maand.

De rechtbank is van oordeel dat het de vrije keuze van de man is om zich te vestigen in Nederland. Partijen hebben zich destijds met name vanwege de wensen van de vrouw in Andorra en vervolgens in Maleisië gevestigd. Nu het huwelijk van partijen is gestrand, kan naar het oordeel van de rechtbank van de man niet verwacht worden dat hij in Maleisië blijft wonen en werken teneinde zijn inkomen op peil te houden. De rechtbank is echter ook van oordeel dat de keuze van de man om naar Nederland te verhuizen in financiële zin niet (geheel) kan worden afgewenteld op de vrouw en [minderjarige] .

De rechtbank acht het, gelet op hetgeen zowel de vrouw als de man hebben gesteld omtrent het inkomen van de man, redelijk om uit te gaan van een verdiencapaciteit van de man van € 12.000,-- netto per maand. Hierbij komt circa de helft van het verschil tussen het voormalige netto-inkomen van de man en zijn netto-inkomen waarbij in Nederland inkomstenbelasting moet worden afgedragen voor rekening van de man.

Vast staat dat de man vermogen heeft. Daarnaast zal de man, zoals hierna overwogen in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime, nog een geldbedrag van de vrouw ontvangen en is niet betwist dat de man uit een erfenis nog een bedrag zal ontvangen van ongeveer € 175.000,--. Het gehele vermogen van de man in ogenschouw nemend, is de rechtbank van oordeel dat een te verwachten rendement van € 3.000,-- netto per maand niet onredelijk is. Dit betekent dat de rechtbank voor de bepaling van de draagkracht van de man zal uitgaan van een inkomen uit arbeid en vermogen van in totaal € 15.000,-- netto per maand.

De lasten van de man

De man heeft de volgende maandelijkse lasten opgevoerd:

 € 1.400,-- 1.400,-- huur;

 € 1.400,-- € 121,95 premie ziektekostenverzekering;

 € 1.400,-- € 1.366,67 schoolgeld [minderjarige] ;

 € 1.400,-- € 752,-- kosten zorgregeling.

De vrouw heeft de lasten van de man betwist.

Indien met de door de man opgevoerde lasten, evenals met de hierna te bepalen bijdrage van de man in de kosten voor verzorging en opvoeding van [minderjarige] rekening wordt gehouden, resteert aan de zijde van de man voldoende draagkracht om in de resterende behoefte van de vrouw, zoals hiervoor vastgesteld, te voorzien. Gelet hierop zal de rechtbank de beoordeling van de door de man opgevoerde lasten achterwege laten en zal zij evenmin ingaan op de vraag of van de man verwacht kan worden dat hij inteert op zijn vermogen.

Het schuldprincipe ingevolge Maleisisch recht

De vrouw heeft gesteld dat de man zich tijdens het huwelijk van partijen schuldig heeft gemaakt aan overspel.

De man heeft deze stelling van de vrouw betwist.

De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, gelet op de gemotiveerde betwisting door de man, niet heeft aangetoond dat sprake is van overspel. De door de vrouw overgelegde whatsapp-berichten vormen in dit verband onvoldoende bewijs. Voorts heeft de vrouw niet, althans onvoldoende onderbouwd dat, ook indien sprake zou zijn van overspel, dit tot een andere beoordeling en resultaat zou leiden als het gaat om de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

Duur partneralimentatie

De vrouw heeft verzocht de partneralimentatie vast te stellen tot het moment dat de vrouw overlijdt dan wel gaat samenwonen als ware zij gehuwd dan wel opnieuw huwt.

De man heeft bestreden dat de vrouw recht heeft op levenslange partneralimentatie en is van mening dat een redelijke termijn verbonden dient te worden aan de betalingsverplichting.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw om de partneralimentatie vast te stellen tot het moment dat zij overlijdt dan wel gaat samenwonen als ware zij gehuwd dan wel opnieuw huwt, afwijzen en overweegt daartoe als volgt.

