Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7913

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
04-07-2018
Datum publicatie
04-07-2018
Zaaknummer
C-09-552024-KG ZA 18-404
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Vorderingen om de Staat te verbieden eiser uit te leveren aan Rusland worden door de voorzieningenrechter afgewezen. Minister hoeft ook geen nader onderzoek te doen. Niet aannemelijk dat de Russische autoriteiten het specialiteitsbeginsel zullen schenden en eiser voor andere delicten (desertie en het lekken van staatsgeheimen) zullen vervolgen dan het delict waarvoor uitlevering is gevraagd (fraude). Evenmin gegronde reden om aan te nemen dat eiser bij uitlevering een reëel gevaar loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/552024 / KG ZA 18/404

Vonnis in kort geding van 4 juli 2018

in de zaak van

[eiser] ,

gedetineerd in Justitieel Complex [X] te [plaats] , gemeente [gemeente] ,

eiser,

advocaat mr. J.W. Ebbink te Haarlem,

tegen:

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Staat der Nederlanden,

zetelende te Den Haag,

gedaagde,

advocaat mr. A.Th.M. ten Broeke te Den Haag.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘ [eiser] ’ en ‘de Staat’.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met daarbij en nadien overgelegde producties;

- de door de Staat overgelegde producties;

- de op 13 juni 2018 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2 De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

[eiser] is werkzaam geweest als beroepsmilitair in het binnenlandse leger van de Russische Federatie.

2.2.

In artikel 338 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van de Russische Federatie is desertie strafbaar gesteld.

2.3.

In een (vertaling uit het Russisch van een) “Opvraag van het informatiecentrum van het Hoofdbestuur van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van de Russische Federatie” met betrekking tot [eiser] van 26 november 2015 staat vermeld dat [eiser] sinds 16 oktober 2015 verdwenen is / zich schuil houdt, dat er sprake is van een uitreisverbod en dat op 26 oktober 2015 een zaak is aangespannen in verband met artikel 338 lid 1 van het Wetboek van Strafrecht van de Russische Federatie.

2.4.

In een (vertaling van een) verklaring van het Hoofddepartement van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van de Russische Federatie in de provincie Stavropol van 10 februari 2016 staat, voor zover nu relevant, over [eiser] vermeld:

“(…)

Het FKU Hoofcentrum voor inlichtingen en analyse van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Rusland, het Inlichtingen en Informatiecentrum van het Hoofddepartement van het Ministerie van Binnenlandse Zaken in Rusland in de provincie Stavropol, het Inlichtingen en Informatiecentrum van het Hoofddepartement van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Rusland in de provincie Altaj

beschikt (beschikt niet) over gegevens van een strafblad (waaronder in het verleden) op het grondgebied van de Russische Federatie: “beschikt niet”;

beschikt (beschikt niet) over gegevens van strafrechtelijke vervolging of het beëindigen van strafrechtelijke vervolging op het grondgebied van de Russische Federatie:

“beschikt niet”.

Aanvullende informatie: op 27 oktober 2015 werd door het Departement Strafrechtelijk onderzoek van het Hoofddepartement van het Ministerie van Binnenlandse Zaken van Rusland in de provincie Altaj het federale opsporingsbevel op grond van deel 1 artikel 338 van het Wetboek van Strafrecht van de Russische Federatie afgegeven.

(…)”

2.5.

[eiser] is op 30 april 2016 op luchthaven Schiphol aangehouden. [eiser] verblijft sindsdien in uitleveringsdetentie. Ook op 30 april 2016 heeft [eiser] een asielaanvraag ingediend. [eiser] heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd, kort samengevat, dat hij vanaf 2011 tot zijn vertrek uit de Russische Federatie door verschillende personen binnen het leger is afgeperst, bedreigd en mishandeld. Hij heeft meerdere malen aangifte gedaan, maar daar is niets mee gebeurd. Hij heeft ook meerdere malen geprobeerd ontslag te nemen, maar dat is hem niet verleend, omdat hij toegang had tot staatsgeheimen en gevreesd werd dat hij die staatsgeheimen zou verspreiden. Om die reden vreest [eiser] dat hij bij terugkeer zal worden gedetineerd en gemarteld.

2.6.

Bij brief van 18 mei 2016 hebben de Russische autoriteiten om de uitlevering van [eiser] verzocht, in verband met een onderzoek naar [eiser] in verband met (kort gezegd) oplichting, meermalen gepleegd (strafbaar onder artikel 159 van het Wetboek van Strafrecht van de Russische Federatie. In de brief staat verder dat [eiser] niet zal worden vervolgd om politieke redenen of vanwege ras, godsdienst of nationaliteit, dat alle verdedigingsrechten zijn gegarandeerd en dat bejegening in strijd met artikel 3 Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) niet aan de orde zal zijn. Daarnaast is toegezegd dat [eiser] alleen zal worden vervolgd voor het misdrijf waarvoor uitlevering wordt gevraagd en dat zijn detentieomstandigheden in overeenstemming met het EVRM en de European Penitentiary Rules van 11 januari 2006 zullen zijn.

2.7.

