Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBDHA:2018:7895

Instantie
Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak
02-07-2018
Datum publicatie
03-07-2018
Zaaknummer
AWB 18/2409
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres is een 9-jarig meisje uit Somalië, die een mvv heeft aangevraagd voor verblijf als pleegkind bij haar pleegmoeder, de zus van haar grootvader. De rechtbank is van oordeel dat de IND onvoldoende heeft gemotiveerd dat voor eiseres geen sprake is van een onaanvaardbare toekomst in Somalië. Eiseres wordt in Somalië namelijk verzorgd door haar buren, terwijl volgens verweerders beleid pas van een aanvaardbare toekomst kan worden gesproken als eiseres in het land van herkomst door naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen naaste familie meer heeft wonen in Somalië is niet relevant, nu deze blijkbaar niet voor haar kunnen zorgen. Aanvullend heeft de IND het standpunt ingenomen dat eiseres geen bloed- of aanverwante van referente is, en om die reden niet kan worden aangemerkt als pleegkind in de zin van zijn beleid. De rechtbank volgt dit, maar oordeelt dat dit onvoldoende is om de rechtsgevolgen in stand te laten nu de IND heeft nagelaten te motiveren waarom hij in dit geval niet afwijkt van zijn beleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 18/2409

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 2 juli 2018

in de zaak tussen

[eiseres] ,

geboren op [datum] 2009,

v-nummer [nummer] ,

van Somalische nationaliteit,

eiseres,

(gemachtigde: mr. G.J. van der Graaf),

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

Immigratie- en Naturalisatiedienst,

verweerder.

Het procesverloop

Op 7 december 2016 heeft [referente] (hierna: referente) ten behoeve van eiseres een aanvraag ingediend tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’. Bij besluit van 10 juli 2017 (hierna: primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag afgewezen.

Daartegen heeft eiseres op 4 augustus 2017 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 maart 2018 (hierna: bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Op 3 april 2018 heeft eiseres beroep ingesteld tegen dit besluit.

Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

De openbare behandeling van het beroep heeft plaatsgevonden ter zitting van 12 juni 2018. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Tevens is referente met haar zoon, [zoon referente] , verschenen. Verweerder is, na voorafgaande schriftelijke kennisgeving, niet verschenen.

De beoordeling

1. Referente is geboren op 1 januari 1949, zij heeft de Somalische nationaliteit en verblijft sinds 2015 in Nederland. Eiseres is de kleindochter van de broer van referente. Zij beoogt verblijf bij referente als pleegkind.

2. Verweerder heeft de aanvraag tot verlening van een mvv afgewezen, deze afwijzing bij het bestreden besluit gehandhaafd, omdat niet kan worden geconcludeerd dat eiseres geen aanvaardbare toekomst heeft in haar land van herkomst. Dit is wel vereist op grond van artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b van Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: Vb 2000). Verder is volgens verweerder tussen eiseres en referente geen sprake van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) omdat geen sprake is van familie- of gezinsleven zodat aan een belangenafweging niet wordt toegekomen.

3. Hier is eiseres het niet mee eens. Op wat zij daartoe heeft aangevoerd, zal hierna worden ingegaan.

4. De rechtbank overweegt als volgt.

5. Op grond van artikel 3.28, eerste lid, van het Vb 2000 kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid worden verleend aan de minderjarige vreemdeling:

a. die als pleegkind in Nederland wil verblijven in het gezin van één of meer Nederlanders of vreemdelingen met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000; en

b. die naar het oordeel van verweerder in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft.

Uit paragraaf B7/3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: Vc 2000) blijkt dat verweerder aanneemt dat voor het kind geen aanvaardbare toekomst is weggelegd in het land van herkomst, als sprake is van zodanige omstandigheden, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.

Verweerder neemt niet aan dat sprake is van een onaanvaardbare toekomst als het kind verblijft bij zijn ouders in minder welvarende omstandigheden, voor zover die omstandigheden ter plaatse als normaal zijn te beschouwen.