Enerzijds is niet gebleken dat het Maleisische recht, zoals het Nederlandse recht, een standaardlimiet kent voor de duur van de partneralimentatie. De rechtbank sluit daarom niet uit dat de alimentatieplicht van de man naar Maleisisch recht ‘levenslang’ doorloopt, tot het overlijden van de vrouw dan wel tot het moment dat zij gaat samenwonen als ware zij gehuwd of opnieuw huwt. Dit neemt echter niet weg dat er in de toekomst factoren kunnen zijn die de behoeftigheid van de vrouw of de draagkracht van de man beïnvloeden. De rechtbank zal daarom niet overgaan tot bepaling dat de thans vast te stellen betalingsplicht van de man ‘levenslang’ zal gelden. De rechtbank ziet evenmin aanleiding en grond om aan de duur van de partneralimentatie een limiet te verbinden zoals de man voorstaat.

De rechtbank zal het verzoek van de vrouw tot partneralimentatie toewijzen als na te melden.

Verklaring voor recht

Het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat de huwelijksgerelateerde financiële behoefte van de vrouw € 7.210,-- netto per maand bedraagt, zal worden afgewezen nu deze behoefte in het voorgaande reeds is beoordeeld en vastgesteld. Ter zitting is niet gebleken dat de vrouw hiernaast nog enig belang heeft bij de verzochte verklaring voor recht.

Kinderalimentatie

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de man in Nederland woont, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe ten aanzien van het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .

De rechtbank zal op grond van artikel 4 lid 3 van het Protocol van 23 november 2007 Nederlands recht op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] toepassen, nu de onderhavige zaak in Nederland is aangebracht alwaar de man zijn gewone verblijfplaats heeft.

Inhoudelijke beoordeling

In geschil zijn de behoefte van [minderjarige] en de draagkracht van partijen.

De behoefte van [minderjarige]

De rechtbank zal, hoewel Nederlands recht van toepassing is, voor de bepaling van de behoefte van [minderjarige] geen aansluiting zoeken bij de behoeftetabel ‘eigen bijdrage kosten van kinderen’ opgesteld door het NIBUD. De rechtbank acht deze tabel niet representatief nu [minderjarige] opgroeit in Maleisië in een situatie die vergelijkbaar is met een expatsituatie.

De vrouw heeft de door haar gestelde behoefte van [minderjarige] van € 5.910,-- per maand onderbouwd aan de hand van een behoeftelijst.

De man heeft diverse posten in deze behoeftelijst betwist.

De rechtbank zal de posten die door de vrouw zijn opgevoerd en die door de man zijn betwist hierna bespreken. De posten waar de rechtbank niet op ingaat zijn niet door de man betwist en daarmee zal de rechtbank rekening houden bij de berekening van de behoefte van [minderjarige] . De rechtbank merkt hierbij op dat zij – evenals ten aanzien van de partneralimentatie – uitgaat van de posten opgevoerd in de kolom ‘Lifestyle’, nu het gaat om de behoefte van [minderjarige] tijdens het huwelijk. De rechtbank zal de nummering van de posten in de behoeftelijst aanhouden.

Ad 9. Gas, water, electricity

De vrouw heeft gesteld dat de elektriciteitskosten gemiddeld € 254,-- per maand bedragen. Zij heeft dit bedrag opgesplitst in een deel voor haar en een deel voor [minderjarige] . De man heeft gesteld dat de energiekosten redelijkerwijs gesteld dienen te worden op € 192,-- per maand en dat het aandeel voor de vrouw hierin € 142,-- per maand bedraagt en het aandeel voor [minderjarige] hierin € 50,-- per maand. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen bij de behoefte van de vrouw ten aanzien van de energiekosten, zal de rechtbank een bedrag van € 75,-- per maand toerekenen aan [minderjarige] .

Ad 11. Health insurance

De vrouw heeft aan premie ziektekostenverzekering een bedrag opgevoerd van € 260,-- per maand. De vrouw heeft gesteld dat zij een duurdere verzekering heeft afgesloten omdat zij het eigen risico bij een goedkopere verzekering niet zal kunnen voldoen. De man gaat uit van een bedrag van € 167,-- per maand.