Bij uitspraak van 2 augustus 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland de uitlevering van [eiser] aan de Russische Federatie toelaatbaar verklaard. In deze uitspraak wordt, voor zover nu relevant, als volgt overwogen:

“(…)

2.4

Bespreking van een ter zitting gevoerd verweer

(…)

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ad a. Ook in de door de verzoekende staat in het geding gebrachte stukken komt naar voren dat de opgeëiste persoon als militair in dienst was bij de Russische Federatie toen hij in oktober 2015 naar Israël is gevlucht. Tegen die achtergrond en gezien de door de raadsman in het geding gebrachte stukken acht de rechtbank niet onaannemelijk dat de verzoekende staat de opgeëiste persoon ook zal willen vervolgen voor desertie. Ook de door de raadsman opgeworpen mogelijkheid van een bij de verzoekende staat bestaande wens tot onderzoek naar het lekken van staatsgeheimen, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden uitgesloten.

De stelling dat de strafzaak zoals deze thans in het uitleveringsverzoek is gepresenteerd een gefabriceerd en op bedrog berustend geheel zou vormen, mist een toereikende feitelijke grondslag in hetgeen door de raadsman in het geding is gebracht. In die stelling volgt de rechtbank de raadsman niet.

Volgens de rechtspraak van de Hoge Raad komt de beantwoording van de vraag of de verzochte uitlevering moet afstuiten op hetgeen namens de opgeëiste persoon is aangevoerd omtrent dreigende bestraffing voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering toelaatbaar is verklaard, in beginsel niet toe aan die rechter die ingevolge de Uitleveringswet heeft te oordelen over de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Dat kan uitzondering lijden

indien blijkt dat de opgeëiste persoon door zijn uitlevering zou worden blootgesteld aan zodanig risico van flagrante inbreuk op enig hem ingevolge art. 6 EVRM toekomend recht dat de ingevolge art. 1 EVRM op Nederland rustende verplichting om dat recht te verzekeren, in de weg staat aan de uit het te dezen toepasselijke EUV [toevoeging voorzieningenrechter: Europees Verdrag betreffende uitlevering] voortvloeiende verplichting tot uitlevering (vgl. HR 28 maart 2000, NJ 2000/367). Uit het door de raadsman aangevoerde kan zulks echter niet blijken.

Ad b. Bij de beoordeling van dit verweer neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat omtrent de vraag of de gevraagde uitlevering moet worden geweigerd wegens een gegrond vermoeden dat bij inwilliging van het verzoek de opgeëiste persoon zat worden blootgesteld aan een inbreuk op zijn fundamentele rechten, het oordeel is voorbehouden aan de Minister van Veiligheid en Justitie (vgl. HR 25 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:A08387). Niet is gesteld dat de opgeëiste persoon in verband met de zaak waarvoor zijn uitlevering wordt gevraagd door functionarissen van de verzoekende staat is gefolterd. Van een situatie waarin van voormeld uitgangspunt moet worden afgeweken is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake (vgl. HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BAO875).

Gelet op het vorenstaande moet de Minister van Veiligheid en Justitie worden beschouwd als beter geëquipeerd om tot een juiste beoordeling te komen van de in voormeld verband bestaande risico’s en om passende maatregelen te nemen om deze het hoofd te bieden. De rechtbank verwerpt dan ook de verweren (…).

(…)”

2.8.

Bij brief van 2 augustus 2016 heeft de voorzitter van de meervoudige kamer die voormelde uitspraak heeft gedaan de Minister van Veiligheid en Justitie (hierna: de Minister) geadviseerd gevolg te geven aan het uitleveringsverzoek. Daarbij heeft de voorzitter “voor de goede orde” bijzondere aandacht gevraagd voor hetgeen is overwogen onder het kopje “bespreking van een ter zitting gevoerd verweer”.

2.9.

Bij brief van 23 december 2016 is namens de Minister aan de Russische autoriteiten nadere informatie gevraagd. Gevraagd is (i) of aangegeven kan worden in wat voor soort penitentiaire inrichting [eiser] zal worden gedetineerd en wat de specifieke omstandigheden daar zullen zijn en (ii) of de Russische autoriteiten [eiser] willen vervolgen voor desertie.

2.10.

Bij brief van 3 februari 2017 (toegezonden aan de Nederlandse autoriteiten bij brief van 13 maart 2017) hebben de Russische autoriteiten als volgt aan de Minister bericht, voor zover nu relevant:

“(…)

If [eiser] is found guilty of the above crime, he will be sentenced to imprisonment.

According to Article 73 of the Penal Enforcement Code of the Russian Federation, persons, sentenced to imprisonment shall serve their sentence in correctional institutions located in the same constituent region of the Russian Federation where they live or have been convicted. In exceptional cases due to the convicts’ state of health or in order to ensure their personal security, or with their consent, convicts may serve their sentence in another constituent region of the Russian Federation. In the absence of a relevant correctional facility in the constituent region of the Russian Federation where convicts live or have been convicted, as well as due to the impossibility to place them in the facilities existing in the said constituent region, convicts shall be transferred with the consent of relevant officials of the Russian penal enforcement system to a correctional institution located in another constituent region of the Russian Federation, where there are proper conditions for their placement.