Blijkens paragraaf B7/3.7.2 van de Vc 2000 verleent verweerder, in aanvulling op de in artikel 3.28 van het Vb 2000 opgenomen voorwaarden, een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking familie- of gezinslid, als ook wordt voldaan aan alle hierna genoemde voorwaarden:

  1. het buitenlandse pleegkind is een bloed- of aanverwant als bedoeld in artikel 1:3 BW van de referent;

  2. a) de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) van het kind stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders; óf

b) de autoriteiten in het land van herkomst stemmen in met het verblijf van het kind in het gezin van de aspirant-pleegouders, in het geval dat de ouder(s) of de wettelijke vertegenwoordiger(s) overleden zijn of een onbekende verblijfplaats hebben; en

3. het gezag van de aspirant-pleegouder(s) over het kind is geregeld door de bevoegde autoriteiten.

Ad 1.

De referent moet een grootouder, broer of halfbroer, zuster of halfzuster, schoonzus of zwager, of oom of tante van het pleegkind zijn.

6. In het primaire besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat uit de verklaringen van referente niet kan worden opgemaakt of eiseres is aan te merken als pleegkind van referente. De rechtbank stelt vast dat verweerder dit in het bestreden besluit niet, althans niet kenbaar, heeft tegengeworpen en dat hij er van uitgaat dat eiseres het achternichtje van referente is. Dat verweerder geen gezinsleven heeft aangenomen in de zin van artikel 8 van het EVRM ziet de rechtbank niet als onderbouwing van het in het primaire besluit ingenomen standpunt dat eiseres niet is aan te merken als pleegkind van referente, nu dit een andere beoordeling door verweerder vergt.

7. Met eiseres stelt de rechtbank daarom vast dat verweerder in het bestreden besluit als enige afwijzingsgrond heeft gehanteerd dat eiseres niet heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 3.28, eerste lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000. Volgens verweerder is voor eiseres in Somalië namelijk geen sprake van een onaanvaardbare toekomst in de zin van dat artikel.

7.1

Volgens eiseres blijkt uit verweerders beleid, paragraaf B7/3.7.1, van de Vc 2000, dat pas van een aanvaardbare toekomst kan worden gesproken als zij in het land van herkomst door naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. De verzorging door haar buren kan volgens eiseres niet gelijk worden gesteld met bloed- of aanverwanten zodat per definitie geen sprake kan zijn van een aanvaardbare toekomst nu zij verder ook geen familie heeft om voor haar te zorgen in Somalië.

7.2

De rechtbank volgt eiseres in haar betoog. Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder niet heeft betwist dat eiseres sinds maart 2015 wordt opgevangen en verzorgd door haar buren. Door eiseres is terecht en onbetwist betoogd dat deze buren niet zijn aan te merken als bloed- of aanverwanten in de zin van verweerders beleid. Het bestreden besluit mist op dit punt dus een deugdelijke motivering.

8. In het verweerschrift heeft verweerder zich, aanvullend, op het standpunt gesteld dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar biologische vader zou zijn overleden, of dat haar moeder voor haar spoorloos zou zijn. Daarnaast heeft eiseres volgens verweerder niet onderbouwd dat zij, naast haar moeder, geen andere bloed- of aanverwanten heeft door wie zij kan worden verzorgd.

8.1

Naar het oordeel van de rechtbank is ook deze motivering onvoldoende onderbouwing voor verweerders onder 7. vermelde standpunt. Nu verweerder niet heeft betwist dat eiseres sinds maart 2015 door haar buren wordt verzorgd, kan hieruit worden afgeleid dat eiseres niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd, zoals eiseres terecht heeft betoogd. Anders dan verweerder met zijn standpunt lijkt te suggereren, is de voorwaarde niet dat er nog naaste bloed- of aanverwanten in Somalië wonen. Uit verweerders beleid blijkt immers dat pas van een aanvaardbare toekomst kan worden gesproken als eiseres ook door deze bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd. Dat eiseres maandelijks een geldbedrag krijgt van de zoon van referente, maakt het voorgaande niet anders.

