Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7903

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
23-07-2018
Zaaknummer
09/827057-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toevallige voorbijgangers worden bedreigd en (zwaar) mishandeld. Gevangenisstraf 8 maanden waarvan 4 maanden voorwaardelijk + taakstraf van 160 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 09/827057-18

Datum uitspraak: 2 juli 2018

Tegenspraak

(Promisvonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1 Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden ter terechtzittingen van 9 april 2018 en 18 juni 2018.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.J. Algera en van hetgeen door verdachte en zijn raadsman mr. T. Thissen naar voren is gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tegen die [slachtoffer 1] opzettelijk dreigend te zeggen "Ik kan je zo

neersteken", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of door daarbij/vervolgens een mes uit zijn, verdachtes, (binnen)zak te pakken en/of dit mes aan die [slachtoffer 1] te tonen;

2.

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer 1] tegen de neus, althans het gezicht, heeft geschopt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] tegen de neus, althans het hoofd, te schoppen;

3.

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven;

4.

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas,

aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten drie, althans één of meer, doorgesneden pezen van vingers, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) die [slachtoffer 2] in de hand te steken en/of te snijden;

subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen in en/of tegen en/of in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] heeft gesneden en/of gestoken en/of geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas,

[slachtoffer 2] heeft mishandeld door met een mes, althans een scherp en/of

puntig voorwerp, die [slachtoffer 2] in de hand te snijden en/of te steken;

3 Bewijsoverwegingen

3.1

Inleiding

Verdachte wordt ervan verdacht dat hij in de nacht van 20 januari 2018 te Nieuwerkerk aan den IJssel verschillende personen heeft bedreigd en mishandeld. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld welke specifieke gedragingen bewezen kunnen worden verklaard en hoe deze gedragingen van verdachte gekwalificeerd dienen te worden.

3.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2 primair, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten. Ter onderbouwing van haar standpunt ten aanzien van feit 2 primair heeft zij aangevoerd dat het schoppen in het gezicht met zich brengt dat verdachte op zijn minst voorwaardelijke opzet heeft gehad op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

3.3

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit ten aanzien van de feiten 1, 2 primair, 3 en 4 primair en subsidiair. Ter onderbouwing is het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 1 ontbreekt de overtuiging. Getuige [getuige 1] heeft immers de bedreiging niet gehoord. Het is aannemelijk dat aangever zich de bedreiging heeft ingebeeld. Ten aanzien van feit 2 heeft verdachte niet de aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel aanvaard. Verdachte heeft namelijk alleen met zijn voet een tik tegen de neus van aangever gegeven. Ten aanzien van feit 3 ontbreekt voldoende bewijs. Uit de camerabeelden van de vechtpartij volgt dat aangever de eerste klap heeft gegeven en niet dat verdachte een kopstoot heeft gegeven. Ten aanzien van feit 4 heeft verdachte het mes ter afschrikking voor zich gehouden en geen (voorwaardelijke) opzet gehad om zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3.4

De beoordeling van de tenlastelegging1

Feiten 1 en 2 - bedreiging en mishandeling [slachtoffer 1]

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij in de nacht van 19 op 20 januari 2018 om 02.30 uur op de Doortocht in Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas, liep. Een jongen botste expres tegen aangever aan en zei tegen hem “Wat is er kankermongool” en “Ik kan je zo neersteken”. Vervolgens zag aangever dat de jongen uit zijn binnenzak een mes haalde. Aangever wilde doorlopen, maar zag en voelde dat de jongen met zijn rechtervoet hem een schop in zijn gezicht gaf, tegen zijn neus aan. Hij voelde direct pijn aan zijn neus en hij zag en voelde dat hij een bloedneus had.2 Aangever herkende op een foto van verdachte voor 100% verdachte als degene die hem had bedreigd en geschopt.3 Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij in de nacht van 20 januari 2018 met aangever liep. Een man liep tegen aangever aan en zei “Wat moet jij, kankermongool”. Getuige [getuige 1] zag dat de man een mes in zijn handen had. Nog voordat aangever was omgedraaid, zag getuige [getuige 1] dat de man aangever een ‘high kick’ gaf en zo aangever tegen de neus schopte.4 Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangever tegen het gezicht heeft geschopt5 en dat het goed kan dat hij aangever heeft bedreigd en een mes heeft getoond, maar dat hij dat niet meer weet.