De rechtbank zal ten dele rekening houden met de afkoop van het eigen risico en uitgaan van een bedrag van € 200,-- per maand.

Ad 16. School Tuition

De vrouw heeft een bedrag van € 1.180,-- per maand opgevoerd aan schoolkosten. De man heeft aangeboden de schoolkosten van [minderjarige] apart voor zijn rekening te nemen, onder de voorwaarde dat de vrouw de facturen van de schoolkosten aan de man toont. De rechtbank zal daarom deze kosten buiten beschouwing laten bij het bepalen van de behoefte van [minderjarige] .

Ad. 19. en 20. School IT Cost en School Annual Discount

De rechtbank zal de opgevoerde IT-kosten ad € 30,-- per maand niet in aanmerking nemen, nu de School Annual Discount kennelijk € 60,-- per maand bedraagt. De rechtbank zal deze bedragen tegen elkaar wegstrepen.

Ad 23. After school care (maid)

De vrouw heeft aan naschoolse opvang een bedrag opgevoerd van € 300,-- per maand. De man heeft gesteld dat de hulp die de opvang verzorgd is ontslagen en dat de vrouw oude betalingsbewijzen heeft overgelegd. De man heeft echter niet betwist dat partijen tijdens het huwelijk gebruik maakten van een hulp in het kader van de opvang van [minderjarige] . Nu de vrouw heeft gesteld dat zij tot 16.30 uur werkt en [minderjarige] tot 15.00 uur op school zit, acht de rechtbank het redelijk een bedrag van € 100,-- per maand in aanmerking te nemen.

Ad 35. Clothing and Shoeware

De vrouw heeft aan kleding en schoenen een bedrag van € 140,-- per maand opgevoerd. Volgens de man volstaat een bedrag van € 25,-- per maand. Nu de man heeft erkend dat partijen ten tijde van het huwelijk veel geld uitgaven, zal de rechtbank, gelet op de welvaart van partijen ten tijde van het huwelijk, het door de vrouw opgevoerde bedrag in aanmerking nemen.

Ad 38. Psychologist

De vrouw heeft gesteld dat [minderjarige] wekelijks naar een psycholoog gaat en dat de kosten van € 240,-- per maand niet door de verzekering worden vergoed. De man heeft gesteld dat er geen objectieve indicatie is dat [minderjarige] therapie nodig heeft.

De rechtbank zal de kosten van de psycholoog niet in aanmerking nemen. De rechtbank is van oordeel dat deze kosten, die niet werden gemaakt ten tijde van het huwelijk, geen deel uit maken van de structurele behoefte van [minderjarige] . Het staat partijen vrij de kosten in onderling overleg te delen.

Ad 40. Vacations – Average 2015 en 2016

De vrouw heeft gesteld dat het meeste geld werd uitgegeven aan vakanties. Volgens de vrouw bedroegen de gezinsuitgaven aldus in 2015 € 41.403,46 en in 2016 € 54.058,07 en komt dit voor [minderjarige] neer op een bedrag van € 1.590,-- per maand. Daarnaast dient volgens de vrouw nog € 100,-- per maand gereserveerd worden voor eenmaal per jaar reizen naar Canada, het geboorteland van de vrouw. De man heeft de noodzaak aan eersteklas reizen betwist. Daarnaast heeft de man er op gewezen dat de vrouw geen stukken in het geding heeft gebracht waaruit de reizen in 2017 blijken. Ten slotte heeft de man aangevoerd dat hij ook met [minderjarige] op reis zal gaan en de kosten daarvan voor zijn rekening zal nemen.