On January 28, 2016, the Barnaul Garrison Military Court applied a measure of restriction in the form of detention to [eiser] . Therefore after his extradition to the Russian Federation and till the issue of the final decision in the criminal case he will be kept in detention in compliance with the provisions of the Convention for the Protection of Human Rights and fundamental freedoms of November 4, 1950, the European Prison Rules of January 11, 2006, Federal Law of July 15, 1995, No. 103-FZ “On Detention of Persons Suspected or Accused of Crimes”.

According to the information received from military unit 5428, since October 22, 2015, [eiser] has been deprived of access to documents, containing state secret.

It is also reported that [eiser] has not been earlier called to account for the crimes against military service.

There are no criminal cases against [eiser] in the Military Investigative Unit for the Barnaul Harrison, related to the crimes stipulated in Articles 337 and 338 of the Criminal Code of the Russian Federation.

(…)”

2.11.

[eiser] heeft cassatie ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Holland van 2 augustus 2016. In de cassatieprocedure heeft [eiser] een rapport overgelegd dat dr. [A] , deskundige op Russische veiligheidsvraagstukken, in opdracht van [eiser] heeft opgesteld. Bij arrest van 28 februari 2017 heeft de Hoge Raad het cassatieberoep onder verwijzing naar artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie niet-ontvankelijk verklaard.

2.12.

Bij beschikking van 31 maart 2017 heeft de Minister de uitlevering van [eiser] toegestaan. Voor zover nu relevant staat in die beschikking het volgende vermeld:

“4.1 (…) De rechtbank heeft reeds geoordeeld dat de stelling dat de strafzaak zoals deze

in het uitleveringsverzoek is gepresenteerd zou berusten op bedrog, een toereikende

feitelijke grondslag mist. De rechtbank verwijst voor de vermeende schending van het specialiteitsbeginsel naar de Minister.

De Minister overweegt in deze als volgt. Ingevolge het specialiteitsbeginsel zoals vastgelegd in artikel 14, eerste lid van het toepasselijke uitleveringsverdrag kan de opgeëiste persoon in beginsel enkel vervolgd worden voor de feiten waarvoor de uitlevering is gevraagd.

Per brief van 23 december 2016 heeft de Minister bij de Russische Federatie navraag gedaan naar de mogelijkheid tot vervolging voor desertie. Bij brief van 3 februari 2017 hebben de Russische autoriteiten geantwoord dat er geen vervolging van de opgeëiste persoon loopt in verband met desertie.

Gezien deze reactie en gelet op het interstatelijke vertrouwensbeginsel, vertrouwt de Minister erop dat Rusland het specialiteitsbeginsel zal naleven en de opgeëiste persoon niet zal worden vervolgd voor desertie. Daaraan kan nog worden toegevoegd dat wanneer Rusland alsnog een vervolging terzake van desertie zal willen entameren, de Russische autoriteiten aan de Minister om aanvullende toestemming zullen moeten vragen. De Russische autoriteiten kunnen een mogelijke vervolging wegens desertie pas ter hand nemen nadat deze toestemming hebben gekregen. Tegen die toestemming kan de opgeëiste persoon in kort geding nog een voorziening vragen die ertoe strekt de verlening van die aanvullende toestemming te verbieden.

4.2

Daarnaast heeft de raadsman ter terechtzitting van de opgeëiste persoon aangevoerd dat uitlevering zal leiden tot een schending van artikel 3 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens(EVRM) vanwege diens toegang tot staatsgeheimen. Volgens de raadsman is marteling gebruikelijk teneinde te achterhalen of de opgeëiste persoon staatsgeheimen heeft onthuld. De Rechtbank verwijst voor een oordeel van een toekomstige schending van artikel 3 EVRM naar de Minister.

Ten aanzien hiervan wordt overwogen dat de Russische Federatie partij is bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Daarmee mag er in beginsel van worden uitgegaan dat de Russische Federatie de uit het EVRM voortvloeiende rechten en verplichtingen – daaronder begrepen het verbod op marteling – jegens de opgeëiste persoon zal eerbiedigen.

Daarnaast wordt overwogen dat de raadsman de vrees voor een onaanvaardbare behandeling van de opgeëiste persoon in de Russische Federatie onvoldoende heeft onderbouwd. De raadsman stelt dat het gebruikelijk is in de Russische Federatie om militairen die contact hebben gehad met Israël en de VS te martelen. Deze stelling wordt met betrekking tot een eventuele rol van de opgeëiste persoon niet onderbouwd, en een algemene stelling is naar het oordeel van de Minister onvoldoende om in het onderhavige geval te kunnen uitgaan van een dreigend reëel risico op een schending van artikel 3 EVRM.

Daar komt nog bij dat de Russische autoriteiten bij brief van 3 februari 2017 desgevraagd hebben laten weten dat de opgeëiste persoon volgens de normale procedure zal worden behandeld. Zij verwijzen hiervoor naar het EVRM, de Europese gevangenisregels van 2006 en nationale wetgeving. Het is gebruikelijk dat de gedetineerde in Rusland zal worden geplaatst in een penitentiaire inrichting die ofwel in de regio waar de opgeëiste persoon woont of waar zij zijn veroordeeld.