Overwegingen ten aanzien van feit 1 (bedreiging)

Niet in geschil is dat er voldoende wettig bewijs is. De raadsman heeft echter aangevoerd dat het wettig bewijs onvoldoende overtuigend is. De rechtbank overweegt in dit kader dat de verklaringen van aangever en getuige [getuige 1] vrijwel direct na het voorval zijn afgenomen, dat ze gedetailleerd zijn en dat de verklaring van aangever nagenoeg geheel wordt ondersteund door de verklaring van getuige [getuige 1] . Dat de woordelijke bedreiging niet in de verklaring van [getuige 1] is opgenomen, brengt nog niet met zich dat aan de juistheid van de verklaring van aangever moet worden getwijfeld. De rechtbank ziet in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd en hetgeen ter terechtzitting daarover door verdachte is verklaard dan ook geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van die verklaring.

Conclusie ten aanzien van feit 1

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan verdachte onder feit 1 ten laste is gelegd.

Overwegingen ten aanzien van feit 2 (mishandeling)

Ten aanzien van feit 2 dient de rechtbank te beoordelen of het handelen van verdachte dient te worden gekwalificeerd als poging tot zware mishandeling of een eenvoudige mishandeling. Voor een bewezenverklaring van de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling is vereist dat verdachte het opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. De vraag die in dit verband beantwoord dient te worden, is of verdachte ten minste heeft gehandeld met voorwaardelijk opzet, oftewel of verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat aangever door de trap tegen de neus zwaar lichamelijk letsel zou oplopen.

De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte voorwaardelijke opzet had om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Uit de bewijsmiddelen volgt dat verdachte aangever in het gezicht schopte terwijl aangever stond. De bewijsmiddelen geven geen uitsluitsel over de kracht waarmee de schop van verdachte gepaard is gegaan. Daarom kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden vastgesteld dat de kans aanmerkelijk was dat aangever door de schop zwaar lichamelijk letsel zou kunnen oplopen.

Conclusie ten aanzien van feit 2

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat geen sprake is van een poging zware mishandeling en zal verdachte hiervan dan ook vrijspreken. Met de raadsman is de rechtbank van oordeel dat bewezen kan worden dat verdachte aangever heeft mishandeld, zoals subsidiair onder feit 2 ten laste is gelegd.

Feiten 3 en 4 - mishandeling en zware mishandeling van [slachtoffer 2]

Aangever [slachtoffer 2] heeft op 21 januari 2018 omstreeks 15:00 uur verklaard dat hij op 20 januari 2018 omstreeks 02:43 uur samen met [getuige 2] op de Doortocht, gemeente Zuidplas, richting het Raadhuisplein liep. Verdachte kwam naar aangever toe en ging met zijn gezicht dicht tegen het gezicht van aangever staan en gaf direct een kopstoot, waardoor aangever een bloedneus kreeg. Vervolgens heeft aangever zich moeten afweren, omdat verdachte richting aangever slaande bewegingen maakte. Aangever zag dat verdachte in zijn rechterhand een mes had en dat zijn eigen rechterhand bloedde. Nadien bleek dat de pezen van de pink, ringvinger en middelvinger van de hand van aangever waren doorgesneden.6 Aangever is in het Erasmus MC gehecht in verband met letsel aan drie pezen.7 Aangever heeft op een aan hem getoonde foto verdachte herkend.8

Getuige [getuige 2] verklaarde dat hij op 20 januari 2018 omstreeks 02:30 uur met [slachtoffer 2] fietste en dat ze twee baldadige personen tegen kwamen. Een van de twee gaf aangever een kopstoot. Toen getuige [getuige 2] bij aangever kwam, zag hij dat de hand van aangever onder het bloed zat.9

Op camerabeelden van stadstoezicht van 20 januari 2018 is vanaf 02.37 uur te zien dat er verdachte en een andere persoon op aangever en getuige [getuige 2] afliepen en dat er een vechtpartij tussen hen ontstaat. Vervolgens verspringt het beeld naar de fietsenstalling om 2.39.18 uur en om 2.39.26 uur weer terug naar de locatie van de vechtpartij. Dan is te zien dat verdachte aangever aanvalt en dat aangever verdachte probeert af te weren. Ook is te zien dat verdachte een steekvoorwerp uit zijn kleding pakt en richting aangever zwaait.10 Ter terechtzitting op 18 juni 2018 heeft verdachte ten aanzien van feit 4 verklaard dat hij een mes heeft gepakt enkel om aangever af te schrikken en dat hij hem kennelijk heeft geraakt.11