De man heeft niet betwist dat in 2015 en 2016 de door de vrouw genoemde bedragen zijn uitgegeven, zodat deze deel uitmaken van de huwelijks gerelateerde behoefte. Zoals hiervoor in het kader van de partneralimentatie overwogen, zal de rechtbank aan zowel de man als de vrouw 37,5% van de uitgaven voor vakanties toerekenen en aan [minderjarige] 25%, wat afgerond neerkomt op € 1.000,- per maand. De rechtbank acht het alleszins redelijk ervan uit te gaan dat [minderjarige] van dit bedrag ook eenmaal per jaar naar Canada kan reizen.

Ad 41. Train airport transportation

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 10,-- per maand niet in aanmerking nemen. De rechtbank beschouwt dit bedrag inbegrepen in het hierboven in aanmerking genomen bedrag ten behoeve van de vakanties.

Ad 48 - 53. Food and drinking water

De vrouw heeft aan eten en drinkwater een bedrag van in totaal € 590,-- per maand opgevoerd. De man is van mening dat een bedrag van in totaal 160,-- per maand volstaat.

De vrouw heeft onder meer stukken overgelegd waarmee zij wil aantonen dat de boodschappen in Maleisië duurder zijn dan in Nederland. De vrouw heeft echter onvoldoende gespecificeerd onderbouwd welke uitgaven ten behoeve van [minderjarige] zijn gedaan. De rechtbank acht het redelijk uit te gaan van een bedrag van € 300,-- per maand.

Ad 55. Family pet

De rechtbank schaart een huisdier niet onder de behoefte van een kind en zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 20,-- per maand buiten beschouwing laten.

Ad 56. Presents

De vrouw heeft een bedrag van € 160,-- per maand opgevoerd voor cadeaus ten behoeve van [minderjarige] en ook andere kinderen bij verjaardagfeestjes. De rechtbank is van oordeel dat cadeaus niet uit het budget van een kind moeten worden voldaan, maar uit het budget van de ouders zelf. De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag daarom niet in aanmerking nemen.

Ad 57. Birthday party

De vrouw heeft een bedrag van € 80,-- per maand opgevoerd voor de viering van de verjaardag van [minderjarige] . Blijkens de door de vrouw overgelegde stukken waren partijen kennelijk gewend veel geld uit te geven aan de verjaardagsfeestjes van [minderjarige] . De rechtbank acht het door de vrouw opgevoerde bedrag voldoende onderbouwd en zal dit in aanmerking nemen.

Ad 58. Yearly lump sum saving

De vrouw heeft een bedrag van € 100,-- per maand opgevoerd ten behoeve van sparen voor [minderjarige] . De rechtbank zal dit bedrag niet in aanmerking nemen. Kinderalimentatie ziet op levensonderhoud. De rechtbank is van oordeel dat sparen daarvan geen deel uitmaakt.

Ad 60. Yearly photo album

De vrouw heeft een bedrag van € 20,-- per maand opgevoerd aan fotoalbums van [minderjarige] . De rechtbank zal dit bedrag in aanmerking nemen ervan uitgaande dat de vrouw ook een exemplaar voor de man zal laten maken.

Ad 61. Restaurant

De rechtbank zal het door de vrouw opgevoerde bedrag van € 130,-- per maand aan uit eten in aanmerking nemen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw voldoende onderbouwd heeft dat het hier kosten betreft die partijen gewend waren te maken.

Ad 70. en 71. Swimming lessons and tennis lessons

De vrouw heeft een bedrag van € 80,-- per maand aan zwemles en een bedrag van € 90,-- per maand aan tennisles opgevoerd. De man betwijfelt of [minderjarige] nog zwemles volgt en betwist dat [minderjarige] tennislessen volgt.

De rechtbank acht het niet onredelijk een bedrag voor sportactiviteiten in aanmerking te nemen. De rechtbank zal dit bedrag stellen op € 100,-- per maand.

Ad 72. Spanish lessons

De vrouw heeft een bedrag van € 520,-- per maand aan Spaanse les opgevoerd. De man heeft gemotiveerd betwist dat [minderjarige] Spaanse lessen heeft gevolgd in de letterlijke zin des woords en hij heeft ook betwist dat er noodzaak bestond dan wel bestaat voor het volgen van dure Spaanse lessen.