9. Gelet hierop is het beroep reeds gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Of verweerder bij zijn beoordeling van een aanvaardbare toekomst terecht de aangevoerde asielgerelateerde omstandigheden buiten beschouwing heeft gelaten behoeft daarom geen bespreking. Ten behoeve van een finale beslechting van dit geschil ziet de rechtbank echter aanleiding te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden. De rechtsgevolgen zouden in stand kunnen worden gelaten als de rechtbank van oordeel is dat verweerders motivering in het verweerschrift voldoende onderbouwing is van de afwijzing van de aanvraag.

10. In het verweerschrift heeft verweerder zich voor het eerst op het standpunt gesteld dat eiseres niet heeft voldaan aan de eerste voorwaarde uit paragraaf B7/3.7.2 van de Vc 2000. Zij is immers geen bloed- of aanverwant van referente als bedoeld in artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek. Eiseres is namelijk de kleindochter van een broer van referente en kan daarom niet worden aangemerkt als pleegkind in de zin van artikel 3.28 van het Vb 2000, aldus verweerder.

10.1

Eiseres heeft primair betoogd dat zij wel heeft voldaan aan deze voorwaarde omdat de in toelichting genoemde opsomming van familieleden niet limitatief is bedoeld. Subsidiair heeft zij betoogd dat verweerder bevoegd en gehouden was om af te wijken van deze beleidsregel vanwege de bijzondere omstandigheden van het geval. Verweerder heeft volgens eiseres niet gemotiveerd waarom tot het afwijken van de beleidsregel geen aanleiding bestaat.

10.2

De rechtbank is van oordeel dat het primaire betoog van eiseres niet slaagt. Verweerder heeft met het beleid de keuze gemaakt om het toepassingsbereik te beperken tot bloed- en aanverwantschap in de eerste, tweede en derde graad. Daarmee waarborgt verweerder een zekere mate van nauwe verwantschap tussen het pleegkind en de pleegouder(s) door de afstand tot hun gemeenschappelijke voorouder te beperken. Naast dat dit geen ongebruikelijke keuze is in het recht, is deze keuze naar het oordeel van de rechtbank ook te rechtvaardigen doordat het beleid op deze manier helder en objectief de doelgroep afbakent wat consistent en voorspelbaar overheidshandelen ten goede komt.

Het subsidiaire betoog van eiseres slaagt. Uit het verweerschrift blijkt immers niet, althans niet kenbaar, dat verweerder heeft beoordeeld of er op grond van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) aanleiding bestond om van de beleidsregel af te wijken. Verweerder is ter zitting niet verschenen, zodat hij niet heeft gereageerd op het betoog van eiseres. Daarom ligt de rechtbank geen standpunt van verweerder ter toetsing voor. Ook op dit punt is dus sprake van een motiveringsgebrek.

11. Gelet hierop concludeert de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit niet in stand gelaten kunnen worden. Mede gelet op het eerdere geconstateerde gebrek, ziet de rechtbank ook geen aanleiding verweerder in de gelegenheid te stellen de gebreken te herstellen. De rechtbank zal het bestreden besluit vanwege strijd met artikel 7:12 van de Awb vernietigen en verweerder opdragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, met inachtneming van deze uitspraak. De beroepsgronden die zien op artikel 8 van het EVRM behoeven geen bespreking.

12. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder te veroordelen in de door eiseres redelijkerwijs gemaakte proceskosten, welke zijn begroot op € 1002 op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde van € 501 per punt en wegingsfactor 1). Tevens zal de rechtbank verweerder gelasten het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van € 170 aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het bestreden besluit;

  • -

    draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 1002;

  • -

    gelast dat verweerder het betaalde griffierecht ten bedrage van € 170 aan eiseres vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. M.S.T. Belt, rechter, in tegenwoordigheid van mr. B.G. Smouter, griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op: 2 juli 2018

griffier

rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen de uitspraak in beroep kunnen partijen binnen vier weken na de verzending van een afschrift hoger beroep instellen bij de Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak, Hoger beroep vreemdelingenzaken, Postbus 16113, 2500 BC ’s-Gravenhage. Het beroepschrift dient een of meer grieven tegen de uitspraak te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb is niet van toepassing. Een afschrift van de uitspraak dient overgelegd te worden. Meer informatie treft u aan op de website van de Raad van State (www.raadvanstate.nl).