Overwegingen ten aanzien van feit 3

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van aangever en getuige [getuige 2] kort na het voorval zijn afgenomen, dat ze gedetailleerd zijn en dat deze verklaringen worden ondersteund door de camerabeelden van stadstoezicht. De rechtbank zal daarom de verklaring van aangever als uitgangspunt nemen. Op de camerabeelden van stadstoezicht is niet te zien dat verdachte aangever een kopstoot geeft. De rechtbank is van oordeel dat de reden hiervan is dat de kwaliteit van de beelden niet hoog is, het gevecht van een grote afstand wordt opgenomen en dat een kopstoot, anders dan bijvoorbeeld een klap of een schop, een snelle, korte beweging is. De rechtbank ziet in het voorgaande dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de verklaringen van aangever en de getuige [getuige 2] dat verdachte aangever een kopstoot heeft gegeven.

Conclusie ten aanzien van feit 3

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan verdachte onder feit 3 ten laste is gelegd.

Overwegingen ten aanzien van feit 4

Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, gaat de rechtbank bij de beoordeling uit van de juistheid van de verklaringen van aangever en getuige [getuige 2] . Uit deze verklaringen, alsmede uit de camerabeelden van stadstoezicht, volgt dat verdachte het initiatief nam tot de vechtpartij en ook tijdens de vechtpartij. Verdachte was de agressor en heeft daarbij gebruik gemaakt van een mes. Dat aangever verdachte wellicht van zich heeft afgeslagen, doet daar niet aan af. De lezing van de verdediging dat verdachte het mes enkel gebruikte ter afdreiging vindt geen steun in het dossier. Integendeel, uit het dossier kan worden opgemaakt dat verdachte doelbewust met het mes in de richting van aangever zwaait. Door aldus te handelen, heeft verdachte in iedere geval de aanmerkelijk kans aanvaard dat aangever zwaar gewond zou raken. Dit is ook gebeurd gelet op de drie doorgesneden pezen van de hand van aangever. Dit letsel is, mede gezien de noodzakelijke medische ingrepen en de genezingsduur, te kwalificeren als zwaar lichamelijk letsel.

Conclusie ten aanzien van feit 4

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan verdachte onder feit 4 primair ten laste is gelegd.

3.5

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart bewezen dat:

1.

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas,

[slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door tegen die [slachtoffer 1] opzettelijk dreigend te zeggen "Ik kan je zo

neersteken", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking, en/of door daarbij/vervolgens een mes uit zijn, verdachtes, (binnen)zak te pakken en/of dit mes aan die [slachtoffer 1] te tonen;

2.

Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een

veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas,

[slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] tegen de neus, althans het hoofd, te schoppen;

3.

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] een kopstoot te geven;

4.

hij op of omstreeks 20 januari 2018 te Nieuwerkerk a/d IJssel, gemeente Zuidplas,

aan [slachtoffer 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten drie, althans één of meer, doorgesneden pezen van vingers, heeft toegebracht door met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) die [slachtoffer 2] in de hand te steken en/of te snijden;

4 De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5 De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6 De strafoplegging

6.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht, deelname aan een gedragsinterventie, een behandelverplichting en een alcoholverbod. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen.

6.2

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit om aan verdachte een taakstraf van 240 uren op te leggen alsmede een gevangenisstraf van zes maanden, waarvan het onvoorwaardelijk deel overeenkomt met de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft vastgezeten.

6.3

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich in de nacht van 20 januari 2018 op de openbare weg in Nieuwerkerk aan den IJssel ernstig misdragen. Nadat verdachte in verband met het veroorzaken van overlast in een café, dit café was uitgezet, heeft hij toevallige voorbijgangers ernstig lastig gevallen. Zonder enige aanleiding heeft hij eerst slachtoffer [slachtoffer 1] met een mes bedreigd en vervolgens mishandeld. Even later heeft hij slachtoffer [slachtoffer 2] ernstig mishandeld: verdachte gaf eerst een kopstoot en sneed vervolgens met een mes drie pezen van de hand van [slachtoffer 2] door.

De rechtbank rekent verdachte deze geweldsuitbarstingen ernstig aan, te meer omdat verdachte daartoe zonder noemenswaardige aanleiding is overgegaan en het geweld betrof tegen willekeurige personen. Bovendien kunnen dergelijke strafbare feiten niet alleen bij slachtoffers, maar ook bij de omstanders en de samenleving als geheel tot gevoelens van angst en onveiligheid leiden. De ervaring leert dat diegenen die met zulke geweldsuitbarstingen te maken krijgen ook nog geruime tijd daarna met dergelijke gevoelens te kampen kunnen hebben. Bovendien roept dergelijk gedrag in toenemende mate gevoelens van verontwaardiging op in de maatschappij.