De rechtbank zal gelet op de gemotiveerde betwisting door de man het door de vrouw opgevoerde bedrag buiten beschouwing laten.

De behoefte van [minderjarige]

Met inachtneming van het voorgaande stelt de rechtbank de behoefte van [minderjarige] vast op een bedrag van € 2.595,-- per maand. Dit is exclusief schoolkosten.

Draagkracht partijen

Zoals overwogen onder de partneralimentatie gaat de rechtbank ervan uit dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft van € 24.000,-- netto per jaar de eerste vijf jaar na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, € 36.000,-- netto per jaar de vijf jaar daarop en € 48.000,-- netto per jaar daarna en dat de man een verdiencapaciteit (salaris en inkomen uit vermogen) heeft van € 180.000,-- netto per jaar. De rechtbank zal in het kader van de kinderalimentatie van dezelfde bedragen uitgaan.

Dit betekent dat de inkomens van partijen voldoende zijn om in de behoefte van [minderjarige] te voorzien. Naar rato van de inkomens betekent dit dat:

voor rekening van de vrouw dient te komen (afgerond):

de komende vijf jaar: € 24.000,-- / € 204.000,-- x € 2.595,-- = € 305,--

de vijf jaar daarop: € 36.000,-- / € 216.000,-- x € 2.595,-- = € 430,--

en daarna: € 48.000,-- / € 228.000,-- x € 2.595,-- = € 545,--

voor rekening van de man dient te komen (afgerond):

de komende vijf jaar: € 180.000,-- / € 204.000,-- x € 2.595,-- = € 2.290,--

de vijf jaar daarop: € 180.000,-- / € 216.000,-- x € 2.595,-- = € 2.165,--

en daarna: € 180.000,-- / € 228.000,-- x € 2.595,-- = € 2.050,--

Gelet op de hoogte van het inkomen van de man waarvan de rechtbank uitgaat is, mede gelet op hetgeen de rechtbank onder de partneralimentatie heeft overwogen, voldoende helder dat de man in staat moet worden geacht om de hierboven genoemde bedragen, die voor zijn rekening komen, te voldoen. De rechtbank zal daarom de kinderalimentatie vaststellen als na te melden. De rechtbank gaat er daarnaast vanuit dat de man, zoals hij heeft aangeboden, de schoolkosten van [minderjarige] zal voldoen. De rechtbank gaat er hierbij tevens vanuit dat de vrouw de betreffende facturen aan de man zal tonen.

Verklaring voor recht

Het verzoek van de vrouw te verklaren voor recht dat de alimentatie behoefte van [minderjarige] € 5.910,-- netto per maand, inclusief kosten van de internationale school, bedraagt, zal, gelet op het voren overwogene, worden afgewezen.

Vermogensrechtelijke afwikkeling

Rechtsmacht en toepasselijk recht

Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft hij tevens rechtsmacht met betrekking tot de verzoeken in het kader van de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk.

Niet gebleken is dat de echtgenoten vóór het huwelijk het op hun huwelijksvermogens-regime toepasselijke recht hebben aangewezen. Krachtens artikel 4, eerste lid, van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978, Trb. 1988, 130, wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het recht van Andorra, nu de echtgenoten kennelijk hun eerste gewone verblijfplaats na de huwelijkssluiting hebben gevestigd in Andorra en zich geen van de in artikel 4, tweede lid, van dat verdrag genoemde uitzonderingen voordoet.

Inhoudelijke beoordeling

Peildatum en regime

De vrouw heeft met betrekking tot het recht van Andorra ter zake de vermogensrechtelijke afwikkeling na scheiding een rapport van het Internationaal Juridisch Instituut (IJI) en een legal opinion van een door haar geraadpleegde Andorrese advocaat overgelegd. Hierin wordt naar voren gebracht dat artikel 55 van de Huwelijkswet bepaalt dat wat betreft de gevolgen van de echtscheiding aangaande het huwelijksvermogen slechts een geldige echtscheidingsbeslissing het wettelijk regime doet eindigen. Nu de man dit standpunt onvoldoende gemotiveerd heeft betwist, zal de rechtbank genoemd rapport en genoemde legal opinion hierin volgen.