(…)”

2.13.

Bij brief van 25 april 2017 is namens de Minister aan de Russische autoriteiten gevraagd of kan worden gegarandeerd dat [eiser] niet wordt vervolgd voor desertie of enig ander delict gepleegd voorafgaand aan de uitlevering (inclusief militaire delicten) zonder voorafgaande toestemming van de uitleverende staat, overeenkomst artikel 14 van het Europese Uitleveringsverdrag. Verder zijn bij die brief de stukken als hiervoor onder 2.3 en 2.4 genoemd verstrekt en is gevraagd om uitleg over het bestaan van die stukken – waaruit kan worden geconcludeerd dat [eiser] wordt vervolgd voor desertie – in relatie tot de brief van de Russische autoriteiten van 13 maart 2017 (als vermeld onder 2.10).

2.14.

De asielaanvraag van [eiser] is bij beschikking van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (hierna: de Staatssecretaris) 3 mei 2017 afgewezen.

2.15.

In reactie op de onder 2.13 vermelde brief van 25 april 2017 hebben de Russische autoriteiten bij brief van 16 mei 2017 als volgt bericht:

“(…)

Now [eiser] is not prosecuted in Russia for crimes against the military service. The criminal case against [eiser] charged with the crime stipulated in Art. 338 part 1 (desertion) of the Criminal Code of the Russian Federation was dismissed on 31.01.2017 due to the lack of corpus delicti in his actions.

Statements of facts concerning criminal prosecution of [eiser] for desertion, presented by his defence counsel, are dated 26.11.2015 and 10.02.2016. Now this information is out of date and does not represent the facts.

No military investigative body of the Russian Federation inquires into any criminal case against [eiser] charged with crimes against the military service.

The Prosecutor General’s Office of the Russian Federation in its request for [eiser] ’s extradition dated 13.05.2016, guaranteed that according to Art. 14 of the European Convention on Extradition of 13.12.1957, he will be prosecuted only for the crime indicated in the extradition request and after termination of criminal prosecution or proceedings, and if convicted, after serving the sentence he will be able to leave Russia.

Therefore, [eiser] cannot be brought to account for any other crime that he might have committed before his extradition, without the consent of the requested party.

(…)”

Als bijlage bij deze brief is gevoegd de in de brief vermelde beslissing van 31 januari 2017 waarbij de strafzaak in verband met desertie is geseponeerd.

2.16.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Dat beroep is bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 29 september 2017 gegrond verklaard. Daarbij is, kort weergegeven en voor zover nu relevant, geoordeeld dat de Staatssecretaris onvoldoende heeft gemotiveerd dat het asielrelaas van [eiser] niet geloofwaardig is. De rechtbank heeft (onder meer) geoordeeld dat de Staatssecretaris gehouden is een eigen beoordeling te maken van de geloofwaardigheid van de verklaringen van [eiser] in het kader van zijn asielrelaas en dat het niet toelaatbaar is om alleen op basis van het interstatelijke vertrouwensbeginsel uit te gaan van de juistheid van het uitleveringsverzoek ter motivering van de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas.

2.17.

De Staatssecretaris heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van 29 september 2017. Dat hoger beroep is bij uitspraak van de Raad van State, Afdeling Bestuursrechtspraak, van 6 april 2018 gegrond verklaard en het door [eiser] tegen de beschikking van de Staatssecretaris ingestelde beroep is alsnog ongegrond verklaard. De Raad van State heeft daarbij onder meer geoordeeld dat:

  • -

    [eiser] niet aannemelijk heeft gemaakt dat het uitleveringsverzoek door de Russische autoriteiten is gefingeerd;

  • -

    de Staatssecretaris niet ten onrechte geen geloof heeft gehecht aan de stellingen van [eiser] over desertie en topstaatsgeheimen;

  • -

    de Staatssecretaris eveneens niet ten onrechte niet geloofwaardig heeft geacht dat het uitleveringsverzoek is gefingeerd om [eiser] te kunnen vervolgen in verband met desertie en topstaatsgeheimen en terecht van de juistheid van het uitleveringsverzoek is uitgegaan en in dat kader de geloofwaardigheid van de door [eiser] gestelde afpersingen heeft beoordeeld;

  • -

    de Staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de ongeloofwaardigheid van de verklaringen van [eiser] over de vervolging door de Russische autoriteiten wegens zijn vermeende desertie en lekken van topstaatsgeheimen afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van hetgeen hij over de afpersingen heeft verklaard;

  • -

    de Staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat [eiser] bij terugkeer in de Russische Federatie geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

3 Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, zakelijk weergegeven:

I. de Staat te verbieden [eiser] uit te leveren aan de Russische Federatie zolang door de Minister geen nader onderzoek is gedaan en een antwoord is gegeven op de volgende vragen:

  • -

    is er door of namens de Minister, in het bijzonder het AIRS, zelfstandig onderzoek gedaan naar de mogelijke vervolging van [eiser] voor desertie en zijn hierbij door de AIRS dan wel de Minister aan de Russische autoriteiten afschriften van de stukken gezonden, in het bijzonder de onder 2.3 en 2.4 genoemde stukken;

  • -

    is er door of namens de Minister zelfstandig onderzoek gedaan naar de beslissing tot beëindiging van de strafrechtelijke vervolging van [eiser] van 31 januari 2017 van de Militaire Officier van Justitie te Barnaul wegens desertie en het feit dat dit een onvoorwaardelijke en onherroepelijke beëindiging van de strafrechtelijke vervolging is;

  • -

    is er door of namens de Minister zelfstandig onderzoek gedaan naar de mogelijkheid dat [eiser] na uitlevering gemarteld en mishandeld zal worden;

  • -

    is er door of namens de Minister zelfstandig onderzoek gedaan naar de mogelijkheid dat [eiser] in de Russische Federatie kan worden vervolgd wegens het schenden van staatsgeheimen;

II. de Staat te bevelen indien deze onderzoeken niet zijn verricht, deze onderzoeken alsnog te verrichten en te bepalen dat de Staat wordt verboden [eiser] uit te leveren totdat deze onderzoeken zelfstandig zijn verricht en de resultaten daarvan aan [eiser] ter beschikking zijn gesteld;

III. indien de onderzoeken wel zijn verricht de Staat te bevelen de uitkomsten van die onderzoeken aan [eiser] ter beschikking te stellen;

IV. als uit voormelde onderzoeken of uit andere hoofde komt vast te staan dat vervolging van [eiser] in de Russische Federatie wegens desertie en/of het lekken van staatsgeheimen aannemelijk is en/of komt vast te staan dat het aannemelijk is dat [eiser] na uitlevering gemarteld en mishandeld zal worden te bepalen dat de Staat wordt verboden [eiser] uit te leveren;

V. de Staat te verbieden [eiser] uit te leveren zolang het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) niet heeft beslist in de (spoed)procedure die door advocaat mr. I. Oomen [toevoeging voorzieningenrechter: de advocaat die [eiser] in de asielprocedure bijstaat] in week 17 van 2018 zal worden ingesteld;

met veroordeling van de Staat in de kosten van de procedure.

3.2.

Daartoe voert [eiser] – kort samengevat – het volgende aan. [eiser] is gevlucht uit de Russische Federatie terwijl hij officier van het Binnenlandse leger was. Dat is desertie. Vanwege zijn functie heeft [eiser] bovendien toegang gehad tot staatsgeheimen. De Minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de vraag of [eiser] in de Russische Federatie zal worden vervolgd voor desertie en het lekken van staatsgeheimen en dus naar de vraag of sprake zal zijn van schending van het specialiteitsbeginsel. Op basis van de in het geding gebrachte documenten is meer dan aannemelijk dat [eiser] zal worden vervolgd voor het lekken van staatsgeheimen. Een beroepsofficier met kennis van staatgeheimen die uit de Russische Federatie is gevlucht met de bedoeling zich in de VS te vestigen zal na uitlevering met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden opgesloten, fysiek- en geestelijk mishandeld worden en mogelijk het leven laten in militaire gevangenschap. Uit de door [eiser] overgelegde stukken blijkt verder dat er op 27 oktober 2015 een strafzaak wegens desertie tegen [eiser] is aangespannen en het nu door de Minister verrichte onderzoek is onvoldoende om tot enige beoordeling van het bestaande risico ter zake van vervolging voor desertie te komen. Uitlevering mag niet worden toegestaan voor militaire delicten die niet ook misdrijven zijn naar algemeen Nederlands strafrecht. Desertie is niet naar algemeen Nederlands strafrecht strafbaar. De verwijzing door de Minister naar het interstatelijke vertrouwensbeginsel maakt dit niet anders. Immers, uit het rapport van dr. [A] blijkt dat het feit dat uitlevering in verband met fraude wordt verzocht – vanwege het arbitraire karakter van de Russische justitie en de macht van de veiligheidsdiensten in de Russische Federatie – als een drogreden (fabricatie) kan worden beschouwd om [eiser] in Rusland te laten berechten in verband met desertie en de wetgeving op staatsgeheimen. Desertie en schending van staatsgeheimen zullen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid leiden tot marteling en mishandeling. Bovendien is (ook) in algemene zin volstrekt aannemelijk dat schending van mensenrechten bij uitlevering zal plaatsvinden, omdat vaststaat dat marteling in Russische penitentiaire inrichtingen veel voorkomt en corruptie en straffeloosheid onder wetshandhavers groot is.

3.3.

De Staat voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4 De beoordeling van het geschil

Vooraf

4.1.

[eiser] grondt zijn vordering jegens de Staat, naar de voorzieningenrechter begrijpt, op onrechtmatig handelen. Daarmee is in zoverre de bevoegdheid van de burgerlijke rechter – in dit spoedeisende geval de voorzieningenrechter in kort geding – gegeven.