In het nadeel van verdachte weegt de rechtbank mee dat verdachte weliswaar spijt heeft betuigd, maar dat hij zijn rol zoveel mogelijk heeft proberen te bagatelliseren en de aanleiding van zijn geweldsuitbarstingen bij de slachtoffers heeft proberen neer te leggen.

De persoon van verdachte

De rechtbank heeft gelet op het strafblad van verdachte van 22 mei 2018, waaruit blijkt dat hij in de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten een geldboete heeft gekregen in verband met een mishandeling. Uit het reclasseringsrapport van 19 april 2018 volgt dat verdachte zich coöperatief heeft opgesteld en dat hij een intern gemotiveerde indruk maakt. Zijn alcoholgebruik springt er als criminogene factor uit. Op andere gebieden heeft verdachte structuur en stabiliteit. Geadviseerd wordt om een gedeeltelijk voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht, deelname aan een gedragsinterventie ‘alcohol en geweld’ en een behandelverplichting in verband met zijn alcoholgebruik.

De straf

De rechtbank ziet in het voorgaande aanleiding om tot een gedeeltelijk andere strafmodaliteit te komen dan door de officier van justitie is gevorderd. De rechtbank komt in verband met al het vorenstaande tot het oordeel dat passend en geboden is om aan de verdachte een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de bijzondere voorwaarden van een meldplicht, een deelname aan een gedragsinterventie en een ambulante behandeling. Daarnaast zal de rechtbank aan verdachte als bijzondere voorwaarde een alcoholverbod opleggen. Het voorwaardelijk deel dient met name om verdachte ervan te doordringen dat hij gemotiveerd dient te blijven voor de behandeling en dat hij zich in de toekomst dient te onthouden van het plegen van strafbare feiten. Naast deze deels voorwaardelijke gevangenisstraf acht de rechtbank een werkstraf voor de duur van 160 uren nog passend.

De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis.

7 De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2]

Kort voor de terechtzitting heeft de gemachtigde van benadeelde partij [slachtoffer 2] , [gemachtigde benadeelde partij] , een verzoek tot schadevergoeding ingediend. [slachtoffer 2] vordert een bedrag van € 24.539,07, bestaande uit € 21.989,07 aan materiële schade en € 2.800,- aan immateriële schadevergoeding, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel en toewijzing van de wettelijke rente. Ter terechtzitting heeft [gemachtigde benadeelde partij] zich op het standpunt gesteld dat de kosten in verband met de studievertraging niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat de omvang van die schade nog niet bekend is.

7.1

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij ten aanzien van de kosten van de studievertraging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering en voor het overige, onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en toewijzing van de wettelijke rente, dient te worden toegewezen.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de volgende posten toewijsbaar zijn:

  • -

    zorgkosten ter hoogte van € 385,-;

  • -

    medicijnkosten ter hoogte van € 15,-;

  • -

    immateriële schade ter hoogte van € 1.250,- tot € 1.500,-.

De rest van de vordering dient niet-ontvankelijk te worden verklaard.

7.3

Het oordeel van de rechtbank

Uit het onderzoek ter terechtzitting is vast komen te staan dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het onder 4 bewezen verklaarde feit. De rechtbank zal de niet betwiste posten zorgkosten en medicijnkosten toewijzen. Ten aanzien van de overige posten oordeelt de rechtbank als volgt.

Kledingschade

De rechtbank schat de schade aan de kleding niet hoger in dan de vergoeding die de benadeelde partij reeds van de verzekeraar heeft ontvangen. De rechtbank wijst deze post af.

Doorlopend sportabonnement

Omdat niet is gebleken dat de benadeelde partij gepoogd heeft om zijn sportabonnement op te zeggen, dan wel te pauzeren, zal de rechtbank de benadeelde partij wat betreft deze post niet-ontvankelijk verklaren.

Ziekenhuisopname

In overeenstemming met de Richtlijn Letselschaderaad zal de rechtbank € 60,- (€ 30,- per dag) toewijzen.

Reis- en parkeerkosten

Niet is gebleken dat verdachte deze schade heeft geleden. De rechtbank verklaart de benadeelde partij wat betreft deze post niet-ontvankelijk.