Partijen zijn het erover eens, zoals ook uit het rapport en de legal opinion volgt, dat naar het recht van Andorra sprake is van een ‘separation of goods’ als huwelijksvermogensregime. Op grond daarvan komen volgens de vrouw alleen de tijdens het huwelijk door partijen gezamenlijk aangeschafte goederen in aanmerking voor verdeling. Het gaat volgens de vrouw om:

 een auto van het merk Honda, type CRV, waarvan de waarde op dit moment wordt geschat op € 22.500,--;

 meubels, overwegend aangeschaft bij IKEA, waarvan de totale waarde op dit moment wordt geschat op € 5.000,--.

Daarnaast hebben partijen volgens de vrouw twee gezamenlijke bankrekeningen, te weten:

 de bankrekening bij de AndBank in Andorra met rekeningnummer [rekeningnummer 1] ;

 de bankrekening bij de Citibank in Maleisië met rekeningnummer [rekeningnummer 2] .

De man heeft betwist dat de door de vrouw genoemde auto, meubels en bankrekeningen voor verdeling in aanmerking komen. De man heeft gesteld dat hij de enige is die tijdens het huwelijk heeft gewerkt en inkomen heeft verworven. Alle vermogensbestanddelen zijn volgens de man dan ook van hem en niet van de vrouw.

De rechtbank zal hierna de door de vrouw opgevoerde bestanddelen puntsgewijs beoordelen.

De auto

De vrouw heeft erkend dat de auto eigendom van de man is. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om de auto aan haar toe te delen afwijzen.

Ter zitting heeft de vrouw aanvullend verzocht het gebruik van de auto aan de vrouw toe te wijzen. De man heeft bezwaar gemaakt tegen de indiening en beoordeling van dit aanvullend verzoek.

De rechtbank is van oordeel dat dit verzoek door de vrouw te laat is ingediend. Beoordeling van dit verzoek zou nadere bestudering van het Andorrese recht vragen, ook om te bezien hoe het gebruik van de auto zich verhoudt tot de kinder- en partneralimentatie. Naar het oordeel van de rechtbank is beoordeling van het verzoek dermate complex van aard dat het in strijd met een goede procesorde is om dit verzoek in behandeling te nemen. De rechtbank ziet anders dan de vrouw het verzoek niet als een vermindering van het eerder door haar gedane verzoek tot toedeling van de auto aan haar. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het verzoek een totaal ander karakter en andere strekking. De vrouw zal daarom niet toegelaten worden in haar verzoek.

De meubels

Ook voor wat betreft de meubels heeft de vrouw ter zitting aanvullend verzocht het gebruik daarvan aan haar toe te wijzen. De man heeft hiertegen eveneens bezwaar gemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is ook voor wat betreft de meubels het verzoek door de vrouw te laat ingediend. De rechtbank zal de vrouw om dezelfde reden als bij de auto niet toelaten in haar verzoek.

Ten aanzien van de meubels is niet komen vast te staan dat deze eigendom zijn van de man, nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat zij meubels uit Brazilië heeft verscheept naar Andorra en Maleisië, waarvan een deel is verkocht en met welke opbrengst weer nieuwe meubels zijn gekocht. Nu niet is vast te stellen wie wat heeft bijgedragen aan de meubels en duidelijk is dat de meubels bij de vrouw zullen blijven, zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om de meubels aan haar toe te delen toewijzen. De rechtbank gaat ervan uit dat de waarde van de meubels te verwaarlozen is. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de vrouw geen vergoeding aan de man verschuldigd is.

De bankrekeningen

De man heeft niet betwist dat de bankrekeningen op beider naam staan. De vrouw heeft niet betwist dat de man de rekeningen heeft gevoed. Uitgangspunt is dan ook dat de saldi van de bankrekeningen de man toebehoren. De vrouw heeft dit ook niet betwist.