4.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen ten grondslag de Russische autoriteiten hem (ook) willen vervolgen voor andere feiten (desertie en het lekken van staatsgeheimen) dan waarvoor de uitlevering is gevraagd. Verder stelt [eiser] dat hij bij uitlevering aan de Russische Federatie een reëel risico loopt op een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling, waarbij dit risico nog groter is als hij inderdaad vervolgd wordt voor desertie en het lekken van staatsgeheimen.

4.3.

Voor zover [eiser] ook in dit kort geding beoogt te stellen dat het uitleveringsverzoek gefabriceerd is, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

4.4.

Op grond van de Uitleveringswet (Uw) vindt uitlevering van een opgeëiste persoon plaats nadat die door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard en vervolgens door de Minister bij besluit is toegestaan. In verband met de taakverdeling tussen de uitleveringsrechter en de Minister zoals neergelegd in de Uitleveringswet, toetst de uitleveringsrechter bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van de uitlevering niet alle aspecten van de uitlevering. Aspecten die volgens die taakverdeling worden beoordeeld door de Minister en daarom bij de toelaatbaarverklaring door de uitleveringsrechter niet aan de orde zijn gekomen, kan de opgeëiste persoon desgewenst betrekken in een vordering bij de burgerlijke rechter die ertoe strekt de uitlevering te verbieden op de grond dat het besluit van de Minister, of de tenuitvoerlegging daarvan, onrechtmatig is tegenover de opgeëiste persoon.

4.5.

De vraag of een uitleveringsverzoek voldoet aan de daaraan te stellen eisen – en aldus de vraag of er sprake is van een “gefabriceerd” uitleveringsverzoek – is ter beoordeling aan de uitleveringsrechter (vgl. artikel 28 lid 2 en artikel 18 lid 1 van het Uitleveringswet). [eiser] heeft zijn stellingen over het volgens hem gefabriceerde uitleveringsverzoek ook al bij de uitleveringsrechter naar voren gebracht en die heeft daarover ook geoordeeld. In dit kort geding heeft [eiser] niets, althans onvoldoende, gesteld op grond waarvan de voorzieningenrechter thans over dit punt zou kunnen oordelen en dat zou kunnen leiden tot een van het oordeel van de uitleveringsrechter afwijkend oordeel op dit punt. [eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stellingen dat het specialiteitsbeginsel geschonden wordt regelmatig verwezen naar zijn visie dat sprake is van een gefabriceerd uitleveringsverzoek. Gezien het oordeel van de uitleveringsrechter hierover zal aan die stellingen verder voorbij gegaan worden.

Schending specialiteitsbeginsel

4.6.

Op grond van het in artikel 14 van het EUV, waar zowel Nederland als de Russische Federatie partij bij zijn, neergelegde specialiteitsbeginsel mag een uitgeleverde persoon niet worden vervolgd of berecht voor andere feiten begaan voor de uitlevering dan de feiten waarvoor de uitlevering heeft plaatsgevonden. Het specialiteitsbeginsel is een interstatelijk beginsel en op grond van het vertrouwensbeginsel – dat uitgangspunt is tussen verdragsluitende partijen – moet in beginsel worden aangenomen dat de staat die om uitlevering verzoekt dit beginsel zal eerbiedigen. De uitleveringsrechter heeft over de mogelijke schending van het specialiteitsbeginsel nog geen oordeel gegeven, omdat dit oordeel is voorbehouden aan de Minister. Dit betekent dat de stelling van [eiser] op dit punt thans ter beoordeling aan de voorzieningenrechter kan worden voorgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat – zoals de Staat ook stelt – de Russische autoriteiten voldoende informatie en garanties hebben verstrekt op grond waarvan de Minister er op heeft kunnen vertrouwen dat het specialiteitsbeginsel jegens [eiser] niet zal worden geschonden. De voorzieningenrechter slaat daarbij acht op zowel de informatie waarover de Minister voorafgaand aan zijn beschikking van 31 maart 2017 beschikte als op de nadien door de Russische autoriteiten verstrekte aanvullende informatie. De voorzieningenrechter overweegt als volgt.

4.7.