Verlies arbeidsvermogen

De benadeelde partij heeft uitvoerig en gemotiveerd het verlies aan arbeidsvermogen onderbouwd. De verdediging heeft dit onvoldoende gemotiveerd betwist. De rechtbank zal de gehele post van € 411,28 toewijzen.

Studievertraging

Omdat de hoogte van deze schade nog onzeker is, zal de rechtbank de benadeelde partij wat betreft deze post niet-ontvankelijk verklaren.

Immateriële schadevergoeding

De rechtbank zal naar billijkheid een bedrag van € 1.250,- toewijzen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij voor het overige deel van de immateriële schade afwijzen.

Conclusie

De rechtbank zal een bedrag van € 2.121,28 bestaande uit € 871,28 aan materiële schade (€ 385,- + € 60,- + € 15,- + € 411,28) en € 1.250,- aan immateriële schade toewijzen. De rechtbank wijst de kosten van de kleding en een gedeelte van de immateriële schade af. De benadeelde partij zal voor het overige niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 20 januari 2018, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Aangezien de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten de rechtbank tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Omdat verdachte voor het onder 4 bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door dit feit is toegebracht, zal de rechtbank aan verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.121,28, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening, ten behoeve van de benadeelde partij [slachtoffer 2] .

8 De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 57, 285, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals ze golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 2 primair ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 subsidiair, 3 en 4 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 1:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

ten aanzien van feit 2 subsidiair:

mishandeling;

ten aanzien van feit 3:

mishandeling;

ten aanzien van feit 4 primair:

zware mishandeling;

verklaart het bewezenverklaarde en verdachte deswege strafbaar;

verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot vier maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde:

- zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- ter vaststelling van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij de Fivoor/GGZ Reclassering Palier Witte Singel 8 te Leiden op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang deze de reclassering dat noodzakelijk acht;

- zich gedurende de proeftijd onthoudt van het gebruik van alcohol en zich verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken aan bloedonderzoek of urineonderzoek;

- zich gedurende de proeftijd onder behandeling stelt van een ambulante verslavings‑zorginstelling, op de tijden en plaatsen als door of namens die zorginstelling aan te geven, teneinde zich te laten behandelen voor zijn alcohol gerelateerde stoornis;

- gedurende de proeftijd deelneemt aan een gedragsinterventie, bestaande uit een training alcohol en geweld, verzorgd door Fivoor/GGZ reclassering Palier of een soortgelijke instelling, waarbij de veroordeelde zich houdt aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie door of namens deze instelling aan hem worden gegeven;

geeft opdracht aan Fivoor/GGZ Reclassering Palier tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

veroordeelt verdachte voorts tot:

een taakstraf, bestaande uit het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de tijd van 160 (honderdzestig) uren;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 80 (tachtig) dagen;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij gedeeltelijk toe en veroordeelt verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan [slachtoffer 2] een bedrag van € 2.121,28, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2018 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst af de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij ten aanzien van de post kleding;

bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige materiële deel niet-ontvankelijk is in de vordering en dat de benadeelde partij de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

wijst af het meer of anders gevorderde voor zover dat ziet op de immateriële schadevergoeding;

legt aan verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag groot € 2.121,28, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 20 januari 2018 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [slachtoffer 2] ;

bepaalt dat in geval noch volledige betaling noch volledig verhaal van het verschuldigde bedrag volgt – onder handhaving van voormelde verplichting – vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 31 dagen;

veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

Dit vonnis is gewezen door

mr. V.J. de Haan, voorzitter,

mr. N.F.H. van Eijk, rechter,

mr. F.A.M. Veraart, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. B. Schaafsma, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juli 2018.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Waar wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2018018510, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn – Gouda basisteam Waddinxveen / Zuidplas, met bijlagen (doorgenummerd blz. 1 t/m 126).

2 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 1] , blz. 16-17.

3 Proces-verbaal van verhoor van aangever [slachtoffer 1] , blz. 19-21.

4 Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , blz. 22-23.

5 Verklaring van verdachte ter terechtzitting op 18 juni 2018.

6 Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer 2] , blz. 24-26.

7 Een geschrift zijnde een ontslagbrief van 19 maart 2018, overgelegd bij de vordering tot schadevergoeding.

8 Proces-verbaal van bevindingen, blz. 27.

9 Proces-verbaal van verhoor getuige R. [getuige 2] , blz. 31-32.

10 Proces-verbaal van bevindingen beelden stadstoezicht, blz. 44-54.

11 Verklaring van verdachte ter terechtzitting op 18 juni 2018.