De man heeft gesteld dat de vrouw opnames heeft verricht uitsluitend ten behoeve van haarzelf van in totaal € 129.052,--. De man heeft verder gesteld dat hij gerekend vanaf 1 juli 2017 op grond van de gemaakte afspraken aan de vrouw tot op heden (lees: mei 2018) voldaan heeft een bedrag van € 1.500,-- per maand voor [minderjarige] en € 3.650,-- per maand voor de vrouw, derhalve in totaal een bedrag van € 5.150,-- per maand. De man heeft aangegeven dat hij om proceseconomische redenen en onverplicht bereid is om een vergelijkbaar bedrag gerekend over de periode 1 januari 2017 tot 1 juli 2017, dat is € 5.150,-- x 6 maanden = € 30.900,-- in mindering te brengen op het bedrag van € 129.052,. Volgens de man dient de vrouw hem in verband met de opnames van de vrouw vanaf de bankrekeningen een bedrag te voldoen van € 129.052,-- - € 30.900,-- = € 98.152,--.

De vrouw heeft gesteld dat zij tijdens het huwelijk gerechtigd was de rekeningen aan te spreken. De rechtbank is van oordeel dat dit slechts het geval is voor zover de vrouw geld heeft aangewend ten behoeve van de kosten van de huishouding. Het gaat immers – ook tijdens de huwelijkse samenleving van partijen – om vermogen van de man, waar de vrouw niet zonder zijn medeweten en toestemming over kon beschikken. De vrouw heeft geen enkel inzicht ingegeven in de wijze waarop de door haar opgenomen bedragen zijn besteed. Nu niet is vast te stellen welk bedrag de vrouw heeft aangewend ten behoeve van de kosten van de huishouding, acht de rechtbank het redelijk uit te gaan van het door de man genoemde bedrag van € 30.900,--.

Voorts heeft de vrouw gesteld dat zij bedragen ook weer heeft teruggeboekt. De vrouw heeft dit echter op geen enkele wijze aangetoond.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat de vrouw ten onrechte een bedrag van € 98.152,-- (€ 129.052,-- - € 30.900,--) heeft opgenomen en daarmee vanuit het vermogen van de man naar zichzelf heeft overgeheveld. Zij dient dit bedrag dan ook aan de man terug te betalen. De rechtbank zal aldus beslissen.

De rechtbank ziet in het door de man gestelde en ook overigens geen aanleiding aan de veroordeling tot betaling een termijn van een maand na afgifte van deze beschikking te verbinden. Het verzoek van de man daartoe zal daarom worden afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te 's-Gravenhage op 5 april 2013;

bepaalt dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarige [minderjarige] , geboren op 29 [geboortedatum] te [geboorteplaats] , Duitsland, aan de vrouw zal betalen in de eerste vijf jaar een bedrag van € 2.290,-- per maand, in de daarop volgende vijf jaar een bedrag van € 2.165,-- per maand en daarna € 2.050,-- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, en bepaalt dat de man daarnaast de jaarlijkse schoolkosten aan de vrouw voldoet, mits de vrouw aantoont dat zij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt dan wel dient te maken, waartoe zij de man inzicht zal geven in de betreffende nota;

bepaalt dat de man met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 3.000,-- (netto) per maand in de eerste vijf jaar, een bedrag van € 2.000,-- (netto) per maand in de daarop volgende vijf jaar en daarna € 1.000,-- (netto) per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

stelt in het kader van de afwikkeling van het huwelijksvermogensregime naar Andorrees recht, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, vast dat:

 aan de vrouw worden toegedeeld de meubels, zonder nadere verrekening;

 de vrouw aan de man dient te voldoen een bedrag van € 98.152,--;

verklaart deze beschikking tot zover – met uitzondering van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.C. Olland, C.G. Meeder en I. Zetstra, tevens kinderrechters, bijgestaan door P. Lahman als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2018.