[eiser] stelt terecht dat van vervolging wegens desertie sprake is geweest. Deze vervolging is echter bij bij beslissing van 31 januari 2017 geseponeerd. Gezien deze beslissing en de uitdrukkelijke toezeggingen van de Russische autoriteiten dat zij het specialiteitsbeginsel zullen respecteren (bij brief van 18 mei 2016 en bij brief van 25 april 2017, waarbij ook is gereageerd op de onder 2.3 en 2.4 genoemde stukken) mag de Minister in redelijkheid op deze toezegging vertrouwen. De omstandigheid dat van vervolging wegens desertie wel sprake is geweest, terwijl dit in het uitleveringsverzoek en in de brief van 3 februari 2017 niet is vermeld maakt dit niet anders. Immers, op het moment dat de uitlevering werd gevraagd, was voor de Russische autoriteiten al duidelijk dat [eiser] zich niet onttrok aan militaire dienst, maar dat hij de arrestatie wegens verdenking van de fraude waarvoor de uitlevering is gevraagd wilde ontlopen en was vervolging wegens desertie niet meer aan de orde. Dit blijkt met zoveel woorden uit de sepotbeslissing van 31 januari 2017, waarin staat vermeld dat op de dag dat [eiser] in Nederland is aangehouden “it has been established that [eiser] had no intention to evade military service; he failed to appear before the command of military unit 5428 at the appointed by the service regulation time in order to avoid criminal prosecution for the fraud committed against a number of persons in sum of more than 23 000 000 roubles.” Anders dan [eiser] betoogt kan van de Minister op dit punt geen nader onderzoek worden gevergd, ook niet naar de vraag of een sepotbeslissing nog kan worden ingetrokken. Gezien de toezeggingen dat het specialiteitsbeginsel wordt gerespecteerd zullen de Russische autoriteiten als de sepotbeslissing inderdaad wordt teruggedraaid op grond van artikel 14 lid 1 sub a EUV toestemming van de Minister moeten vragen voor de vervolging voor dit nieuwe feit. Er is geen reden te veronderstellen dat de Russische autoriteiten dat niet zullen doen. Een dergelijk verzoek zal vervolgens worden behandeld op dezelfde wijze – en met dezelfde waarborgen voor [eiser] – als een regulier uitleveringsverzoek. De omstandigheid dat de Minister op het moment dat hij de beslissing over uitlevering nam nog niet beschikte over de sepotbeslissing maakt vorenstaande evenmin anders, nu de voorzieningenrechter in dit kort geding op grond van de thans beschikbare informatie moet beoordelen of er aanleiding is de uitlevering te verbieden.

4.8.

Dat er een reële kans is dat [eiser] zal worden vervolgd wegens het lekken van staatsgeheimen is door hem niet aannemelijk gemaakt. Dat er op enig moment van vervolging op dit punt sprake is geweest, blijkt nergens uit. De Staat stelt in dit verband terecht dat voor zover [eiser] zijn beroep hierop baseert op een in oktober 2015 opgelegd uitreisverbod, dit uitreisverbod is opgelegd in verband met de strafzaak wegens desertie (vgl onder 2.3). De Staat heeft bovendien gemotiveerd gesteld dat er sprake is van contra-indicaties voor een beoogde vervolging wegens het lekken van staatsgeheimen. De Staat heeft daarbij onder meer aangevoerd dat aan [eiser] op 13 mei 2015 een paspoort is verleend, dat hij daarmee twee keer legaal de Russische Federatie is uitgereisd, terwijl volgens de eigen stelling van [eiser] bij zijn nader gehoor in het kader van de asielprocedure een persoon die met staatsgeheimen werkt gedurende tien jaar het land niet mag uitreizen. In het licht van dit gemotiveerde verweer van de Staat had het op de weg van [eiser] gelegen om zijn stellingen op dit punt nader te onderbouwen. Dat heeft hij nagelaten. Weliswaar stelt [eiser] dat hij groot gevaar loopt als hij meer informatie verstrekt over staatsgeheimen, maar die stelling ontslaat hem niet van de verplichting om aannemelijk te maken dat hij kennis heeft van staatsgeheimen, dat de Russische Federatie hem voor het lekken van die staatsgeheimen wil vervolgen en dat de kans reëel is dat de Russische Federatie dat ondanks de uitdrukkelijke toezeggingen dat het specialiteitsbeginsel wordt gerespecteerd ook zal doen. Dat heeft [eiser] niet gedaan.

4.9.

Nu een reële kans dat [eiser] zal worden vervolgd voor het lekken van staatsgeheimen niet aannemelijk is, hoeft van de Minister ook op dit punt geen nader onderzoek gevergd te worden. De enkele omstandigheid dat de rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat niet kan worden uitgesloten dat de Russische autoriteiten [eiser] willen vervolgen voor het lekken van staatsgeheimen en dat de voorzitter bijzondere aandacht voor dat deel van de beslissing heeft gevraagd, maakt dat niet anders, gezien de (terughoudende) wijze waarop de rechtbank dit oordeel heeft gegeven en nu dat onverlet laat dat de beoordeling op dit punt – zoals de uitleveringskamer ook onderkent – is voorbehouden aan de Minister.

4.10.

Slotsom van het vorenstaande is dat de vorderingen gericht op het doen van nader onderzoek / het beantwoorden van vragen over de mogelijke vervolging wegens desertie en / of het lekken van staatsgeheimen zullen worden afgewezen.

Schending artikel 3 EVRM

4.11.

[eiser] heeft ten aanzien van een mogelijk met artikel 3 EVRM strijdige behandeling allereerst gesteld dat vervolging in verband met desertie en schending van staatsgeheimen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid zullen leiden tot marteling en mishandeling. Deze stelling wordt gepasseerd, alleen al omdat uit al het vooroverwogene volgt dat niet aannemelijk is dat [eiser] voor desertie en schending van staatsgeheimen zal worden vervolgd.

4.12.

Ten aanzien van de stelling van [eiser] dat ook in algemene zin volstrekt aannemelijk is dat schending van mensenrechten bij uitlevering zal plaatsvinden, omdat vaststaat dat marteling in Russische penitentiaire inrichtingen veel voorkomt en corruptie en straffeloosheid onder wetshandhavers groot is, geldt het volgende. De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 3 EVRM aan uitlevering in de weg staat als er gegronde redenen (“substantial grounds”) zijn om aan te nemen dat de opgeëiste persoon in geval van uitlevering een reëel gevaar (“a real risk”) loopt te worden onderworpen aan foltering of aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, (o.a. EHRM 7 juli 1989, ECLI:NL:XX:AB9902, NJ 1990, 158). Doet zo’n situatie zich voor dan kan de Minister niet volstaan met een verwijzing naar het vertrouwensbeginsel. Bij beoordeling van de vraag of die situatie zich voordoet heeft als uitgangspunt te gelden dat de “mere possibility of ill-treatment on account of an unsettled situation in the requesting country does not in itself give rise to a breach of Article 3” (EHRM 11 februari 2013, zaak 17455 / 11 Umirov-Russia).

4.13.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling op dit punt verwezen naar een advies van mevrouw [B] , politiek adviseur van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, gevoegd bij een e-mail van 13 april 2017, waarin staat vermeld dat de omstandigheden in gevangenissen en strafkoloniën in de Russische Federatie slecht zijn, dat martelingen en onmenselijke behandeling veel voorkomen en dat politie, gevangenispersoneel en andere wetshandhavers opereren in een systeem van grote zelfstandigheid, straffeloosheid en corruptie. [eiser] heeft verder (in het algemeen) verwezen naar ambtsberichten van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 2015 en 2017, rapporten van Amnesty International over de Russische Federatie van 2014/2015 en 2015/2016, the Concluding Observations van het VN Mensenrechtencomité van 28 april 2015 en het Mensenrechtenrapport van het US Department of State. Hiermee heeft [eiser] naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter echter onvoldoende substantiële gronden aangevoerd voor de aanname dat juist hij een reëel gevaar loopt als hierboven omschreven, dan wel dat iedere gedetineerde dit gevaar loopt. Verwijzingen in algemene zin bieden voor een dergelijke conclusie onvoldoende basis, mede gezien de uitdrukkelijke toezegging van de Russische autoriteiten dat [eiser] zal worden behandeld conform het EVRM en European Penitentiary Rules van 11 januari 2006. Daar komt bovendien nog bij – zoals ook al door de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is overwogen – dat de Russische autoriteiten hebben bevestigd dat de Nederlandse ambassade [eiser] op elk moment kan bezoeken en zich ervan kan verzekeren dat de gegeven garanties dat [eiser] niet zal worden onderworpen aan een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling worden nageleefd.

4.14.

Slotsom is dat ook de vorderingen gericht op het doen van nader onderzoek / het beantwoorden van vragen in verband met een met artikel 3 EVRM strijdige behandeling zullen worden afgewezen.

Slotopmerkingen

4.15.

Gezien het vorenstaande zullen de vorderingen I tot en met IV worden afgewezen.

4.16.

[eiser] heeft nog opgemerkt dat onduidelijk is of hem een beroep op het EVRM toekomt, omdat hem een militair proces te wachten staat. De Staat merkt terecht op dat [eiser] aan deze stelling geen vorderingen heeft verbonden. Volledigheidshalve merkt de voorzieningenrechter op dat gezien de toezeggingen van de Russische autoriteiten ervan uit gegaan moet worden dat [eiser] na uitlevering een beroep op het EVRM toekomt. [eiser] heeft op dit punt weliswaar gesteld dat de Minister nader onderzoek had moeten doen naar de vraag of hem als militair een beroep op het EVRM toekomt, maar hij heeft onvoldoende geconcretiseerd waarom hem dat beroep zou worden onthouden, eens te minder nu hij uitsluitend voor een commuun delict wordt vervolgd. Dit had wel op zijn weg gelegen en bij deze omstandigheden kan van de Minister niet gevergd worden dat hij op dit punt nader onderzoek verricht.

4.17.

De vordering om de Staat te verbieden [eiser] uit te leveren zolang het EHRM niet heeft beslist in de door mr. Oomen aanhangig gemaakte (spoed)procedure zal eveneens worden afgewezen. Van de Staat kan niet gevergd worden dat hij een reguliere procedure bij het EHRM afwacht, gezien de duur van een dergelijke procedure. De Staat heeft toegezegd bereid te zijn een interim measure van het EHRM op grond van Rule 39 van de Rules of Court af te wachten. Nu de Staat dergelijke toezeggingen pleegt na te komen heeft [eiser] geen belang bij een veroordeling op dit punt, nog daargelaten dat uit de door [eiser] overgelegde stukken niet blijkt dat hij daadwerkelijk om een interim measure heeft verzocht.

4.18.

[eiser] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5 De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen van [eiser] af;

5.2.

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de Staat begroot op € 1.606,--, waarvan € 980,-- aan salaris advocaat en € 626,-- aan griffierecht;

5.3.

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

Dit vonnis is gewezen door mr. G.P. van Ham en in het openbaar uitgesproken op 4 juli 2018.

idt